Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3129

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
21-007206-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:8608
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:989, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof verklaart bewezen dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad een jonge vrouw van haar leven heeft beroofd. Hij heeft dit gedaan door het chalet waarin zij zich in weerloze toestand bevond in brand te steken. Dat zij weerloos was, is het gevolg geweest van geweldshandelingen van de verdachte: hij heeft haar meerdere keren met een betonklinker tegen haar hoofd geslagen.

Ter zake van deze moord en brandstichting veroordeelt het gerechtshof de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007206-15

Uitspraak d.d.: 12 april 2017

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 december 2015 met het parketnummer 16-701602-14 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 mei 2016 en 17 maart 2017 met sluiting van het onderzoek op 29 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 primair ten laste gelegde moord en de verdachte zal veroordelen ter zake van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag en de onder 2 ten laste gelegde brandstichting tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen telkens zal toewijzen tot het bedrag van de gevorderde materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en dat het hof de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] telkens niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vordering voor zover het betreft de gevorderde immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat het hof zal gelasten dat de onder de verdachte in beslag genomen kleding wordt teruggegeven aan de verdachte.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. P.W. Hermens, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

De rechtbank heeft bij het hierboven genoemde vonnis waartegen het hoger beroep is gericht de verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde moord en doodslag en van de onder 2 ten laste gelegde brandstichting. Ter zake van de onder

1 subsidiair bewezen verklaarde poging tot doodslag heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. De rechtbank heeft voorts de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding en heeft gelast dat de onder de verdachte in beslag genomen kleding dient te worden teruggegeven aan de verdachte.

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht vernietigen omdat het hof tot andere bewijsbeslissingen, andere kwalificaties, een andere strafoplegging en andere beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen komt dan de rechtbank. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

primair
hij op of omstreeks 19 oktober 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een baksteen, althans met een (hard) voorwerp tegen het hoofd en/of in het gezicht geslagen en/of

- die [slachtoffer] gesmoord, althans stomp/drukkend geweld op de mond en/of neus uitgeoefend en/of (vervolgens)

- terwijl die [slachtoffer] buiten bewustzijn op de vloer van een chalet lag en/of zich weerloos in dat chalet bevond, dat chalet in brand gestoken, althans die [slachtoffer] weerloos achtergelaten in dat chalet;

subsidiair
hij op of omstreeks 19 oktober 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een baksteen, althans met een (hard) voorwerp tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2:
hij op of omstreeks 19 oktober 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een chalet (nummer [nummer 1] gelegen op camping [naam] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk benzine, althans een ontbrandbare (vloei)stof, aangestoken, althans met (open) vuur in aanraking gebracht,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (het interieur van) dat chalet, ten gevolge waarvan voornoemd chalet en/of de inboedel van dat chalet en/of de inventaris van dat chalet en/of de huisdieren (een hond en een kat) in dat chalet geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van voornoemd chalet en/of (inventaris van) nabijgelegen perce(e)l(en) en/of chalet(s) en/of caravan(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor zich in dat chalet (nummer [nummer 1] ) en/of op/in de/dat ander(e) perce(e)l(en) en/of chalet(s) en/of caravan(s) bevindend(e) perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor anderen te duchten was en dit feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Het bewijs voor de onder 1 primair ten laste gelegde moord en de in een onderdeel van het onder 1 primair en zelfstandig onder 2 ten laste gelegde brandstichting

De verdachte heeft ontkend degene te zijn geweest door wiens toedoen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) om het leven is gebracht. Hij heeft ontkend geweld op [slachtoffer] te hebben uitgeoefend en heeft ontkend degene te zijn geweest die brand heeft gesticht in het chalet waarin zij op dat moment aanwezig was.

De verdediging heeft integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit.

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van moord op [slachtoffer] en het plegen van brandstichting in het chalet waarin zij zich op dat moment in weerloze staat bevond. Het hof overweegt hiertoe aan de hand van de hierna volgende bewijsoverwegingen en (tussen)conclusies (vetgedrukte cursieve passages) het volgende.

Inleiding -

Op de avond van 19 oktober 2014 heeft rond 22.00 uur op camping [naam] in [plaats] een brand gewoed in het chalet op standplaats [nummer 1] . Tijdens de bluswerkzaamheden heeft de brandweer in dat chalet het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen en naar buiten gebracht.

Het stoffelijk overschot vertoonde tekenen van geweld. Op dat stoffelijk overschot is sectie verricht door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog (hierna: de patholoog), in dienst van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI).

Bevindingen van de patholoog -

Uit het sectieverslag van 12 december 2014 blijkt dat uitwendig letsel is geconstateerd, onder meer bestaande in negen huidscheuren aan het hoofd, waarvan enkele met een typisch patroon, met onderhuidse bloeduitstortingen, reikend tot aan de binnenzijde van de schedelhuid, het bindvlies van het schedeldak en de slaapspieren. De letsels waren grotendeels ruwrandig, toonden weefselbruggen en toonden rondom de wondranden plaatselijk ook roodheid van bloeduitstortingen. Eén van de randen van een letsel was opvallend egaal en mogelijk (deels) scherprandig.

Daarnaast is bij inwendig onderzoek geconstateerd dat een dodelijk gehalte koolmonoxide is vastgesteld in het hartbloed, dat roet is gelokaliseerd in de luchtpijp, tot in de diep gelegen takken daarvan, dat er sprake is van thermische beschadiging van de luchtpijp en dat er tekenen waren van vochtophoping in de hersenen.

