Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:309

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
15/00732 t/m 15/00734
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:3487, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1368
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Navordering. Diverse inkomenscorrecties. Vereiste aangiften. Omkering en verzwaring bewijslast. Redelijke schatting. Tegenbewijs geleverd? Belastingheffing over liquidatie-uitkeringen strijdig met art. 1 Eerste Protocol EVRM?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/213
FutD 2017-0260
Viditax (FutD), 17-08-2018
NTFR 2017/717 met annotatie van mr.drs. E.J.H. Vermeulen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 15/00732 tot en met 15/00734

uitspraakdatum: 17 januari 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , .wonende te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 juni 2015, nummers AWB 13/2415, 13/2416 en 13/2417, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.251, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 16.002.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 494.293. Tevens is een bedrag van € 770.441 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.757, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 16.000.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 962.036. Tevens is een bedrag van € 572.994 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.642, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 2.135.061. Tevens is een bedrag van € 22.816 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 april 2013 de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.5.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 2 juni 2015 de beroepen gegrond verklaard, de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 782.157, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 14.566.409 en een door partijen nader vast te stellen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, met dien verstande dat de navorderingsaanslag niet tot een hoger bedrag wordt vastgesteld, en de aanslag IB/PVV 2009 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 782.862, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.700 en een door partijen nader vast te stellen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, met dien verstande dat de aanslag niet tot een hoger bedrag wordt vastgesteld.

1.6.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 5 juni 2015 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.8.

Belanghebbende heeft op 22 februari 2016 nadere stukken ingediend.

1.9.

De Inspecteur heeft op 20 juni 2016 nadere stukken ingediend.

1.10.

Belanghebbende heeft op 23 juni 2016 nadere stukken ingediend.

1.11.

De Inspecteur heeft op 15 augustus 2016 nadere stukken ingediend.

1.12.

Belanghebbende heeft op 30 september 2016 nadere stukken ingediend.

1.13.

De Inspecteur heeft op 19 oktober 2016 nadere stukken ingebracht, bestaande uit een vertaling van bijlage I-11 (verzoek om verlenging van bouwverplichting).

1.14.

De Inspecteur heeft op 24 oktober 2016 een pleitnota ingebracht.

1.15.

Belanghebbende heeft op 25 oktober 2016 nadere stukken ingebracht, bestaande uit diverse vertalingen (producties 91 tot en met 99).

1.16.

De Inspecteur heeft op 1 november 2016 nadere stukken ingebracht, bestaande uit een vertaling van bijlagen HB11 (taxatierapport [A] ), I-4 (protocol kredietovereenkomst [a-bank] ), I-2 (notulen [J] ), bijlage 69 (kredietovereenkomst [a-bank] 11 december 2007) en bijlage 68 (overeenkomst tot achterstelling).

1.17.

De griffier heeft bij brief van 3 november 2016 belanghebbende in de gelegenheid gesteld tot uitvoering van het door hem voorwaardelijk aangeboden bewijs.

1.18.

De Inspecteur heeft op 4 november 2016 een nadere pleitnota ingebracht.

1.19.

Belanghebbende heeft op 7 november 2016 een pleitnota ingebracht. Daarbij is naar aanleiding van de brief van de griffier van 3 november 2016 productie 100 gevoegd, inhoudende een e-mailbericht van 4 november 2016 aan een bank waarin bankafschriften van [K] worden opgevraagd. De Inspecteur heeft geen bezwaar ertegen dat deze productie tot de gedingstukken wordt gerekend.

1.20.

De Inspecteur heeft op 7 november 2016 een nadere pleitnota ingebracht.

1.21.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2016 te Arnhem. De zaken met de nummers 15/00732 tot en met 15/00734 en met nummer 16/00695 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. [C] , advocaat te [D] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [E] , [F] en [G] . Belanghebbende heeft voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter zitting geen uitvoering gegeven aan het door hem voorwaardelijk aangeboden bewijs.

1.22.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is in de onderhavige jaren enig aandeelhouder van [H] NV ( [H] NV), een op de Nederlandse Antillen gevestigde vennootschap. Deze vennootschap bezit alle aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap [I] BV ( [I] BV). [I] BV bezit (on)middellijk alle aandelen in de vennootschap naar Frans recht [J] te Frankrijk ( [J] ). Laatstgenoemde vennootschap bezit alle aandelen in de in Frankrijk gevestigde vennootschappen EURL [K] ( [K] ) en EURL [L] ( [L] ). Deze laatste twee vennootschappen hebben zich in de jaren 2004 en volgende bezig gehouden met de ontwikkeling, bouw en verkoop van vakantiewoningen in Frankrijk.

2.2.

Op 15 maart 2004 is in Luxemburg opgericht de aldaar gevestigde vennootschap [M] SA. Oprichters zijn twee trustvennootschappen die worden beheerd door de in Luxemburg gevestigde trustmaatschappij [N] SA. In 2006 heeft [O] van [N] het bestuur van [M] SA overgenomen. Belanghebbende is de uiteindelijk gerechtigde (“ultimate beneficial owner”) van [M] SA.

2.3.

Op 31 maart 2004 heeft [M] SA voor een bedrag van € 1.400.000 156 ha in Frankrijk gelegen grond voor de bouw van 498 vakantiewoningen gekocht van een derde.

2.4.

In opdracht van [P] BV heeft [A] in juli 2005 een taxatierapport uitgebracht met betrekking tot het project [Q] (zie bijlage HB11). Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

VALUATION

Constructions:

(…)

Hypothesis: 125 houses including

-85 villas of 75 sq.m estimated on the basis of € 150,000/unit VAT included.

-40 villas of 100 sq.m estimated on the basis of € 200,000/unit VAT included.

Giving a global area of 10,000 sq.m.

€ 150,000 € VAT included x 85 villas € 12,750,000 VAT included

€ 200,000 € VAT included x 40 villas € 8.000.000 VAT included

TOTAL € 20.750.000 VAT included

That is a total market value of: € 20,750,000 VAT included

(...)

Land Value:

Site of land with a registered area of 77,815 sq.m.

Hypothesis:

-Area to be developed: 10,375 sq.m.

-Global forecasted turn over: € 20,750,000 VAT included.

-Construction cost: € 850/sq.m (VAT excluded).

-Developer income: 10% of selling price (VAT excluded).

Giving a market value in the region of: € 2,500,000 VAT included

Land Value for the project “ [R] ”:

Site of land with a registered area of 158,000 sq.m.

