Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:310

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
16/00695
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3226, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1319, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Diverse inkomenscorrecties. Vergrijpboete. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Omkering en verzwaring bewijslast. Redelijke schatting. Tegenbewijs geleverd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/214
V-N 2017/15.1.2
FutD 2017-0288
Viditax (FutD), 20-10-2017
Viditax (FutD), 17-08-2018
NTFR 2017/627 met annotatie van mr. N. ten Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 16/00695

uitspraakdatum: 17 januari 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , .wonende te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juni 2016, nummers AWB 15/5799 en 16/2678, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 209.972, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.113.818. Tevens is een bedrag van
€ 55.125 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verder is een vergrijpboete van € 36.309 opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 16 september 2015 de aanslag, de beschikking heffingsrente en de vergrijpboete gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 16 juni 2016 het beroep gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 762.997 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573, en de boete verminderd tot € 17.254.

1.4.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 23 juni 2016 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6.

Belanghebbende heeft op 30 september 2016 verweer gevoerd tegen het incidentele hoger beroep en nadere stukken ingediend.

1.7.

De Inspecteur heeft op 19 oktober 2016 nadere stukken ingebracht, bestaande uit een vertaling van bijlage I-11 (verzoek om verlenging van bouwverplichting).

1.8.

De Inspecteur heeft op 24 oktober 2016 ontbrekende gedingstukken voor onderhavige procedure over de aanslag IB/PVV 2010 ingebracht.

1.9.

De Inspecteur heeft op 24 oktober 2016 een pleitnota ingebracht.

1.10.

Belanghebbende heeft op 25 oktober 2016 nadere stukken ingebracht, bestaande uit diverse vertalingen (producties 91 tot en met 99).

1.11.

Belanghebbende heeft op 26 oktober 2016 voor onderhavige procedure over de aanslag IB/PVV 2010 een taxatierapport van [A] ingebracht.

1.12.

De Inspecteur heeft op 1 november 2016 nadere stukken ingebracht, bestaande uit een vertaling van bijlagen HB11 (taxatierapport [B] ), I-4 (protocol kredietovereenkomst SNS), I-2 (notulen [C] ), bijlage 69 (kredietovereenkomst SNS 11 december 2007) en bijlage 68 (overeenkomst tot achterstelling).

1.13.

De griffier heeft bij brief van 3 november 2016 belanghebbende in de gelegenheid gesteld tot uitvoering van het door hem voorwaardelijk aangeboden bewijs.

1.14.

De Inspecteur heeft op 4 november 2016 een nadere pleitnota ingebracht.

1.15.

Belanghebbende heeft op 7 november 2016 een pleitnota ingebracht. Daarbij is naar aanleiding van de brief van de griffier van 3 november 2016 productie 100 gevoegd, inhoudende een e-mailbericht van 4 november 2016 aan een bank waarin bankafschriften van [K] worden opgevraagd. De Inspecteur heeft geen bezwaar ertegen dat deze productie tot de gedingstukken wordt gerekend.

1.16.

De Inspecteur heeft op 7 november 2016 een nadere pleitnota ingebracht.

1.17.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2016 te Arnhem. De zaken met de nummers 15/00732 tot en met 15/00734 en met nummer 16/00695 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. [D] , advocaat te [E] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [F] , [G] en [H] . Belanghebbende heeft voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter zitting geen uitvoering gegeven aan het door hem voorwaardelijk aangeboden bewijs.

1.18.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was in 2010 enig aandeelhouder van [I] NV ( [I] NV), een op de Nederlandse Antillen gevestigde vennootschap. Deze vennootschap bezit alle aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap [J] BV ( [J] BV). [J] BV bezit (on)middellijk alle aandelen in de vennootschap naar Frans recht [C] te Frankrijk. [C] bezit 100% van de aandelen in de in Frankrijk gevestigde vennootschappen EURL [K] ( [K] ) en EURL [L] ( [L] ). Deze laatste twee vennootschappen hebben zich in de jaren 2004 en volgende bezig gehouden met de ontwikkeling, bouw en verkoop van vakantiewoningen in Frankrijk. Verder is belanghebbende de uiteindelijk gerechtigde (“ultimate beneficial owner”) van [M] SA en [N] SA.