De patholoog interpreteert de sectiebevindingen aldus dat de geconstateerde letsels en overige bevindingen door meerdere typen geweldsinwerking op het lichaam zijn ontstaan:

 Er waren aan het lichaam tekenen van ingewerkt thermisch geweld, zoals door een brand kan worden opgeleverd. Het hoge koolmonoxidegehalte in het hartbloed dat is gemeten en de bevindingen met betrekking tot de aanwezigheid van roet in de luchtpijp, tot in de diep gelegen takken daarvan, en met betrekking tot thermische beschadiging van de luchtpijp duiden erop dat het slachtoffer nog in leven was ten tijde van de brand. Volgens de toxicoloog (het hof begrijpt: de aan het NFI verbonden, geconsulteerde apotheker R. van der Hulst die heeft gerapporteerd op 11 december 2014) kan het bewustzijn ten tijde van het overlijden zijn beïnvloed door het gehalte koolmonoxide. Het intreden van de dood wordt verklaard door verwikkelingen van koolmonoxide intoxicatie, al dan niet in combinatie met orgaanfunctiestoornissen door effecten van hitte inwerking op de luchtwegen, opgelopen door ingewerkt thermisch geweld.

 Er waren letsels, bij leven opgelopen door uitwendig stomp geweld op het hoofd, zoals door herhaaldelijk met behoorlijke kracht slaan met één of meerdere voorwerpen kan worden opgeleverd. Het gebruikte voorwerp heeft mogelijk een (deels) scherprandige component.

De vochtophoping in de hersenen kan worden verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van indirecte effecten van thermische geweldsinwerking of door diffuse hersenschade ten gevolge van doorgemaakt stomp geweld op het hoofd, of een combinatie van beide.

De letsels aan en in het hoofd kunnen een indirecte bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood, in de zin van bewustzijnsstoornissen waardoor het slachtoffer niet in staat was om zich te onttrekken aan de thermische geweldsinwerking welke de dood heeft opgeleverd.

Het hof stelt op grond van het bovenstaande het volgende vast:

- de door uitwendig stomp geweld ontstane letsels aan het hoofd van [slachtoffer] zijn bij leven opgelopen,

- [slachtoffer] was nog in leven ten tijde van de brandstichting en

- [slachtoffer] is overleden als gevolg van ingewerkt thermisch geweld, zoals in dit geval de brand in het chalet waar zij zich op dat moment bevond.

Onderzoek op en bij de plaats van het delict: aangetroffen betonklinker -

Tijdens het onderzoek van de politie op en bij de plaats delict is in de (begroeide) groenstrook naast het betegelde terras van het chalet op standplaats [nummer 1] , waarin [slachtoffer] verbleef, op 20 oktober 2014 een betonklinker (in de tenlastelegging aangeduid als: baksteen) aangetroffen. Op de bovenkant van deze betonklinker waren sporen zichtbaar die gelijken op bloedsporen. Deze betonklinker is veilig gesteld ten behoeve van nader onderzoek door het NFI. Door het NFI zijn daadwerkelijk bloedsporen vastgesteld op deze betonklinker (hierna: de bebloede betonklinker).

Uit het onderzoek van de politie blijkt voorts dat uit het terras van de nabij gelegen standplaats [nummer 2] , welke standplaats destijds niet in gebruik was, een betonklinker ontbreekt.

De politie concludeert dat een betonklinker recent uit dit terras is weggenomen, nu het zand onder de ontbrekende betonklinker redelijk vlak is en het aanvulzand aan de lange zijde nog niet is uitgelopen door weersinvloeden.

De bebloede betonklinker is door de politie omschreven als soortgelijk aan de betonklinkers aangetroffen in het terras van standplaats [nummer 2] en komt qua afmetingen overeen met de betonklinker die ontbreekt in dat terras.

Uit de aan de bebloede betonklinker verrichte onderzoeken blijkt zakelijk weergegeven het volgende.

 In het NFI-rapport van 24 juni 2015 over microsporenonderzoek aan huiddelen is de samenstelling van deze betonklinker vergeleken met materiaal dat is aangetroffen in de huiddelen die bij de hierboven genoemde sectie waren uitgenomen rond meerdere letsels, te weten de wondranden van enkele van de genoemde huidscheuren aan het hoofd. Op die huiddelen is blijkens het rapport onder meer steen- en grondachtig materiaal aangetroffen waarvan een gering deel een elementsamenstelling heeft die overeenkomt met die van het op het oppervlak van de betonklinker aangetroffen materiaal.

Op de huiddelen zijn geen microsporen aangetroffen die afkomstig kunnen zijn van een ander stomp voorwerp. Er zijn geen aanwijzingen dat het letsel is veroorzaakt door een ander stomp voorwerp dan de betonklinker (of een ander steenachtig voorwerp).

 Van de betonklinker zijn de randen en twee bloedsporen bemonsterd. Een hierop verricht onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek (NFI-rapport van 26 november 2014) heeft als resultaat opgeleverd dat een DNA-mengprofiel is aangetroffen van minimaal twee personen. De DNA-profielen van het slachtoffer ( [slachtoffer] ) en de verdachte komen overeen met dit DNA-mengprofiel.

In een evaluatie van dit onderzoek (NFI-rapport van 15 december 2015) is geconcludeerd dat de resultaten van het DNA-onderzoek extreem veel - meer dan één miljoen keren - waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer en de verdachte (de ene hypothese), dan wanneer deze DNA bevat van het slachtoffer en een onbekende man, niet verwant aan het slachtoffer of de verdachte (de andere hypothese).