Hypothesis:

-Area to be developed: 17,360 sq.m. – 124 villas

-Construction start June 2007 and end May 2009

-Global forecasted turn over: € 31,200,000 VAT included. (€ 2,000/sq.m or in 2 years, a present value of € 1,797/sq.m).

-Construction cost: € 850/sq.m or in 2 years a present value of € 764/sq.m (VAT excluded).

-Developer income: 10% of selling price (VAT excluded).

Giving a market value in the region of: € 3,300,000 VAT included

Land Value for the project “ [Q1] ”:

Site of land with a registered area of 55,000 sq.m.

Hypothesis:

-Area to be developed: 3,600 sq.m. – 45 villas

-Construction start June 2009 and end May 2011

-Global forecasted turn over: € 5,800,000 VAT included. (€ 2,000/sq.m or in 4 years, a present value of € 1,614/sq.m).

-Construction cost: € 850/sq.m or in 4 years a present value of € 686/sq.m (VAT excluded).

-Developer income: 10% of selling price (VAT excluded).

Giving a market value in the region of: € 225,000 VAT included

Land Value for the project “ [S] ”:

Site of land with a registered area of 240,000 sq.m.

Hypothesis:

-Area to be developed: 20,800 sq.m. – 130 villas

-Construction start June 2011 and end May 2013

-Global forecasted turn over: € 30,170,000 VAT included. (€ 2,000/sq.m or in 6 years, a present value of € 1,450/sq.m).

-Construction cost: € 850/sq.m or in 6 years a present value of € 616/sq.m (VAT excluded).

-Developer income: 10% of selling price (VAT excluded).

Giving a market value in the region of: € 2,450,000 VAT included

2.5.

In een memo van [P] BV van 12 september 2005 (productie 25) is opgemerkt dat [M] SA:

“Owns the 156 ha of land (acqu. at € 1,4 mio, appraised value of € 7,1 mio)

Sells 7,8 ha to EURL Bois Senis I for € 400.000 (value € 2,1 mio)

Keeps 148,2 ha (value € 5 mio)”

2.6.

[M] SA heeft de grond in drie tranches verkocht: op 27 oktober 2005 ongeveer 8 ha aan [K] voor € 1.800.000, op 11 december 2007 ongeveer 16 ha aan [L] voor
€ 4.000.000 en op 19 december 2007 ongeveer 132 ha aan eveneens [L] voor € 11.000.000.

2.7.

De aankoop van grond door [K] op 27 oktober 2005 is gefinancierd met een lening van [P] BV. De op 11 december 2007 door [L] voor € 4.000.000 van [M] SA gekochte grond is door [L] gefinancierd met een lening van [a-bank] ( [a-bank] Bank).

2.8.

Op 1 december 2006 heeft [T] BV een taxatierapport uitgebracht aan [I] BV (bijlage H1; productie 57). In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

Uitgangspunten

Het project “ [Q] ”omvat in totaal circa 156 hectare bouw-, bos- en agrarische grond en is verdeeld over 5 locaties,

- [Q] circa 7,8 hectare (bouwgrond, 126 kavels)

- [Q1] circa 5,5 hectare (bouwgrond, 38 kavels)

- [S] circa 23,4 hectare (bouwgrond, 130 kavels)

- [R] circa 15,7 hectare (bouwgrond, 121 kavels)

- [U] circa 9,4 hectare (bouwgrond, aantal kavels nnb)

Totaal circa 61,8 hectare

Volgens bijgaande “Carte communale Les Forges Elaboration Plan de Zonage” goedgekeurd op 21 juni 2005 worden bovenstaande percelen aangeduid als bouwgrond. De overige terreinen 94,2 hectare hebben een bos en/of een agrarische bestemming.

(…)

Getaxeerde grondwaarde bij verkoop

Om de marktwaarde van de grond te kunnen vaststellen zijn er twee methodes. Op basis van marktvergelijking en uitgifteprijzen van gemeentes en/of overheidsinstellingen of door middel van een residuele grondwaardebepaling.

Residuele grondwaarde is een methode die in de economische theorie “backward pricing” wordt genoemd. Door de stichtingskosten (exclusief de prijs van de grond) in mindering te brengen op de te verwachten verkoopopbrengst verkrijgt men de waarde van de grond, althans de prijs die men maximaal mag besteden bij de verwerving van de grond.

(….)

Op basis van bovenstaande gegevens taxeren wij de grondwaarde van de bouwkavels met een bouwvergunning, na bouwrijp maken op EUR 70 per m2.

Uitgaande van:

- [Q] circa 7,8 hectare - uitgeefbaar circa 54.180 m2

- [Q1] circa 5,5 hectare - uitgeefbaar circa 39.000 m2

- [S] circa 23,4 hectare - uitgeefbaar circa 170.000 m2

- [R] circa 15,7 hectare - uitgeefbaar circa 112.000 m2

- [U] circa 9,4 hectare - uitgeefbaar circa 70.000 m2

Totaal circa 61,8 hectare - uitgeefbaar circa 445.180 m2

met een totaal van circa 445.180 m2 verkavelbaar (641 kavels), vertegenwoordigen de gronden een theoretische geschatte waarde van EUR 31.162.600.

Hierbij dient direct te worden opgemerkt dat deze waarde uitsluitend gerealiseerd kan worden indien de kavels gefaseerd over een langere periode worden ontwikkeld en uitgegeven.

Vergunningen

Bij deze waardering zijn wij ervan uitgegaan dat alle benodigde vergunningen worden verleend. Wij hebben inzicht gehad in de goedgekeurde verkavelingsaanvraag van 121 kavels op [R] met een totale oppervlakte van 157.401 m2.

Voor de overige gronden werd de bestemming op 21 juni 2005 gewijzigd in “Secteur Constructible”.

(…)

Alle bovengenoemde bedragen zijn exclusief BTW.”

2.9.

Op 27 december 2006 heeft [V] van [I] BV onder meer het volgende aan belanghebbende geschreven (bijlage G8):

“Als ik de waardebepaling van [T] zie dan begrijp ik natuurlijk dat een groot deel pas reëel is op het moment dat het op de bankrekening staat, maar daar tegenover staat een zeer reële waardebepaling op basis van de eerder betaalde 23,- per m2 (…).”

2.10.