2.2.

Belanghebbende stelt kantoorruimte aan de [a-straat] 334 te [E] ter beschikking aan [J] BV.

2.3.

Belanghebbende heeft in 2010 terbeschikkingstellingsvorderingen op [M] SA, [I] NV, [J] BV, [L] en [K] .

2.4.

Uit de jaarrekeningen (producties 63 en 90) van [I] NV blijkt onder meer het volgende:

2007

2008 (enkelvoudig)

2009

(enkelvoudig)

2010

(geconsolideerd)

Eigen vermogen

5.868.738

2.035.849

4.787.367

Voorzieningen

0

0

479.754

Schulden

0

0

52.087.089

Totaal

5.868.738

2.035.849

57.354.210

2.5.

Uit de enkelvoudige jaarrekeningen (producties 62 en 89) van [J] BV blijkt onder meer het volgende:

2007

2008

2009

2010

Eigen vermogen

1.793.432

1.307.629

-/- 2.877.400

-/- 3.094.767

Voorzieningen

1.414.972

894.005

3.717.098

2.288.777

Schulden

23.260.050

21.118.349

17.262.350

19.116.433

Totaal

26.468.454

23.319.973

18.102.048

18.310.443

2.6.

Uit de jaarrekeningen (producties 60 en 98) van [L] blijkt onder meer het volgende:

2007

2008

2009

2010

Eigen vermogen

-/- 1.804

-/- 778.676

-/- 1.065.462

Voorzieningen

22.739

Schulden

22.891.853

22.173.730

21.783.062

Totaal

22.890.049

21.417.792

20.717.599

Omzet

0

238.943

21.776

Netto resultaat

-/- 2.206

-/- 776.872

-/- 286.758

2.7.

Uit de jaarrekeningen (producties 60 en 98) van [K] blijkt onder meer het volgende:

2007

2008

2009

2010

Eigen vermogen

-/- 911.170

-/- 5.870.875

-/- 6.932.374

Voorzieningen

241

141.824

141.824

Schulden

15.894.277

15.030.749

15.100.411

Totaal

14.983.348

9.303.507

8.309.861

Omzet

5.547.659

2.042.664

16.557

Netto resultaat

287.626

-/- 4.959.705

-/- 1.061.498

2.8.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.322 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 161.818.

2.9.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2010 zich op het standpunt gesteld dat ter zake van de terbeschikkingstelling van de kantoorruimte aan [J] BV in box 1 een resultaat van € 139.650 in aanmerking moet worden genomen, dat op grond van de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2009 een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.700 in aanmerking moet worden genomen, en dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen € 2.113.818 dient te bedragen. Verder is een vergrijpboete van 50 percent (€ 36.309) opgelegd over de correcties wegens de terbeschikkingstelling van de kantoorruimte.