 Van de betonklinker zijn daarnaast twee andere bemonsteringen van de randen en bemonsteringen van twee bloedsporen onderzocht. Dit onderzoek (NFI-rapport van 26 november 2014) heeft als resultaat opgeleverd dat DNA-profielen zijn aangetroffen van een vrouw die overeenkomen met het DNA-profiel van het slachtoffer ( [slachtoffer] ). Dit houdt in dat het bloed in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van het slachtoffer. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw overeenkomt met elk van deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.

In dit verband heeft de patholoog bij de rechter-commissaris op 12 november 2015 onder meer verklaard dat het aangetroffen letsel van de negen huidscheuren erop duidt dat sprake is geweest van herhaaldelijk geweld, nu dit letsel op verschillende plekken van het hoofd is aangetroffen.

In verschillende van deze letsels is een bepaalde vorm aangetroffen, namelijk een bepaalde component van de randen van de huidscheuren en de vorm. Een deel is scherprandig en een deel is stomp.

Een stomp voorwerp met een kantige rand, zoals een baksteen, kan een scherprandige component opleveren. Aangezien de schedelhuid enorm doorbloed is, kan één letsel aan het hoofd al enorm bloeden.

Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat de op 20 oktober 2014 door de politie aangetroffen bebloede betonklinker op 19 oktober 2014 is gebruikt bij het uitoefenen van geweld op het hoofd van [slachtoffer] . Deze betonklinker was recent weggenomen uit het terras van de nabij de plaats delict gelegen standplaats [nummer 2] van camping [naam] .

Daderschap uitwendig stomp geweld -

Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden wie dat geweld heeft uitgeoefend.

Uit het onderzoek van de politie blijkt dat vanaf de mobiele telefoon van [slachtoffer] in de avond van 19 oktober 2014 om 21.15 uur voor het laatst een bericht via whats app is verstuurd.

Het hof gaat er van uit dat [slachtoffer] degene is geweest die dit bericht toen heeft verstuurd. Er zijn immers in het geheel geen aanwijzingen voor het gebruik van haar mobiele telefoon door een andere persoon op dat moment. Daarna heeft zij niet meer gereageerd op berichten die naar haar mobiele telefoon zijn verstuurd.

Daarnaast staat vast dat de brand in het chalet waarin [slachtoffer] verbleef en waar zij zich op dat moment bevond, is gemeld aan de meldkamer op 19 oktober 2014 omstreeks 22.00 uur.

De brandonderzoeker van de politie, de heer Biesboer, heeft het moment van het ontstaan van de brand op die avond geplaatst tussen ongeveer 21.49 uur en 21.54 uur. Mogelijk is het vuur reeds op een eerder moment geïnitieerd, aldus Biesboer.

Op grond van het bovenstaande gaat het hof ervan uit dat het fysieke geweld dat tegen [slachtoffer] is aangewend (en het ontstaan van de brand) zich op die avond logischerwijs moet hebben afgespeeld tussen 21.15 uur en uiterlijk 21.54 uur. Uit het strafdossier blijkt namelijk geen enkele aanwijzing dat het fysieke geweld is aangewend na het ontstaan van de brand.

De vraag die vervolgens rijst is of de verdachte in dat tijdsbestek op of bij de plaats van het delict kan worden geplaatst.

Verdachte woonde/verbleef toentertijd eveneens op camping [naam] in [plaats] , te weten in de caravan op standplaats [nummer 3] vlakbij het chalet op standplaats [nummer 1] waar [slachtoffer] samen met haar vader verbleef. Verdachte en [slachtoffer] kenden elkaar. Op 19 oktober 2014 heeft verdachte de vader van [slachtoffer] bezocht in het chalet. [slachtoffer] was toen ook in dat chalet aanwezig. De vader van [slachtoffer] is die avond rond 20.30 uur van de camping vertrokken.

Hij zou de komende week elders verblijven in verband met zijn werk.

Uit het politieonderzoek blijkt dat er op die avond omstreeks 21.40 uur een actieve handeling is verricht met de computer in de caravan van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2017 bevestigd dat hij op die avond via zijn computer op het internet heeft gezocht naar een online wekker. Dit is een omstandigheid die de verdachte plaatst in de directe omgeving van de plaats van het delict binnen het cruciale tijdsbestek van 21.15 uur tot 21.54 uur. Er is daarnaast nog een omstandigheid die de verdachte plaatst op de plaats van het delict, ten tijde van het delict. Dat is het op de bebloede betonklinker aangetroffen DNA-mengprofiel. Het DNA-profiel van de verdachte komt daarmee overeen.

Het bij het geweldsdelict uitgeoefende geweld, zoals daarvan blijkt uit het letsel dat is geconstateerd door de patholoog, maakt aannemelijk dat bij het veroorzaken daarvan sporen zijn achtergebleven op het voorwerp - de betonklinker - waarmee dat geweld is uitgeoefend. Die betonklinker is bovendien aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats van het delict. Op grond hiervan staat vast dat ten tijde van het delict sporen op die betonklinker kunnen zijn achtergelaten door de dader.

Aan bevindingen van DNA-onderzoek komt op zichzelf een zeer grote bewijskracht toe.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat foutmarges die kunnen leiden tot vals-positieve uitslagen, zeker in vergelijking met andere bewijsmiddelen zoals getuigenverklaringen, naar algemene ervaringsregels zeer klein plegen te zijn.