Op 3 december 2007 is een zogenoemde “cross pledge agreement” gesloten (productie 4) tussen de Luxemburgse bank [W] ( [W] Bank) en [Y] SA ( [Y] SA). [Y] SA is een in Luxemburg gevestigde vennootschap waarvan de aandelen in handen zijn van een trust van [W] Bank, die ook het bestuur uitoefent. Belanghebbende is de uiteindelijk gerechtigde van [Y] SA. In deze overeenkomst verstrekt [Y] SA ten gunste van [W] Bank een pandrecht (“cross pledge”) tot zekerheid van de vordering die [W] Bank heeft op [L] . Het pandrecht heeft betrekking op onder meer de banktegoeden die [Y] SA aanhoudt bij [W] Bank. In deze overeenkomst is onder andere het volgende opgenomen:

“1. The pledge

The Pledgor [Hof: [Y] SA] hereby grant(s) to the Bank [Hof: [W] Bank], who accepts, a pledge on (I) all present and future money claims he may have against the Bank in relation to any account opened from time to time in the books of the bank, whether now or in the future (hereinafter collectively the “Account”) or for any other reason and (II) securities, precious metals and more generally financial instruments which the Pledgor has deposited or may deposit in the future in the Account or that have been or may be deposited on his behalf in the future in the Account with the Bank or that have been or will be deposited with any third party in the bank’s name on behalf of the Pledgor (hereinafter the “Pledged assets”).

(...)

2. Secured obligations

The pledge shall serve as a security for all present and future claims, whether matured or not, whether conditional or definitive, irrespective of their legal cause (including but not limited to loans, guarantees, overdrafts and options), that the bank may have against EURL [L] (hereinafter the “Debtor”), holder of the account 4546350 under any agreement concluded with the latter or any other reason (…)”.

2.11.

Op 3 december 2007 is eveneens een zogenoemde “guarantee agreement” gesloten tussen [Y] SA en [W] Bank (productie 4). Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“2. The Guarantor [Hof: [Y] SA] hereby unconditionally and irrevocably, jointly and severally, guarantees and indemnifies the Benefeciary [Hof: [W] Bank] in respect of the full performance by the Borrower [Hof: [L] ] of its obligations under the Loan Agreement [Hof: de lening van € 11.000.000] in case the Borrower fails to comply with any of its obligations under the Loan Agreement. The Guarantor shall pay the Benefeciary upon its demand any amount not paid by the Borrower under the Loan Agreement, from time to time, including but not limited to the payment of any damages, cost, loss or liability suffered by the Beneficiary (...).

(…)

5. No payments shall be sought from the Guarantor under this guarantee unless a notice of default has been served to the Borrower with a copy to the Guarantor providing for a minimum period of 15 days to remedy such default (...).

(…)

7. The Guarantor shall be subrogated to the rights of the beneficiary against the Borrower with respect to any payment or performance in relation to the Secured Obligations, (...).”

2.12.

De op 19 december 2007 voor € 11.000.000 van [M] SA gekochte grond is door [L] gefinancierd met een op 5 december 2007 tot hetzelfde bedrag door [W] Bank verstrekte geldlening. Ook hier is sprake van een cross pledge overeenkomst. [W] Bank heeft aan de financiering de voorwaarde gesteld dat de koopsom van € 11.000.000 door [M] SA zou worden gestort op een bij deze bank aangehouden rekening welke als zekerheid zou dienen voor de aan [L] verstrekte geldlening (de cross pledge). In een brief van 5 december 2007 van [W] Bank aan [M] SA (productie 50) is hierover opgenomen:

“Following our loan to EURL [L] which is secured by the crosspledge agreement dated December 3, 2007, concerning your account number [00000] maintained in our books, we hereby define the conditions and credit interest rates for the deposit maintained in said account.
- the amount which has to be placed on deposit has to be identical to the amount of the loan due by EURL [L] to ourselves;

- the interest period of the deposit has to be identical at any time to the duration of the interest period of the loan:

- the credit interest rate will be EURIBOR and will be indentical at any time used for the loan (…)”.

2.13.

De aan [M] SA toekomende koopsom van € 11.000.000 voor de op 19 december 2007 aan [L] verkochte grond is op 27 december 2007 op een bankrekening bij [W] Bank (nummer [00000] ) ten gunste van [M] SA bijgeschreven. Op 28 december 2007 is dit bedrag overgeboekt naar een bankrekening van [Y] SA bij [W] Bank (nummer [00001] ). Op het betreffende bankafschrift van deze laatste rekening is vermeld dat de storting afkomstig is van rekening nummer [00000] (“by order of [00000] / 001.000.001”). Uit het bankafschrift blijkt verder dat genoemd bedrag op dezelfde dag is doorgestort naar een deposito.

2.14.

Met het oog op de liquidatie van [M] SA is door [O] een tussentijdse balans per 21 december 2007 opgesteld (productie 53). De definitieve balans voor 2007 (productie 54) sluit hierbij aan. Met inachtneming van de toelichting door belanghebbende (stuk 23 juni 2016, onderdeel 2.28 e.v.) luidt deze balans als volgt:

Activa (€)

Passiva (€)

Vordering belanghebbende

1.000.000

Geplaatst kapitaal

31.000

Rek.crt vordering belanghebbende

127.546

Wettelijke reserve

3.100

Achtergestelde vordering [I]

1.500.000

Winstreserve

14.782.133

Vordering overig

115.110

Eigen vermogen

14.816.233

2.742.656

Depositorekening [W] Bank

11.000.000

Voorziening crediteuren/belasting

33.080

Bankrekening [O]

3.946

Rek.crt schuld belanghebbende

244.945

Bankrekening [W] Bank

1.347.655

278.025

12.351.602

Totaal

15.094.258

15.094.258

2.15.

Blijkens de toelichting door belanghebbende (stuk 23 juni 2016, onderdeel 2.32) zijn in het kader van de liquidatie van [M] SA de volgende uitkeringen gedaan:

Datum

Omschrijving

Bedrag

27-12-2007

Voldoening crediteuren [M] SA

28.557

28-12-2007

Voldoening crediteuren [M] SA

3.946

28-12-2007

Overboeking naar privérekening belanghebbende bij [W] Bank

1.300.000

28-12-2007

Overboeking naar rekening [00001] [Y] SA bij [W] Bank

11.000.000

28-12-2007

Overboeking naar rekening [00001] [Y] SA bij [W] Bank

32.618

Totaal

12.365.121

2.16.

Volgens belanghebbende (stuk 23 juni 2016, onderdeel 3.19) kan op basis van de jaarrekening 2007 (zie 2.14) en onder meer vorenbedoelde toelichting (zie 2.15) worden gesteld dat [M] SA op grond van artikel 4.34 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) de volgende liquidatie-uitkeringen aan belanghebbende heeft gedaan:

Datum

Omschrijving

Bedrag

28-12-2007

Overboeking naar privérekening belanghebbende bij [W] Bank

1.300.000

28-12-2007

Overboeking naar rekening [00001] [Y] SA bij [W] Bank

32.618

Saldo van rekening-courantverhouding met belanghebbende, bestaande uit vordering op belanghebbende (€ 127.546 + € 880.971 + € 4.941 -/- € 244.945)

768.514

Achtergestelde vordering op [I] (€ 1.500.000 + € 104.178 (rente))

1.604.178

2.17.