2.10.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur weliswaar het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft geschonden maar dat daaraan geen gevolg wordt verbonden, dat belanghebbende ter zake van de terbeschikkingstelling van kantoorruimte aan [J] BV ten onrechte geen inkomen van € 66.362 in aanmerking heeft genomen, dat afwaardering van diverse vorderingen niet aan de orde is, dat belanghebbende mitsdien niet de vereiste aangifte heeft gedaan, dat omkering en verzwaring van de bewijslast op die grond gerechtvaardigd is, dat een redelijke schatting meebrengt dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen € 731.573 dient te bedragen, en dat ter zake van de terbeschikkingstellingsvorderingen een rendement van € 626.313 in aanmerking moet worden genomen. Vanwege een lagere boetegrondslag heeft de Rechtbank de boete verminderd tot € 17.254.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag het aangegeven inkomen heeft gecorrigeerd. Verder is in geschil of terecht een vergrijpboete is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Belanghebbende betoogt dat i) de Inspecteur het bepaalde in artikel 8:42 Awb heeft geschonden, ii) dat door de liquidatie van [N] SA niet een vordering op [M] SA van € 11.000.000 tot belanghebbendes vermogen is gaan behoren en dat derhalve geen rente ter zake van deze vordering in aanmerking hoeft te worden genomen, iii) dat de terbeschikkingstellingsvorderingen op [M] SA, [I] NV, [J] BV, [K] en [L] vanwege de slechte financiële omstandigheden van deze debiteuren in 2010 ten laste van het resultaat mogen worden afgewaardeerd, iv) dat de in 2010 vervallen rente op de terbeschikkingsstellingsvorderingen op [M] SA, [I] NV, [J] BV, [K] en [L] vanwege de slechte financiële omstandigheden van deze debiteuren op nihil moet worden gewaardeerd, zodat geen terbeschikkingsstellingsrente tot het resultaat wordt gerekend, v) dat ter zake van de vorderingen op [M] SA, [J] BV, [K] en [L] een lagere rente in aanmerking moet worden genomen, en vi) dat voor de grondslag van de vermogensrendementsheffing de verhuurde bedrijfspanden voor een te hoge waarde in aanmerking zijn genomen. Verder betoogt belanghebbende dat vii) de vergrijpboete moet worden verminderd tot 5 percent vanwege zijn slechte financiële omstandigheden.

3.3.

In het incidentele hoger beroep betoogt de Inspecteur onder meer dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de interne taxatiedossiers tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2010. De Inspecteur concludeert eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot handhaving van de uitspraken op bezwaar.

4 Overwegingen

Gedingstukken

4.1.

Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter over te leggen. Die verplichting gaat in het algemeen niet zo ver dat de inspecteur is gehouden stukken in te brengen die ten grondslag liggen aan processen-verbaal van de FIOD indien die stukken niet ter beschikking van de inspecteur hebben gestaan (vgl. HR 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874; HR 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29).

4.2.

Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (vgl. HR 25 april 2008, nr. 43.448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823). De beoordeling of de inhoud van het betreffende stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud. Dit neemt niet weg dat de rechter onder omstandigheden ook zonder kennisneming van het desbetreffende stuk kan beslissen dat dit stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest) (zie HR 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874; HR 15 november 2013, nr. 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129).

4.3.

De verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, geldt voorts ongeacht of de belanghebbende gebaat is bij het overleggen van de desbetreffende stukken of dat de belanghebbende is geschaad in zijn belangen indien deze stukken niet worden overgelegd (zie HR 23 mei 2014, nr. 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182).

4.4.

Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (zie HR 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041).

4.5.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42 Awb gehouden is de interne taxatiedossiers in geding te brengen, omdat deze dossiers hem ter beschikking hebben gestaan. Dat de Inspecteur bij de aanslagoplegging daarvan geen kennis heeft genomen omdat hij geen twijfels had over de juistheid van de daarop gebaseerde taxatierapporten, doet volgens de Rechtbank niet eraan af dat de taxatiedossiers van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming. Vervolgens gaat de Rechtbank op grond van artikel 8:31 Awb voorbij aan het verzuim van de Inspecteur om de taxatiedossiers in te brengen.

4.6.

De Inspecteur heeft de desbetreffende taxatiedossiers eerst in de beroepsfase opgevraagd. Deze dossiers hebben ten grondslag gelegen aan de taxatierapporten die bij de besluitvorming een rol hebben gespeeld en die de Inspecteur ook heeft ingebracht. De taxatiedossiers hebben de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag en de uitspraken op bezwaar echter niet ter beschikking gestaan en hebben derhalve geen rol gespeeld bij zijn besluitvorming. Naar het oordeel van het Hof behoeft de Inspecteur deze dossiers dan ook niet op grond van artikel 8:42 Awb over te leggen.