Het hof oordeelt dat op grond van het voorgaande en gezien de eerder genoemde rapporten van het NFI van 26 november 2014 en 15 december 2015 het boven redelijke twijfel verheven is dat de op de bebloede betonklinker aangetroffen DNA-sporen afkomstig zijn van [slachtoffer] en van de verdachte.

Alibi -

De beide vormen van technisch bewijs - de internet-activiteit van de verdachte omstreeks 21.40 uur en het op de betonklinker aangetroffen DNA van verdachte - laten zich niet rijmen met het alibi dat de verdachte (ook) ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2017 heeft opgevoerd. Verdachte stelt gedurende het tijdsbestek waarbinnen de onder 1 en 2 ten laste gelegde delicten zich moeten hebben afgespeeld niet op de camping aanwezig te zijn geweest. Hij zou eerst buiten de camping een testritje hebben gemaakt op een scooter en daarna buiten de camping een rondje zijn gaan fietsen. Hij is naar zijn zeggen vlak voor het uitbreken van de brand op de camping terug gekomen en rook toen al een brandlucht.

Deze door verdachte geschetste gang van zaken berust enkel op de (wisselende) verklaringen van de verdachte, waarbij de verdachte op enig moment in het politieverhoor zelfs nog heeft verklaard dat de scooter het campingterrein niet af is geweest, en vindt, hoewel de politie dit alibi waar mogelijk heeft geverifieerd, nergens bevestiging in het strafdossier en is daarmee niet aannemelijk geworden.

Zijn verklaringen op dit punt leveren geen alibi op, maar een verhaal dat door hem is verzonnen om de waarheid te bedekken.

Het hof verwerpt het door de verdachte en de verdediging gepresenteerde alibi.

Alternatief scenario achterlaten DNA van verdachte op de bebloede betonklinker –

Ook de alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de bebloede betonklinker kan niet anders worden gezien dan als een verhaal dat door hem is verzonnen om de waarheid te bedekken.

De verdachte heeft het eerst willen doen voorkomen dat hij die betonklinker in het voorjaar van 2014 uit het terras van standplaats [nummer 2] heeft gepakt en heeft gebruikt om een buitenantenne op of aan (het dak van) zijn caravan op zijn plaats te houden. Nadat de politie hem in een verhoor heeft voorgehouden dat uit verklaringen van anderen volgt dat op het terras van standplaats [nummer 2] destijds een schuurtje stond en dat het terras pas eind september 2014 bloot kwam te liggen, past de verdachte zijn verklaring aan.

Hij verklaart dan bij de politie dat de steen ergens anders vandaan moet zijn gekomen en dat hij niet meer weet waar hij de betonklinker vandaan heeft gepakt. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte vervolgens verklaard dat hij de betonklinker onder het schuurtje van standplaats [nummer 2] vandaan heeft getrokken.

Het gerechtshof acht - mede vanwege de wisselende verklaringen van de verdachte over de herkomst van die betonklinker en de verklaring van de verdachte over zijn gebruik van die betonklinker - het alternatieve scenario voor het achterblijven van DNA van verdachte op de bebloede betonklinker niet aannemelijk geworden. Daarmee ontbreekt een logische andere verklaring voor de aanwezigheid van verdachtes DNA op de betonklinker.

Op basis van de inhoud van het strafdossier is immers glashelder dat, in het geval dat de verdachte daadwerkelijk een betonklinker heeft gebruikt om zijn buitenantenne te fixeren, dat niet dezelfde kan zijn geweest als de - recent uit het terras van standplaats [nummer 2] weggenomen - betonklinker waarmee op 19 oktober 2014 geweld is uitgeoefend op het hoofd van [slachtoffer] .

De enkele omstandigheid dat de vrouw van de verdachte zijn lezing over de herkomst en over het gebruik van die betonklinker op een eerder moment lijkt te onderschrijven in haar verhoor bij de rechter-commissaris - zij heeft verklaard dat de verdachte drie maanden voordat zij in juni (2014) is vertrokken naar Suriname een rechthoekige steen van ongeveer vijfentwintig centimeter heeft gepakt en op de antenne op het dak heeft geplaatst - maakt dit niet anders.

Het hof verwerpt het door verdachte en de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario voor het achterlaten van DNA van verdachte op de bebloede betonklinker.

Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat het de verdachte is geweest die fysiek geweld heeft aangewend tegen [slachtoffer] met de betonklinker die is aangetroffen op / nabij de plaats van het delict.

Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging -

Eerste voorwaardelijk verzoek: hoeveelheid DNA verdachte op betonklinker? -

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2017 een voorwaardelijk verzoek ingediend. Dit verzoek strekt tot heropening van het onderzoek in het geval dat het hof van oordeel is dat (de aanwezigheid van) het DNA van de verdachte op de (kopse kant van) de betonklinker een relatie aantoont met het ten laste gelegde. De verdediging heeft aangevoerd dat het NFI dan onderzoek zou dienen te verrichten naar de mate waarop (het hof begrijpt: waarin) de verdachte DNA achterlaat op een vergelijkbare betonklinker, ervan uitgaande dat hij [slachtoffer] daarmee heeft geslagen. Daartoe zou de verdachte met een betonklinker een aantal keren moeten slaan op een object en zou die betonklinker vervolgens ongeveer twaalf uren in de buitenlucht onder dezelfde weersomstandigheden als in de nacht van 19 op 20 oktober 2014 te [plaats] moeten liggen.