De Inspecteur wenst de volgende liquidatie-uitkeringen als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking te nemen (stuk 15 augustus 2016, p. 21):

Omschrijving

Bedrag

2007

Overboeking naar privérekening belanghebbende bij [W] Bank

1.300.000

Overdracht vordering van [M] op [Y]

11.000.000

Overdracht vordering van [M] op [Y]

32.618

Overdracht vordering van [M] op [I] (nominaal € 1.500.000)

1.604.178

Totaal

13.936.795

Verkrijgingsprijs aandelen

-/- 31.000

Liquidatie-uitkering/inkomen uit aanmerkelijk belang

13.905.795

2008

Vordering belanghebbende

1.000.000

Rek.crt vordering belanghebbende

127.546

Rek.crt schuld belanghebbende

-/-244.945

Liquidatie-uitkering/inkomen uit aanmerkelijk belang

882.601

2.18.

Op 27 december 2007 is het besluit tot liquidatie van [M] SA genomen. De liquidatie is uitgevoerd door haar bestuurder [O] . In januari 2008 is de vereffening voltooid. In de akte van liquidatie van 27 december 2007 (productie 52 belanghebbende) is onder meer het volgende bepaald:

“II That the capital of the company [M] SA pre-named, presently amounts to € 31.000, represented by 310 shares with a par value of € 100 each.

III That it derives from the share register that the appearing party is the holder of all the sheares of the pre-named company [M] SA.

IV That the appearing party has decided to dissolve and to liquidate the company [M] SA which has discontinued all activities.

V That the appearing party declares that he has taken over all assets and all liabilities of the said company.

VI That it is witnessed that the appearing party is vested with all the assets of the dissolved company and that the appearing party shall guarantee the payment of all liabilities of the company even if unknown at present.

VII That the liquidation of the company [M] SA is completed and that the company is to be construed as definitely terminated.”

2.19.

Uit de jaarrekeningen (producties 63 en 90) van [H] NV blijkt onder meer het volgende:

2007

2008 (enkelvoudig)

2009

(enkelvoudig)

2010

(geconsolideerd)

Eigen vermogen

5.868.738

2.035.849

4.787.367

Voorzieningen

0

0

479.754

Schulden

0

0

52.087.089

Totaal

5.868.738

2.035.849

57.354.210

2.20.

Uit de enkelvoudige jaarrekeningen (producties 62 en 89) van [I] BV blijkt onder meer het volgende:

2007

2008

2009

2010

Eigen vermogen

1.793.432

1.307.629

-/- 2.877.400

-/- 3.094.767

Voorzieningen

1.414.972

894.005

3.717.098

2.288.777

Schulden

23.260.050

21.118.349

17.262.350

19.116.433

Totaal

26.468.454

23.319.973

18.102.048

18.310.443

In de jaarrekening 2009 is onder meer het volgende opgemerkt:

“Continuïteitsveronderstelling

Uit de balans blijkt een negatief eigen vermogen. Aangezien niet is gebleken dat voortzetting van de ondernemingsactiviteiten onmogelijk is, zijn de waarderingsgrondslagen gebaseerd op continuïteit van de vennootschap.”

2.21.

Uit de jaarrekeningen (producties 60 en 98) van [L] blijkt onder meer het volgende:

2007

2008

2009

2010

Eigen vermogen

-/- 1.804

-/- 778.676

-/- 1.065.462

Voorzieningen

22.739

Schulden

22.891.853

22.173.730

21.783.062

Totaal

22.890.049

21.417.792

20.717.599

Omzet

0

238.943

21.776

Netto resultaat

-/- 2.206

-/- 776.872

-/- 286.758

2.22.

Uit de jaarrekeningen (producties 60 en 98) van [K] blijkt onder meer het volgende:

2007

2008

2009

2010

Eigen vermogen

-/- 911.170

-/- 5.870.875

-/- 6.932.374

Voorzieningen

241

141.824

141.824

Schulden

15.894.277

15.030.749

15.100.411

Totaal

14.983.348

9.303.507

8.309.861

Omzet

5.547.659

2.042.664

16.557

Netto resultaat

287.626

-/- 4.959.705

-/- 1.061.498

2.23.

Op 11 maart 2009 is tussen enerzijds belanghebbende en zijn partner en anderzijds de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten (zie productie 77) waarin onder meer het volgende is neergelegd:

“De vaststellingsovereenkomst wordt gesloten in het kader van de definitieve afwikkeling van de discussie over de inkomstenbelasting-, omzetbelasting en overdrachtsbelastingpositie van [belanghebbende en zijn partner] over de jaren 2001 tot en met 2007.

(…)

3 Inhoud van de overeenkomst

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

3.1

Fiscale woonplaats [belanghebbende]

Per 1 januari 2001 is [belanghebbende] in Nederland komen wonen als bedoeld in art. 2.1, onderdeel a, Wet IB 2001. Dit betekent dat [belanghebbende] vanaf 1 januari 2001 binnenlands belastingplichtig is als bedoeld in art. 2.1 Wet IB 2001.

(…)

3.3

Belastbare inkomens inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en WAZ

[Belanghebbende] heeft in de loop van de discussie met de Belastingdienst in de vorm van concepten een opgave verstrekt van de samenstelling van alle belastbare inkomens over de jaren 2001 tot en met 2007.

De Belastingdienst neemt aan dat [belanghebbende] met deze opgaven een volledige opening van zaken heeft gegeven met betrekking tot alle relevante fiscale feiten en omstandigheden. Indien op enig moment in de toekomst blijkt dat dit niet het geval is, behoudt de Belastingdienst zich alle rechten voor met betrekking tot een nadere vaststelling van de belastbare inkomens.

(…)

Rente als bedoeld in artikel 3.92 wet IB 2001 voor 2006 en volgende jaren

[Belanghebbende] heeft door middel van een aandeelhoudersbesluit beoogd dat de vordering die hij per 1 januari 2005 heeft op [H] NV wordt omgezet in agio. (…) Om doelmatigheidsredenen kan de Belastingdienst (…) instemmen met het feit dat het besluit wordt geëffectueerd per 1 januari 2006.