4.7.

Hetzelfde heeft te gelden voor de door belanghebbende gevraagde schermprints van de WOZ-beschikkingen. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de gemeenten digitale bestanden met WOZ-waarden bij de Belastingdienst aanleveren. Belanghebbende heeft aangegeven te willen controleren of deze bestanden overeenstemmen met de vastgestelde WOZ-beschikkingen. Nu belanghebbende als eigenaar van de panden zelf beschikt over deze WOZ-beschikkingen en derhalve zelf in staat is de door de Inspecteur gehanteerde waarden te controleren, is de Inspecteur niet gehouden schermprints van de door gemeenten aangeleverde digitale bestanden over te leggen.

Omkering en verzwaring bewijslast

4.8.

Artikel 27j, tweede lid, in samenhang met artikel 27e, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), bepaalt, voor zover van belang, dat het hoger beroep van de belastingplichtige ongegrond moet worden verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.9.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 9 november 2012, nr. 11/04578, ECLI:NL:HR:2012: BY2665).

4.10.

Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. HR 11 april 2003, nr. 36 822, ECLI:NL:HR:2003:AE3220 en HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.

4.11.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aanvankelijk aangegeven dat hij zich kan verenigen met de correctie van € 66.362 ter zake van de ter beschikking gestelde kantoorruimte aan de [a-straat] (stuk 30 september 2016, onderdeel 2.2). Ter zitting heeft belanghebbende deze correctie evenwel toch betwist. Het Hof acht aannemelijk dat de correctie juist is. Het Hof neemt daarbij het rapport van [O] van 17 december 2009 in aanmerking, waarin aan de aan [J] BV verhuurde ruimte een huurwaarde van € 79.650 is toegekend. Na aftrek van de daaraan toe te rekenen financieringslasten resteert een correctie van € 66.362.

4.12.

Het Hof acht verder aannemelijk dat belanghebbende door het niet aangeven van voornoemd bedrag ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2010 zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat als gevolg van die aangifte verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd een aanzienlijke bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven. In dat verband neemt het Hof in aanmerking dat tussen belanghebbende en de Inspecteur eerder onderhandelingen zijn gevoerd waarbij het onderwerp van de marktconforme vergoedingen bij verhuur aan gelieerde vennootschappen uitdrukkelijk aan de orde is geweest.

4.13.

Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, ten gevolge waarvan voornoemde bewijsregel van artikel 27e AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) toepassing vindt.

4.14.

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de correcties ter zake van het rendement op de terbeschikkingstellingsvorderingen onder meer gebaseerd op de beschikbare jaarrekeningen en bankafschriften en de correcties ter zake van de vermogensrendementsheffing op beschikbare taxatierapporten. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de correcties onredelijk of willekeurig zijn vastgesteld.

4.15.

Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 27e AWR bedoelde wijze
(vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

Tegenbewijs: tbs-vordering [M] SA

4.16.

Het Hof heeft in zijn ten name van belanghebbende gedane en aan deze uitspraak gehechte uitspraak met de nummers 15/00732 tot en met 15/00734 (hierna: de hofuitspraak IB 07-09), r.o. 4.15, overwogen dat belanghebbende met een verwijzing naar de “Trust Agreement” van 3 december 2007 niet overtuigend heeft aangetoond dat belanghebbende zijn gerechtigdheid tot het vermogen van [N] SA deels heeft overgedragen aan de Luxemburgse bank [P] ( [P] Bank). Dit brengt mee dat door de liquidatie van [N] SA op 27 december 2007 de vordering van [N] SA op [M] SA ten bedrage van nominaal € 11.000.000, volledig is toegekomen aan belanghebbende als uiteindelijk gerechtigde.

4.17.