Vervolgens zou moeten worden gekeken hoeveel er van zijn DNA op de betonklinker is achtergebleven. De veronderstelling van de verdediging is daarbij dat het in de rede zou liggen dat de verdachte méér DNA op de baksteen zou hebben achtergelaten dan enkel met de LCN (Low Copy Number)-methode kan/kon worden achterhaald.

Het hof stelt vast dat aan de voorwaarde die aan het verzoek is gesteld is voldaan.

Het verzoek dient dan ook inhoudelijk te worden beoordeeld. Het hof wijst - toetsend aan het noodzaakcriterium - het voorwaardelijk verzoek af en overweegt hiertoe het volgende.

Anders dan de verdediging heeft gesteld, staat voor het hof niet vast dat enkel met de LCN-methode DNA van de verdachte op de betonklinker is achterhaald. Daarnaast is door het NFI niet onderzocht in welke mate DNA-sporen door de dader zijn achtergelaten op de betonklinker. Immers, bij de bemonstering van de betonklinker is niet de gehele betonklinker bemonsterd, maar zijn de randen van die betonklinker bemonsterd, om gericht celmateriaal te verzamelen van degene die de betonklinker heeft gehanteerd. Daarbij is getracht het op de betonklinker aanwezige bloed te vermijden.

Aldus heeft ook de NFI-deskundige Kokshoorn op 12 november 2015 verklaard bij de rechter-commissaris, waarbij hij tevens heeft verklaard dat de bijdragen van de beide personen (bedoeld zijn: de verdachte en [slachtoffer] ) in het mengprofiel dat is aangetroffen op de kopse kant van de betonklinker zich verhouden van één staat tot twee.

Nu niet vast staat in welke mate DNA-sporen van de verdachte vóórkomen op de betonklinker, is het voorwaardelijk verzoek onvoldoende onderbouwd.

Op grond van het bovenstaande stelt het gerechtshof vast dat het door de verdediging bepleite nader onderzoek niet noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek in de zaak.

Tweede voorwaardelijk verzoek: sporenonderzoek betrokkenheid anderen -

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2017 een tweede voorwaardelijk verzoek ingediend. Dit verzoek strekt tot aanhouding van het onderzoek in het geval dat het hof een veroordeling van de verdachte overweegt, ten behoeve van het verrichten van twee sporenonderzoeken die nader zijn aangeduid in de pleitnota en die zijn gericht op de mogelijke betrokkenheid van twee andere - met name in de pleitnota genoemde - personen.

Het hof stelt vast dat aan de voorwaarde die aan dit verzoek is gesteld is voldaan.

Het verzoek dient dan ook inhoudelijk te worden beoordeeld. Het gerechtshof wijst - toetsend aan het noodzaakcriterium - ook dit voorwaardelijk verzoek af en overweegt hiertoe het volgende.

Een vast gegeven is dat op de betonklinker, die als slagwapen is gebruikt bij het geweld dat op [slachtoffer] is uitgeoefend, geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van DNA-sporen van een ander of anderen dan de verdachte en [slachtoffer] zijn aangetroffen. Aldus heeft de NFI-deskundige Kokshoorn op 12 november 2015 verklaard bij de rechter-commissaris. Met name die omstandigheid maakt dat niet aannemelijk is dat een ander dan de verdachte met die betonklinker geweld heeft uitgeoefend op [slachtoffer] .

Bij aanvang van het politieonderzoek zijn ook andere personen als potentiële verdachten in beeld geweest. het politiedossier bevat een hoofdstuk waarin afdoende gemotiveerd wordt aangegeven waarom ten aanzien van deze personen geen (verdere) verdenking is ontstaan.

Op grond van het bovenstaande oordeelt het hof dat het door de verdediging bepleite nader onderzoek niet noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek van de zaak.

Ook overigens ziet het hof in het strafdossier in het geheel geen concrete aanwijzingen voor de mogelijke betrokkenheid van een ander of anderen bij en/of voor het onder 1 ten laste gelegde fysieke geweld.

Samenvattend oordeelt het hof op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen dat het de verdachte is geweest die op 19 oktober 2014, met de betonklinker meermalen (met kracht) tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen.

Voorbedachte raad fysiek geweld -

Of de verdachte al dan niet na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer] meerdere keren met een betonklinker tegen haar hoofd heeft geslagen kan het hof niet vaststellen, bij gebrek aan enige informatie over de aanleiding tot dit geweld en het verloop van deze geweldshandelingen.

Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden of sprake is van brandstichting door de verdachte. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Ontstaan van de brand -

Bij een onderzoek door de politie op 20 oktober 2014 blijkt dat de speurhond naar brandversnellende middelen aanslaat in het chalet waarin [slachtoffer] verbleef en wel op drie verschillende plaatsen in en nabij de hal van het chalet, in de directe nabijheid van de plek waar de brandweer het stoffelijk overschot van [slachtoffer] heeft aangetroffen.

Op 21 november 2014 is een onderzoek naar de mogelijke oorzaak van de brand in dit chalet verricht door de heer Biesboer, de brandonderzoeker van de politie. Biesboer heeft in zijn rapport van 15 december 2014 op basis van zijn onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat een technische oorzaak voor de brand, dan wel een ongeluk, kan worden uitgesloten en dat op basis van het aangetroffen brandbeeld, met name het brandbeeld in de badkamer en voor de meterkast, de brand vrijwel zeker het gevolg is van het opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur, waarbij ter activering van de brand gebruik is gemaakt van ontbrandbare (vloei)stof, een brandversneller. Zoals hierboven al is weergegeven heeft Biesboer het moment van het ontstaan van de brand op 19 oktober 2014 geplaatst tussen ongeveer 21.49 uur en 21.54 uur. Mogelijk is het vuur reeds op een eerder moment geïnitieerd, aldus Biesboer.