(…)

[Belanghebbende] zal als bijlage 8 aan deze vaststellingsovereenkomst een overzicht hechten waaruit het verloop van de rekening-courant tussen [H] en [belanghebbende] over de jaren 2006 tot en met 2008 blijkt. Het omzettingsbesluit heeft immers alleen betrekking op de stand per 1 januari 2006. Alle nadien gepleegde stortingen dan wel onttrekkingen dienen gewoon in rekening-courant verwerkt te worden.

Over de verschillende posities, vordering of schuld, dienen [belanghebbende] en [H] onderling een normale rentevergoeding te betalen. Deze kan per ultimo eveneens in de rekening-courantverhouding geboekt worden.

Uit bijlage 8 zal blijken of en in hoeverre [belanghebbende] over 2006 en 2007 nog een rentebate moet aangeven als bedoeld in artikel 3.92 wet IB 2001.

(…)

Jaar 2007

(…)

[Belanghebbende] ziet door ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst af van zijn recht op bezwaar en beroep tegen deze aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2007 voorzover betrekking hebbend op onderwerpen genoemd in deze vaststellingsovereenkomst.

(…)

Box 3 alle jaren

De belastingdienst zal het belastbare inkomen uit sparen en beleggen berekenen met in achtneming van de componenten genoemd in bijlage 2 alsmede met in achtneming van alle andere wettelijke bepalingen die van toepassing zijn.

3.3g Rekening-courant met [H] NV en/of een andere tot de groep behorende vennootschap/rechtspersoon (opgericht naar buitenlands recht)

[Belanghebbende] zal als bijlage 9 evenzovele rekening-courantovereenkomsten toevoegen als dat hij schuldverhoudingen heeft met, c.q. een vordering heeft op één of meer van zijn vennootschappen of andere rechtspersonen die tot de [H] -groep behoren.

In die overeenkomsten zullen afdoende zekerheden gesteld worden voor schulden die hij aan een of meer vennootschappen heeft c.q. blijkt te hebben. Daarnaast zullen partijen een zakelijke rentevergoeding opnemen. Uitgaande van een rekening-courantverhouding voor onbepaalde tijd wordt de rente tot en met 1 juli 2009 vastgesteld op 5%. [Belanghebbende] zal per 1 juli 2009 bezien of en in hoeverre partijen de rente moeten aanpassen aan gewijzigde omstandigheden in de markt. [Belanghebbende] zal met de genoemde vennootschappen in die overeenkomsten een aflossingsschema overeenkomen indien en voorzover de schulden aan de rechtspersoon meer dan € 250.000 bedragen. (…)

3.4

Waardering panden box III

De “box III panden” van [belanghebbende] zullen voor de jaren 2001 tot en met 2007 worden gewaardeerd overeenkomstig bijlage 2 bij deze overeenkomst. [Belanghebbende] kan geen rechten ontlenen aan de in deze bijlage opgenomen waarden voor de waardering van de box III panden per ultimo 2008. [Belanghebbende] dient in zijn aangifte 2008 per ultimo per object een gemotiveerde waarde in het economische verkeer af te geven.

(…)

4 Reikwijdte van de overeenkomst

De overeenkomst betreft geen duurovereenkomst, maar ziet op de jaren 2001 tot en met 2007.

Deze overeenkomst behelst een finale regeling over de definitieve en navorderingsaanslagen die over de jaren 2001 tot en met 2007 opgelegd zijn of worden aan [belanghebbende en zijn partner] ter zake van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen alsmede de definitieve en naheffingsaanslagen die over de jaren 2001 tot en met 2007 opgelegd zijn of worden aan [belanghebbende en zijn partner] ter zake van de omzetbelasting en de overdrachtsbelasting.

(…)

5 Nakoming, aanpassing dan wel beëindiging

Indien [belanghebbende en zijn partner] zich niet houden aan de in deze overeenkomst gemaakte afspraken dan kan de Belastingdienst (…) nakoming eisen van deze overeenkomst. Gelijktijdig kan de Belastingdienst per direct alle aanslagen opleggen die voortvloeien uit deze overeenkomst. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden die samenhangen met het niet-nakomen kan de Belastingdienst bepalen dat die aanslagen dadelijk en ineens invorderbaar zijn.

De bepalingen die zien op het doen van afstand van de rechten van bezwaar en beroep door [belanghebbende] tegen uitspraken en/of aanslagen over de jaren 2001-2007 blijft in dat geval onverkort van kracht.

(…)

Indien de Belastingdienst zich niet houdt aan de in deze overeenkomst gemaakte afspraken dan kunnen [belanghebbende en zijn partner] (…) nakoming eisen van de afspraken.

6 Rechtsmiddelen

[Belanghebbende en zijn partner] verklaren door ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst geen enkel rechtsmiddel meer te zullen aanwenden met betrekking tot belastingaanslagen of beschikkingen voorzover in die belastingaanslagen of beschikkingen belastbare elementen zijn begrepen waarop deze vaststellingsovereenkomst van toepassing is.”

2.24.

In december 2011 heeft belanghebbende bij de Departementale Directeur van de Openbare Financiën van Deux-Sèvres een verzoek tot verlenging van de bouwtermijn ingediend (bijlage I-11; vertaald bij nader stuk van 19 oktober 2016). In dit verzoek is onder meer het volgende opgenomen:

“Zo hervindt men de aankoopprijzen hierboven vermeld

1. Op 27 oktober 2005

Verkaveling “ [Q] ”, 7ha 78a 15ca x € 23,13 ex/m2 = € 1.800.000 ex

2 Op 11 december 2007

Verkaveling “ [R] ”, 15ha 74a 49ca x € 25,41 ex/m2 = € 4.000.000 ex

3 Op 19 december 2007

Verkaveling “ [Q1] ”, 5ha 51a 50ca x € 24 ex/m2 € 1.323.600 ex

Verkaveling “ [S] ”, 23ha 39a 65ca x € 24 ex/m2 € 5.615.160 ex

Andere verkavelingen in [J] , 12ha 37a 03ca x € 24 ex/m2 € 2.968.872 ex

Grondreserve 25ha 61a 43ca x € 2,50 ex/m2 € 640.358 ex

Bospercelen, 61 ha 60a 65ca x € 0,30 ex/m2 € 184.820 ex

Technisch lokaal, 40a 00ca € 150.000 ex

Meren en waterrijke gebieden van [Q] 3ha 62a 40ca € 117.190 ex

Totaal € 11.000.000 ex

(…)

Huidige omschrijving: Gemeente Forges (Deux-Sèvres)

Is de bouwplaats van de verkaveling “ [R] ”, goedgekeurd door de verordening van de burgemeester van VASLES, nr. “LT79 339 05JL002” van 10 november 2005,
122 percelen, in het kadaster opgenomen als grond of te bebouwen terrein, buurtschap “ [R] ”, sectie F, nummers 912 tot 1033 voor een totale oppervlakte van 15ha 74 ca 49ca.