Anders dan belanghebbende betoogt, acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [M] SA in 2010 zodanig is dat haar schuld van
€ 11.000.000 en de daarover verschuldigde renten niet kunnen worden terugbetaald. Belanghebbende heeft geen financiële stukken ingebracht waaruit de vermogenspositie van [M] SA in 2010 kan worden afgeleid. Dat [P] Bank in 2012 zich op basis van de cross pledge overeenkomst heeft verhaald op het banktegoed van [M] SA, heeft op zichzelf geen betekenis voor de vermogenspositie in 2010. Hetzelfde heeft te gelden voor het feit dat [M] SA in 2013 is geliquideerd, nu niet bekend is waarom [M] geliquideerd is. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor een afwaardering van de terbeschikkingsstellings- en rentevordering in 2010.

4.18.

Het Hof heeft in de hofuitspraak IB 07-09, r.o. 4.22, verder overwogen dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat in 2010 een lagere rente dan 4,876 percent in aanmerking moet worden genomen. Derhalve dient een rentebedrag van € 536.360 (2010) in aanmerking te worden genomen.

Tegenbewijs: tbs-vordering [I] NV

4.19.

Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2009 voor de vordering op [I] NV een rente van 5 percent in aanmerking moet worden genomen, ofwel een bedrag van € 39.106 (2010). Het Hof heeft in de hofuitspraak IB 07-09, r.o. 4.37, overwogen dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de vermogenspositie van [I] in 2010 zodanig is dat de verschuldigde rente niet kan worden betaald. Derhalve dient een rentebedrag van € 39.106 (2010) in aanmerking te worden genomen.

Tegenbewijs: tbs-vordering [J] BV

4.20.

Belanghebbende heeft ultimo 2010 een vordering op [J] BV van € 1.768.606. Belanghebbende betoogt dat deze vordering in 2010 ten laste van het resultaat kan worden afgewaardeerd tot nihil vanwege de slechte financiële positie van de debiteur. Voorts betoogt belanghebbende dat de door [J] over 2010 verschuldigde rente nimmer zal worden betaald vanwege de slechte financiële positie van deze debiteur. Bij de berekening van het resultaat over 2010 behoeft dan ook geen rente in aanmerking te worden genomen, aldus belanghebbende.

4.21.

Belanghebbende heeft onder meer de jaarrekening over 2010 van [J] BV ingebracht. Gelet op het daarin vermelde balanstotaal, omzet en vermogenspositie, acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [J] BV in 2010 zodanig is dat haar schuld niet kan worden terugbetaald of dat de verschuldigde rente niet kan worden betaald. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor een afwaardering van deze vordering of het niet in aanmerking nemen van een rentebate.

4.22.

Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2009, voor de vordering op [J] BV een rente van 5 percent in aanmerking moet worden genomen, ofwel een bedrag van € 88.430 (2010).

Tegenbewijs: tbs-vordering [K]

4.23.

Belanghebbende heeft ultimo 2010 een bedrag van € 254.066 in rekening-courant uitgeleend aan [K] . Belanghebbende wenst deze vordering in 2010 ten laste van het resultaat af te waarderen vanwege de slechte financiële positie van de debiteur.

4.24.

Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2009, voor de vordering op [K] een rente van 5 percent in aanmerking moet worden genomen, ofwel een bedrag van € 12.812. Belanghebbende betoogt in dat verband echter dat de door [K] over 2010 verschuldigde rente nimmer zal worden betaald vanwege de slechte financiële positie van deze debiteur. Bij de berekening van het resultaat over 2010 behoeft dan ook geen rente in aanmerking te worden genomen, aldus belanghebbende.

4.25.

Belanghebbende heeft echter geen financiële stukken ingebracht waaruit de vermogenspositie van [K] in 2010 kan worden afgeleid. Het Hof acht dan ook niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [K] in 2010 zodanig is dat haar schuld niet kan worden terugbetaald of dat de verschuldigde rente niet kan worden betaald. Derhalve dient een rentebedrag van € 12.812 (2010) in aanmerking te worden genomen.