Het hof concludeert op basis van het bovenstaande dat opzettelijk brand is gesticht in het chalet waarin [slachtoffer] verbleef.

Daderschap brandstichting -

Direct bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze brandstichting ontbreekt.

Het hof stelt echter vast dat de brand in het chalet moet zijn gesticht binnen hetzelfde korte tijdsbestek (van 21.15 uur tot 21.54 uur) waarin de verdachte met de betonklinker fysiek geweld heeft uitgeoefend op [slachtoffer] .

Het hof stelt voorts vast dat in het strafdossier in het geheel geen concrete aanwijzingen aanwezig zijn voor de mogelijke betrokkenheid van een ander of anderen voor en/of bij de onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde brandstichting.

Met name gelet op het korte tijdsbestek waarin zowel de geweldshandelingen als de brandstichting moeten zijn verricht, is het daarnaast hoogst onwaarschijnlijk dat een ander dan de verdachte de brand heeft gesticht.

Het kan, naar het oordeel van het hof, dan ook niet anders zijn geweest dan dat de verdachte deze brand heeft gesticht.

Het hof oordeelt op grond van het bovenstaande dat de brand in het chalet waar [slachtoffer] verbleef en als gevolg waarvan zij is overleden, is gesticht door verdachte.

Vervolgens zal het hof de vraag beantwoorden of sprake is van de voor moord vereiste voorbedachte raad. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Voorbedachte raad brandstichting-

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in de tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar dit is op zichzelf geen allesbepalende factor aangezien dit de rechter er niet van behoeft te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De verdachte moet, nadat hij [slachtoffer] - al dan niet in een opwelling - meerdere keren met de betonklinker tegen haar hoofd heeft geslagen, logischerwijs enkele voorbereidende handelingen hebben verricht - het ter plaatse brengen van een brandversneller en het uitgieten van deze brandversneller op meerdere plekken nabij de plaats waar het weerloze lichaam van [slachtoffer] lag - voordat hij kon overgaan tot de daadwerkelijke brandstichting.

Met het verrichten van deze voorbereidende handelingen voor brandstichting moet logischerwijs in ieder geval minimaal een zodanige tijd gemoeid zijn geweest dat voor de verdachte gedurende die tijd de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Het op drie plekken tegelijkertijd brand stichten in de onmiddellijke nabijheid van het lichaam van [slachtoffer] kan niet anders opgevat worden dan het doelbewust en planmatig willen doden van de op dat moment weerloze [slachtoffer] ; het vuur is immers niet op een willekeurige plek aangestoken. Dat [slachtoffer] na het door verdachte op haar hoofd uitgeoefende geweld voor of tijdens de brandstichting in weerloze toestand verkeerde, leidt het hof af uit de omstandigheid dat zij kennelijk niet aan de brand heeft kunnen ontsnappen in samenhang met de door de patholoog gerapporteerde omstandigheid dat bewustzijnsstoornissen kunnen zijn opgetreden als gevolg van de opgelopen hersenletsels.

Van enige contra-indicatie voor voorbedachte raad is in het geheel niet gebleken.

Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat ten aanzien van de door verdachte gepleegde brandstichting sprake is geweest van de voor moord vereiste voorbedachte raad.

Ten tijde van die brandstichting bevond [slachtoffer] zich in een weerloze toestand in dat chalet.

Zoals het hof hierboven reeds heeft overwogen kan het hof, bij gebrek aan enige informatie over de aanleiding tot dit geweld en het verloop van deze geweldshandelingen, niet vaststellen of de verdachte het fysieke geweld op het hoofd van [slachtoffer] heeft gepleegd na kalm beraad en rustig overleg. Dit leidt er toe dat het hof, gelet op de tekst van de tenlastelegging, partieel zal vrijspreken van de omstandigheid dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld toen hij [slachtoffer] meerdere keren tegen het hoofd sloeg met de betonklinker.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

primair
hij op 19 oktober 2014 te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, terwijl die [slachtoffer] zich weerloos in een chalet bevond, dat chalet in brand gestoken.

2.
hij op 19 oktober 2014 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een chalet (nummer [nummer 1] gelegen op camping [naam] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een ontbrandbare stof aangestoken, ten gevolge waarvan voornoemd chalet, de inboedel van dat chalet en de inventaris van dat chalet gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor zich in dat chalet (nummer [nummer 1] ) bevindende persoon, te duchten was en dit feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte is een rapport van 25 september 2015 opgemaakt door M. Drost, psychiater en J. Heerschop, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht.

De conclusie van dit rapport is - zakelijk weergegeven - dat de onderzoekers geen antwoord

kunnen geven op de diagnostische vraagstelling omdat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.

Gelet hierop acht het hof de verdachte strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

De verdachte heeft zeer ernstig geweld aangewend tegen een jonge vrouw die op dezelfde camping verbleef als hij.

Hij heeft haar vermoord door brand te stichten in het chalet waar zij in een weerloze toestand (als gevolg van het meermalen door verdachte slaan met een betonklinker op haar hoofd) is achtergelaten. Aan de gevolgen van de brand is zij overleden.