(…)

Huidige omschrijving van terreinen – Zich voordoende bouwprojecten

Per heden staat op de per 19 december 2007 aangekochte terreinen 131ha 25a 20ca open nadat sinds 2007 enige verkopen zijn gedaan. (…) De huidige percelen kunnen samengevoegd worden tot drie aparte gehelen naar gelang de zich voordoende bouwprojecten:

A. Voortzetting van het bouwproject van residentiële complexen op

een oppervlakte van 21 ha 38a 73ca

Ontwikkeling van een zonnepanelenpark op een totale oppervlakte

van 56ha 74a 22ca waarvan gekocht is dd 19 december 2007 42ha 66a 83ca

Het gedeeltelijk afstand doen van de bouwverplichting op een

oppervlakte van 67ha 19a 64ca

Totaal 131 ha 25a 20ca

(…)

B) De ontwikkeling van een zonnepanelenpark

De Groep [I] heeft ervoor gekozen, gezien de economische conjunctuur, zich te richten op de uitvoering van de residentiële complexen op het gedeelte van het Domein dat al bebouwd wordt zoals hierboven gedetailleerd aangegeven.

Op het andere gedeelte van het Domein geeft de Groep [I] voorrang aan de uitvoering van een nieuwe project, een zonnepanelenpark, bestemd voor het opwekken van foto-elektrische energie in samenwerking met de vennootschap [AA] .

(…)

[AA] en de Regio [BB] zijn afgelopen 6 juli een vennootschap aangegaan door de oprichting van een gemengde economische vennootschap [CC] om in onze regio een distributiecircuit foto-elektrische zonnepanelen te ontwikkelen.

De Groep [I] en de vennootschap [AA] hebben op 26 oktober 2010 een voorlopige huurovereenkomst getekend voor de ontwikkeling van een park met zonne-energie op de percelen van “ [DD] ” de hierna verder worden omschreven. Over contracten betrekking hebbend op andere terreinen wordt momenteel onderhandeld.”

2.25.

[L] is haar verplichtingen jegens [W] Bank niet nagekomen. Gelet daarop heeft [W] Bank in oktober 2012 tegenover [Y] SA haar rechten uit de cross pledge overeenkomst ingeroepen en is het banktegoed voor [Y] SA verloren gegaan. Na verhaal op het banktegoed van [Y] SA heeft [W] Bank de schuldenaar [L] bericht dat zij in zoverre gevrijwaard is voor haar schulden jegens de bank.

2.26.

[EE] – de Franse notaris die betrokken was bij de aan- en verkoop van de gronden – heeft op 21 maart 2015 de waarde van de grond van [M] SA getaxeerd op € 2.000.000 (productie 58).

2.27.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2007 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.251, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 174.293.

2.28.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2008 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.757, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 322.036.

2.29.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.642, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 94.951.

2.30.

De Inspecteur heeft navorderingsaanslagen IB/PVV 2007 en 2008 opgelegd, alsmede een aanslag IB/PVV 2009. Bij het vaststellen van deze belastingaanslagen heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten uit [M] SA. Verder heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.

2.31.

De Inspecteur heeft bij brief van 25 november 2013 een compromisvoorstel gedaan aan belanghebbende. In deze brief is onder meer het volgende opgemerkt:

“Ik wijs u op mijn voorstel (…) om de waarde van de onroerende zaken, verminderd met de schulden, in zowel 2008 als 2009 nader vast te stellen op € 3,75 miljoen.”

Deze brief is door belanghebbende voor akkoord ondertekend.

2.32.

De Rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende heeft erkend dat hij de ‘ultimate beneficial owner’ is van zowel [M] SA als [Y] SA, dat belanghebbende mitsdien een direct aanmerkelijk belang houdt in deze vennootschappen, dat belanghebbende door de liquidatie van [M] SA een liquidatie-uitkering van € 15.000.000 heeft genoten bestaande uit een vordering van € 11.000.000 op [Y] SA en een vordering van € 4.000.000 op [L] , dat deze liquidatie-uitkering ten tijde van de vereffening van [M] SA in januari 2008 door belanghebbende is genoten, dat de vordering van € 11.000.000 op [Y] SA begin 2008 nog volwaardig was, dat belanghebbende voor het jaar 2008 geen inkomen uit aanmerkelijk belang heeft aangegeven, dat mitsdien de vereiste aangifte IB/PVV 2008 niet is gedaan, dat omkering en verzwaring van de bewijslast op die grond gerechtvaardigd is, dat het door de Inspecteur geschatte bedrag aan inkomen uit aanmerkelijk belang van € 14.566.409 redelijk is, en dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat deze schatting niet juist is. Verder vallen volgens de Rechtbank de vorderingen op [Y] SA en [L] onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB, waardoor in 2008 en 2009 een resultaat uit overige werkzaamheid van 4,876% van € 15.000.000, ofwel € 731.400 in aanmerking wordt genomen.

2.33.

De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 vernietigd. Voor het jaar 2008 heeft de Rechtbank het inkomen uit werk en woning met € 731.400 verhoogd tot
€ 782.157, het inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot € 14.566.509 en het inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op een door partijen vast te stellen bedrag, mits de navorderingsaanslag niet op een hoger bedrag wordt vastgesteld. Voor het jaar 2009 heeft de Rechtbank het inkomen uit werk en woning met € 731.400 verhoogd tot € 782.862, het inkomen uit aanmerkelijk belang gehandhaafd op € 2.700 en het inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op een door partijen vast te stellen bedrag, mits de aanslag niet op een hoger bedrag wordt vastgesteld.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht en tot de juiste bedragen de belastingaanslagen heeft opgelegd.

3.2.