Tegenbewijs: tbs-vordering [L]

4.26.

Belanghebbende heeft ultimo 2010 een bedrag van € 545.000 in rekening-courant uitgeleend aan [L] . Belanghebbende wenst deze vordering in 2010 ten laste van het resultaat af te waarderen vanwege de slechte financiële positie van de debiteur.

4.27.

Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2009, voor de vordering op [L] een rente van 5 percent in aanmerking moet worden genomen, ofwel een bedrag van € 27.250. Belanghebbende betoogt in dat verband echter dat de door [L] over 2010 verschuldigde rente nimmer zal worden betaald vanwege de slechte financiële positie van deze debiteur. Bij de berekening van het resultaat over 2010 behoeft dan ook geen rente in aanmerking te worden genomen, aldus belanghebbende.

4.28.

Belanghebbende heeft echter geen financiële stukken ingebracht waaruit de vermogenspositie van [L] in 2010 kan worden afgeleid. Het Hof acht dan ook niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [L] in 2010 zodanig is dat haar schuld niet kan worden terugbetaald of dat de verschuldigde rente niet kan worden betaald. Derhalve dient een rentebedrag van € 27.250 (2010) in aanmerking te worden genomen.

Vermogensrendementsheffing

4.29.

De Inspecteur heeft bij de Rechtbank het standpunt ingenomen dat voor de grondslag van de vermogensrendementsheffing de door belanghebbende verhuurde panden moeten worden gewaardeerd op € 76.695.815. In dat verband heeft de Inspecteur gewezen op een door hem opgesteld overzicht (bijlage 58) waarin de totale waarde van de woningen is gewaardeerd op € 5.520.140 en van de bedrijfspanden op € 71.175.675.

4.30.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de waarde van de verhuurde woningen dient te worden verlaagd en heeft de totale waarde vastgesteld op € 76.671.500. De Rechtbank heeft het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als volgt vastgesteld:

Vermogen

b.i. (4%)

Aangifte

4.045.463

161.819

Vastgoed

Woningen

5.495.825

Bedrijfspanden

71.175.675

Schulden

-/- 65.807.040

10.864.460

434.578

Liquidatiesaldo [N]

3.566.910

142.676

In aanmerking te nemen schuld

-/- 187.500

-/- 7.500

Totaal

18.289.333

731.573

4.31.

In hoger beroep bepleit de Inspecteur de door de Rechtbank vastgestelde rendementsgrondslag. In dat verband wijst hij ook op het taxatierapport van de toenmalige accountant van belanghebbende [Q] van 23 maart 2010 (bijlage 55) waarin de waarde van belanghebbendes vastgoed in Nederland per 15 maart 2010 is getaxeerd op € 91.944.000 en de financieringsschuld op € 68.874.000, ofwel een saldo van
€ 23.070.000.

4.32.

Belanghebbende betoogt dat voor de grondslag van de vermogensrendementsheffing de door hem verhuurde bedrijfspanden voor een te hoge waarde in aanmerking zijn genomen. In dat verband wijst belanghebbende erop dat de Ontvanger in 2016 het faillissement van belanghebbende heeft aangevraagd en dat de Ontvanger dit niet zou doen als de in beslag genomen bedrijfspanden de waarde zou hebben die de Inspecteur voorstaat. Verder wijst belanghebbende op de na 2010 gerealiseerde verkoopprijzen van enige bedrijfspanden. Ook wijst belanghebbende erop dat voor het jaar 2009 in het bereikte compromis van 25 november 2013 nog is uitgegaan van een rendementsgrondslag van slechts € 3.750.000.

4.33.