De verdachte heeft door zijn ontkennende proceshouding geweigerd de verantwoordelijkheid voor zijn daden te nemen en daarover verantwoording af te leggen.

Ten gevolge van de brandstichting is het stoffelijk overschot van het slachtoffer bovendien deels verminkt.

Door het plegen van deze delicten heeft de verdachte aan de nabestaanden onnoemelijk veel leed toegebracht, welk leed ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2017 op indringende wijze naar voren is gekomen door de inhoud van de schriftelijke slachtofferverklaring die door de moeder van het slachtoffer is voorgedragen.

Mede door het tijdsverloop voordat het in deze zaak in hoger beroep tot een berechting is gekomen, zal er bij de nabestaanden gedurende bijna twee-en-een- half jaar een moeilijk te dragen onbekendheid en onzekerheid zijn geweest over wat zich nu precies heeft afgespeeld in het chalet waarin het slachtoffer verbleef. Voor een deel zal die onbekendheid en onzekerheid ook blijvend zijn, zolang de verdachte geen volledige openheid van zaken wenst te geven. Ook dit rekent het hof de verdachte zwaar aan.

De verdachte heeft er niet voor teruggedeinsd een jonge vrouw op gruwelijke wijze om het leven te brengen. Hij heeft bovendien getracht de verdenking op anderen te laden en aan zijn bestraffing te ontkomen. Daarmee heeft de verdachte zich in de ogen van het hof neergezet als een kille, niets ontziende persoon. De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van

17 maart 2017 een enigszins gelaten indruk gemaakt. Hij vestigt de indruk niet gebukt te gaan onder de ernst van de delicten waarvan hij stelt onterecht verdacht te worden.

De achtergrond van deze misdrijven en het motief van de verdachte laten zich, bij gebreke van enige concrete informatie of aanwijzingen daarover, slechts raden.

Moord en brandstichting zijn ieder op zich (zeer) ernstige delicten die een voor de rechtsorde schokkend karakter dragen en leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Ter zake van dergelijke delicten kan het hof onder de genoemde omstandigheden ter vergelding slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 februari 2017 blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, zij het dat hij wel eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten, namelijk mishandeling.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en met hetgeen daaromtrent uit het over de verdachte door het Pieter Baan Centrum opgemaakte rapport van 25 september 2015, het rapport van psychologisch onderzoek van 23 januari 2015, opgemaakt door I. van Asselt, GZ-psycholoog, het rapport van psychiatrisch onderzoek van 2 februari 2015, opgemaakt door drs. J.D. Versteegh, AIOS psychiatrie, in samenwerking met drs. T.A. Wouters, psychiater, het reclasseringsadvies van Tactus verslavingszorg van 23 januari 2015 en overigens uit het strafdossier is gebleken.

Naar het oordeel van het hof is hier sprake van zeer ernstige delicten, waarvoor - uit het oogpunt van normhandhaving en tevens ter vergelding van het leed dat de nabestaanden is aangedaan - noodzakelijk en geboden is de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Algemeen –

Ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2017 heeft mr. Jeekel de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] toegelicht. Daarbij is tevens de wettelijke rente gevorderd. Over dit laatste overweegt het hof het volgende.

In de strafzaak in eerste aanleg is door of namens deze benadeelde partijen niet de wettelijke rente gevorderd. Nu de wettelijke rente alsnog is gevorderd op 17 maart 2017, is in zoverre sprake van een verhoging van de vorderingen tot schadevergoeding van genoemde benadeelde partijen in hoger beroep. Een dergelijke verhoging van de vorderingen behoort ingevolge de wet echter niet tot de mogelijkheden. Daarom zal het hof bij een toewijzing van de vorderingen van deze benadeelde partijen bepalen dat deze worden niet vermeerderd met de wettelijke rente.

Echter, bij een oplegging van de schadevergoedingsmaatregel kan en zal het hof wèl telkens bepalen dat deze wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Immers, in het geval dat de strafrechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt, berekent hij het schadebedrag, waartoe de wettelijke rente behoort, naar de krachtens het Burgerlijk Wetboek geldende criteria. De wettelijke rente is ingevolge art. 6:83, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade, die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden.

Ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2017 heeft mr. Jeekel er voorts op gewezen dat aan ieder van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en

[benadeelde partij 4] een bedrag van € 5.000,- is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Mr. Jeekel heeft het hof verzocht bij toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van deze benadeelde partijen te bepalen dat ter zake van het totaal hiervan, € 20.000,- een extra schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd, waarbij bepaald wordt dat dit bedrag dient te worden voldaan aan het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Hiertoe heeft mr. Jeekel aangevoerd dat dit schadebedrag niet ten laste van de algemene middelen van de Nederlandse staat dient te komen, maar ten laste van de aansprakelijke.

Hierover overweegt het hof het volgende.

Artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven houdt in:

“1. Geen uitkering wordt toegekend ter zake van:

1°. schade die langs burgerrechtelijke weg is of kan worden verhaald;

2°. schade in welker vergoeding op andere wijze is of kan worden voorzien.

2. In gevallen waarin het onderzoek naar de vraag of in de vergoeding van de schade niet op andere wijze kan worden voorzien, dan wel het invorderen van het bedrag van de schade, zou leiden tot ernstige vertraging in de behandeling van het verzoek, of tot van de benadeelde in redelijkheid niet te vergen kosten, kan niettemin bij de uitkering met die schade rekening worden gehouden.