Belanghebbende betoogt i) dat bij het bepalen van de waarde van de liquidatie-uitkering geen waarde toekomt aan de vorderingen op [Y] SA en [I] BV, ii) dat de voor de grond gehanteerde prijzen onzakelijk hoog zijn, waardoor [M] SA in 2005 is bevoordeeld door de gelieerde (zuster)vennootschap [K] , hetgeen fiscaal geduid wordt als een informele kapitaalstorting in [M] SA, waardoor de verkrijgingsprijs van de aandelen [M] SA is verhoogd, en in 2007 tot een correctie van de vervreemdingsprijs moet leiden iii) dat de terbeschikkingstellingsvorderingen op [Y] SA, [I] BV, [K] en [L] vanwege de slechte financiële omstandigheden van deze debiteuren ten laste van het resultaat mogen worden afgewaardeerd, iv) dat de rentevorderingen op [Y] SA, [H] NV, [I] BV, [K] en [L] vanwege de slechte financiële omstandigheden van deze debiteuren op nihil moeten worden gewaardeerd, zodat geen terbeschikkingsstellingsrente tot het resultaat mag worden gerekend, v) dat ter zake van de vorderingen op [Y] SA, [K] en [L] een lagere rente in aanmerking moet worden genomen, vi) dat ter zake van de vordering op [H] NV gelet op de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2009 in de jaren 2007 en 2008 geen rentebate in aanmerking genomen hoeft te worden, dan wel een rente van 5 percent, vii) dat de rekening-courantvordering op [I] BV gelet op de enkelvoudige jaarrekening 2008 van [I] BV op een lager bedrag moet worden vastgesteld, en dat ter zake van deze vordering gelet op de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2009 slechts een rente van 5 percent in aanmerking hoeft te worden genomen, viii) dat voor de grondslag van de vermogensrendementsheffing het saldo van belanghebbendes banktegoed bij de [W] Bank in aanmerking moet worden genomen en dat voor de waardering van de verhuurde bedrijfspanden afspraken met de Inspecteur zijn gemaakt.

3.3.

Verder heeft belanghebbende verzocht een Franse taxateur als deskundige te benoemen en heeft belanghebbende gesteld dat het heffen van inkomstenbelasting over de liquidatie-uitkering, met name voor zover deze bestaat uit de vordering op [Y] SA van
€ 11.000.000 en de vordering op [I] BV van € 1.604.178, strijdig is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

3.4.

In het incidentele hoger beroep heeft de Inspecteur onder meer betoogd dat belanghebbende niet pas in 2008 maar reeds in 2007 vermogensbestanddelen van [M] SA ten titel van liquidatie-uitkering heeft ontvangen, zodat in 2007 een inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking moet worden genomen.

3.5.

Verder beroept de Inspecteur zich bij wege van interne compensatie (zie stuk 15 augustus 2016, p. 31) erop dat belanghebbende in 2007 en 2008 per verkochte vakantiewoning € 20.000 aan [K] heeft onttrokken, hetgeen meebrengt dat in die jaren respectievelijk € 520.000 en € 220.000 tot het inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden gerekend. Ook voor het jaar 2009 beroept de Inspecteur zich op interne compensatie (zie stuk 15 augustus 2016, p. 40). Hij merkt op dat ten laste van het account van [Y] SA bij [W] Bank op 17 november 2009 een onttrekking van € 94.000 heeft plaatsgevonden ten gunste van belanghebbende of een gelieerde vennootschap, welk bedrag tot het inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden gerekend.

3.6.

De Inspecteur heeft ter zitting zijn stelling omtrent het aanmerken van [Y] SA als buitenlands beleggingslichaam in de zin van artikel 4.14 Wet IB, ingetrokken.

3.7.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2007 en 2008 en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2009. De Inspecteur concludeert eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot handhaving van de uitspraken op bezwaar.

4 Overwegingen

Omkering en verzwaring bewijslast

4.1.

Artikel 27j, tweede lid, in samenhang met artikel 27e, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), bepaalt, voor zover van belang, dat het hoger beroep van de belastingplichtige ongegrond moet worden verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.2.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 9 november 2012, nr. 11/04578, ECLI:NL:HR:2012: BY2665).

4.3.

Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. HR 11 april 2003, nr. 36 822, ECLI:NL:HR:2003:AE3220 en HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.

Aanmerkelijk belang

4.4.

Belanghebbende heeft verklaard dat hij moet worden aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde (“ultimate beneficial owner”) van zowel [M] SA als [Y] SA. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende om die reden moet worden aangemerkt als houder van een onmiddellijk aanmerkelijk belang in [M] SA en [Y] SA als bedoeld in artikel 4.6 Wet IB en dat eventuele inkomsten uit deze aandelen hem onmiddellijk toekomen (stuk 23 juni 2016, onderdeel 3.2). Gelden die belanghebbende aan deze vennootschappen ter beschikking heeft gesteld, behoren tot het vermogen ter bepaling van het resultaat uit overige werkzaamheden.

Vereiste aangiften 2007 tot en met 2009

4.5.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat zowel de overboeking op
28 december 2007 van € 1.300.000 van [M] SA naar de privébankrekening van belanghebbende, als de overboeking van € 32.618 naar de bankrekening van [Y] SA, als liquidatie-uitkeringen in de zin van artikel 4.34 Wet IB kunnen worden aangemerkt (zie 2.16). Belanghebbende heeft deze uitkeringen niet aangegeven. Voorts heeft belanghebbende erkend dat hij voor het jaar 2007 het saldo van zijn banktegoed bij de [W] Bank van gemiddeld € 2.060.017 ten onrechte niet in box 3 heeft aangegeven (stuk 23 juni 2016, onderdeel 2.52). Deze gebreken in de aangifte IB/PVV 2007 leiden ertoe dat als gevolg van die aangifte verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven.

4.6.

Verder kan belanghebbende zich in hoger beroep ermee verenigen dat de vordering van [M] SA op belanghebbende, van per saldo ten minste € 768.514, als liquidatie-uitkering in de zin van artikel 4.34 Wet IB wordt aangemerkt (zie 2.16). Het Hof acht aannemelijk dat deze uitkering in 2008 in aanmerking dient te worden genomen, het jaar dat [M] SA is ontbonden en de vereffening is voltooid. Voorts heeft belanghebbende erkend dat hij voor het jaar 2008 het saldo van zijn banktegoed bij de [W] Bank van gemiddeld € 1.537.231 ten onrechte niet in box 3 heeft aangegeven (stuk 23 juni 2016, onderdeel 2.52). Deze gebreken in de aangifte IB/PVV 2008 leiden ertoe dat als gevolg van die aangifte verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven.

4.7.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende door het niet aangeven van voornoemde bedragen ten tijde van het doen van de aangiften IB/PVV 2007 en 2008 zich ervan bewust was of zich ervan bewust moest zijn dat als gevolg van die aangiften verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven. In dat verband neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende tot de zitting bij de Rechtbank heeft verzwegen dat hij (uiteindelijk) gerechtigde was tot de vennootschappen [M] SA en [Y] SA en mitsdien in de aangiften IB/PVV 2007 en 2008 bewust geen inkomsten uit aandelen in deze vennootschappen heeft aangegeven. Voorts neemt het Hof in aanmerking dat de banktegoeden bij de [W] Bank – zowel als absolute bedragen als in verhouding tot de aangegeven bezittingen – een zeer aanzienlijke omvang hadden.