Voorts wijst belanghebbende op een rapport van [A] van 9 mei 2012 (productie bij stuk 26 oktober 2016) waarin een groot aantal bedrijfspanden is getaxeerd per 30 november 2011 en op een rapport van [R] (productie 6 bij stuk 20 januari 2016) waarin enige bedrijfspanden per 20 juni 2012 zijn getaxeerd. Ook heeft belanghebbende een brief van [S] Bank van 24 september 2014 ingebracht waarin de getaxeerde waarden van vijf bedrijfspanden zijn vermeld (productie 4 bij stuk 20 januari 2016).

4.34.

In het licht van het taxatierapport van De Keijzer Nipius & Co heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd en ingebracht niet overtuigend aangetoond dat de door de Inspecteur voorgestane waarde te hoog is. Gelet daarop dient het belastbare inkomen uit sparen en beleggen te worden vastgesteld op € 731.573.

Boete 2010

4.35.

Aan belanghebbende is op de voet van artikel 67d AWR een vergrijpboete van 50% (€ 17.254) opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangifte onjuist dan wel onvolledig is gedaan door geen resultaat aan te geven ter zake van de ter beschikking gestelde kantoorruimte aan de [a-straat] .

4.36.

In hoger beroep heeft belanghebbende verzocht de boete tot 5% (€ 1.725) te verminderen vanwege zijn slechte financiële omstandigheden.

4.37.

Een rechter is alleen naar aanleiding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het ontbreken van draagkracht gehouden om zijn uitspraak op dat punt van een nadere motivering te voorzien. Voor de draagkracht is de financiële positie ten tijde van de rechterlijke beoordeling van belang (vgl. HR 28 maart 2014, nr. 13/00279, ECLI:NL:HR:2014:685).

4.38.

Belanghebbende heeft omtrent zijn huidige financiële omstandigheden geen controleerbaar inzicht verschaft, zodat het Hof in de financiële situatie van belanghebbende geen aanleiding ziet de boete te matigen.

Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

4.39.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade als de redelijke termijn in hoger beroep wordt overschreden. Niet in geschil is de vergoeding van immateriële schade zoals die door de Rechtbank is vastgesteld.

4.40.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

4.41.

Vast staat dat het hogerberoepschrift op 23 juni 2016 door het Hof is ontvangen en dat de hogerberoepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak van het Hof. De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve minder dan twee jaar geduurd, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

Cijfermatige conclusie

4.42.

Gelet op het vorenstaande zal het Hof de aanslag als volgt vaststellen:

IB/PVV 2010

Box 1

Box 2

Box 3

Aangifte (aangegeven belastbare inkomens)

70.322

0

161.818

Tbs [a-straat] (zie 4.11)

66.362

Tbs-rente vordering [M] (zie 4.18)

536.360

Tbs-rente vordering [I] (zie 4.19)

39.106

Tbs-rente vordering [J] (zie 4.22)

88.430

Tbs-rente vordering [K] (zie 4.25)

12.812

Tbs-rente vordering [L] (zie 4.28)

27.250

Correctie, waaronder vastgoed (zie 4.34)

569.755

Belastbaar inkomen

840.642

0

731.573

Heffingsrente

4.43.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. In zoverre de belastingaanslag wordt gewijzigd, dient de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

Slotsom

Gelet op het vorenstaande dient het principale hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is niet volledig gegrond verklaard. Het Hof kent belanghebbende daarom voor zijn verweerschrift op het incidentele hoger beroep een proceskostenvergoeding toe. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.984 (1 punt voor verweerschrift op het incidentele hoger beroep, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 2, waarde per punt € 496). Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de indexeringsregeling van 2 december 2016, nr. 2021822, Strcrt. 2016/67519 voor het proceskostenforfait bepalend is de datum waarop het bezwaar- of beroepschrift is ontvangen. Nu het hoger beroep in 2016 is ingesteld, hanteert het Hof het in 2016 geldende forfait van
€ 496 per punt.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de aanslag en de beschikking heffingsrente,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de aanslag en de beschikking heffingsrente,

- vermindert de aanslag IB/PVV 2010 tot een belastingaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 840.642 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573,

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 1.984.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 18 januari 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.