3. Het fonds treedt voor het aan de benadeelde uitgekeerde bedrag in de rechten die deze ter zake van de door hem geleden schade tegenover derden heeft. Het oefent deze rechten niet uit dan met toestemming van Onze Minister."

Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft zijn beleid nader uiteengezet in de uitgave "Schadefonds Geweldsmisdrijven" dat als special is opgenomen in het losbladig Handboek Personenschade. Daarin wordt onder meer uiteengezet hoe de Commissie de diverse verhaalsmogelijkheden in haar onderzoek betrekt. De auteurs Boshuizen en Van den Elshout schrijven:

"5.2.4. Gevolgen voor de uitkering

De Commissie betrekt de diverse verhaalsmogelijkheden expliciet bij haar onderzoek. Indien een daadwerkelijke vergoeding van de schade door de veroorzaker een reële mogelijkheid is heeft dit consequenties voor de uitkering uit het fonds. Ten eerste kan de Commissie wachten met het betaalbaar stellen van de uitkering totdat het slachtoffer aannemelijk heeft gemaakt dat de veroorzaker niet of slechts gedeeltelijk zal betalen. Ten tweede kan de Commissie het door het slachtoffer gevorderde bedrag vooraf op de uitkering in mindering brengen. In de praktijk maakt de Commissie het meest gebruik van een derde mogelijkheid: de uitkering wordt in zijn geheel betaalbaar gesteld en in de beslissing wordt een clausule opgenomen die inhoudt dat het slachtoffer het door de veroorzaker betaalde bedrag aan het Schadefonds terugbetaalt. Deze clausule bepaalt dat het slachtoffer het Schadefonds op de hoogte stelt van vergoedingen die hetzij van de veroorzaker hetzij op andere wijze worden ontvangen. Over bedragen die op grond van een schadevergoedingsmaatregel door Justitie worden geïncasseerd, wordt de Commissie overigens ook ambtshalve geïnformeerd."

Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat het Schadefonds aan het slachtoffer weliswaar een bedrag beschikbaar heeft gesteld om voorshands te voorzien in de door het slachtoffer ten gevolge van het bewezen verklaarde feit geleden schade, maar dat daaraan een einde komt of kan komen zodra en voor zover de schade wordt vergoed door verdachte. Aldus is door het Schadefonds reeds voorzien in de door mr. Jeekel bepleite situatie. Dit komt namelijk tot uitdrukking in de toekennings-beslissingen, waarin telkens de volgende clausule is opgenomen:

“Laat het ons weten als u van anderen geld kreeg of krijgt. Bijvoorbeeld van de verzekering of van de dader. We bekijken dan of u ons geld moet terugbetalen. We nemen daar een aparte beslissing over.

U krijgt namelijk geen uitkering van het Schadefonds als u uw schade op een andere manier vergoed krijgt. Dit staat in artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven”.

Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen zelfstandige taak voor zichzelf weggelegd op het vlak van het verhaalsrecht van het Schadefonds geweldsmisdrijven.

Met betrekking tot de afzonderlijke vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen overweegt het hof voorts als volgt.

[benadeelde partij 1] (de vader van [slachtoffer] )

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 8.061,25, waarvan € 5.000,- ter zake van immateriële schade. Bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Deze benadeelde partij heeft zich opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van de materiële schade ad

€ 3.061,25, alsmede tot het bedrag van € 5.000,- ter zake van immateriële schade. Deze schade is niet gemotiveerd betwist. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[benadeelde partij 2] (de moeder van [slachtoffer] )

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 11.668,48, waarvan € 5.000,- ter zake van immateriële schade. Bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Deze benadeelde partij heeft zich opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van de materiële schade ad

€ 6.668,48, alsmede tot het bedrag van € 5.000,- ter zake van immateriële schade. Deze schade is niet gemotiveerd betwist. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[benadeelde partij 3] (de broer van [slachtoffer] )

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,- ter zake van immateriële schade. Bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Deze benadeelde partij heeft zich opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 5.000,- ter zake van immateriële schade. Deze schade is niet gemotiveerd betwist. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[benadeelde partij 4] (de halfbroer van [slachtoffer] )

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,- ter zake van immateriële schade. Bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Deze benadeelde partij heeft zich opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 5.000,- ter zake van immateriële schade. Deze schade is niet gemotiveerd betwist. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[benadeelde partij 5] (de campingbeheerder en verhuurder van chalet [nummer 1] )

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 9.685,35 ter zake van materiële schade. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. Bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Deze benadeelde partij heeft zich opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 9.685,35 ter zake van materiële schade. Deze schade is niet gemotiveerd betwist. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen. vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Teruggave van in beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte is kleding in beslag genomen. Het hof zal daarvan de teruggave aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

kleding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 8.061,25 (achtduizend eenenzestig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit

€ 3.061,25 (drieduizend eenenzestig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.061,25 (achtduizend eenenzestig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 3.061,25 (drieduizend eenenzestig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 74 (vierenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.668,48 (elfduizend zeshonderdachtenzestig euro en achtenveertig cent) bestaande uit

€ 6.668,48 (zesduizend zeshonderdachtenzestig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.668,48 (elfduizend zeshonderdachtenzestig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 6.668,48 (zesduizend zeshonderdachtenzestig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 92 (tweeënnegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 (negenenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 (negenenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.685,35 (negenduizend zeshonderdvijfentachtig euro en vijfendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.685,35 (negenduizend zeshonderdvijfentachtig euro en vijfendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 81 (eenentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. L.J. Hofstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 12 april 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.