4.8.

Belanghebbende heeft daartegen ingebracht dat, bij het bepalen van het inkomen uit aanmerkelijk belang in 2007 en 2008 ermee rekening moet worden gehouden dat de voor de grond gehanteerde prijzen onzakelijk hoog zijn, waardoor [M] SA is bevoordeeld door de gelieerde (zuster)vennootschappen [K] en [L] . In 2005 heeft [K] teveel betaald voor de grond. Deze bevoordeling kan fiscaal worden aangemerkt als een informele kapitaalstorting in [M] SA, waardoor de verkrijgingsprijs van de aandelen [M] SA is verhoogd en de te belasten liquidatie-uitkering navenant wordt verlaagd, aldus belanghebbende. In 2007 heeft in de zienswijze van belanghebbende [L] teveel betaald voor de grond, zodat daarmee bij het bepalen van het voordeel rekening moet worden gehouden. Het Hof acht echter niet aannemelijk dat de voor de grond gehanteerde verkoopprijzen onzakelijk hoog zijn. In dat verband hecht het Hof waarde aan het taxatierapport van [A] van juli 2005 (zie 2.4), de prijsindicatie door Bouwfonds van 12 september 2005 (zie 2.5), het taxatierapport van [T] BV van 1 december 2006 waarin de verkoopwaarde van de grond, met inachtneming van enkele naar het oordeel van het Hof niet onrealistische uitgangspunten, wordt geschat op ruim € 31.000.000 (zie 2.8), en het verzoek van belanghebbende van december 2011 tot verlenging van de bouwtermijn, welk verzoek is ingediend bij de Departementale Directeur van de Openbare Financiën van Deux-Sèvres (zie 2.24). In dit verzoek zijn alle verkopen door [M] SA beschreven en zijn de verkoopprijzen van 2005 tot en met 2007 geanalyseerd. Voor de te bebouwen grond is in 2005 een prijs van € 23/m2 in aanmerking genomen en in 2007 prijzen van € 24/m2 en € 25/m2. Voor de niet-bouwrijpe grond en de bosgrond zijn prijzen van respectievelijk € 2,50/m2 en € 0,30/m2 gerekend. Van een bevoordeling van [M] SA door de gelieerde (zuster)vennootschap [L] – hetgeen fiscaal geduid wordt als een winstuitdeling door [L] gevolgd door een informele kapitaalstorting in [M] SA - is derhalve geen sprake. Mitsdien blijft voor belanghebbende de verkrijgingsprijs van de aandelen [M] SA € 31.000.

4.9.

Met betrekking tot het jaar 2009 heeft belanghebbende erkend dat hij het saldo van zijn banktegoed bij de [W] Bank van gemiddeld € 164.435 niet in box 3 heeft aangegeven (zie stuk 23 juni 2016, onderdeel 2.52). Verder heeft de Inspecteur in hoger beroep gesteld dat in 2009 ten gunste van belanghebbende een onttrekking van € 94.000 heeft plaatsgevonden bij [Y] SA, welk bedrag tot het inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden gerekend. Belanghebbende heeft deze stelling niet weersproken, zodat het Hof uitgaat van de juistheid ervan. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende door het niet aangeven van voornoemde bedragen ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2009 zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat als gevolg van die aangifte verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven.

4.10.

Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende de vereiste aangiften IB/PVV 2007, IB/PVV 2008 en IB/PVV 2009 niet heeft gedaan, ten gevolge waarvan voornoemde bewijsregel van artikel 27e AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) toepassing vindt.

Redelijke schatting

4.11.

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de correcties onder meer gebaseerd op de beschikbare jaarstukken, taxatierapporten, overeenkomsten, bankafschriften en correspondentie. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de correcties onredelijk of willekeurig zijn vastgesteld.

4.12.

Het vorenstaande heeft echter niet te gelden voor de door de Inspecteur gestelde inkomsten in 2007 en 2008 van € 20.000 per verkochte vakantiewoning (zie 3.5), ofwel een inkomen van in totaal € 520.000 respectievelijk € 220.000. De Inspecteur heeft de schatting van deze inkomsten gebaseerd op het taxatierapport van [A] uit juli 2005 (zie 2.4) en de jaarrekeningen van [K] . Aan de jaarrekeningen van [K] heeft de Inspecteur een gemiddelde opbrengst per vakantiewoning ontleend van € 165.000. In het taxatierapport van [A] wordt voor de waardering per 2005 de toekomstige (hypothetische) opbrengst per woning geschat op € 150.000 tot € 200.000 inclusief omzetbelasting. Nu dit rapport ruim voor de belastingjaren 2007 en 2008 is opgesteld, wat betreft de opbrengst ter zake van de te bouwen vakantiewoningen gebaseerd is op veronderstellingen die niet zijn bewaarheid, en de geschatte opbrengst tussen € 150.000 en € 200.000 inclusief omzetbelasting de mogelijkheid openlaat dat inderdaad slechts een opbrengst van € 165.000 is gerealiseerd, acht het Hof deze schatting niet zodanig onderbouwd, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Nu het Hof deze inkomsten niet in aanmerking neemt, behoeft belanghebbende niet in de gelegenheid te worden gesteld (tegen)bewijs te leveren door inbreng van de bankafschriften van [K] (zie 1.21).

Verzwaard tegenbewijs

4.13.

Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 27e AWR bedoelde wijze
(vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

Tegenbewijs: Liquidatie-uitkering vordering op [Y] SA (2007; box 2)

4.14.

Vaststaat dat [M] SA op 11 en 19 december 2007 grond heeft verkocht aan [L] voor respectievelijk € 4.000.000 en € 11.000.000, dat laatstgenoemde koopsom op 27 december 2007 is bijgeschreven op een bankrekening bij [W] Bank van [M] SA, en dat op 28 december 2007 dit bedrag is overgeboekt naar een bankrekening bij [W] Bank van [Y] SA. Evenmin is tussen partijen in geschil dat door deze overboeking [M] SA op 28 december 2007 een vordering van nominaal € 11.000.000 heeft verkregen op [Y] SA.

4.15.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met een verwijzing naar de “Trust Agreement” van 3 december 2007 niet overtuigend aangetoond – dat wil zeggen dat redelijke twijfel moet zijn uitgesloten – dat belanghebbende zijn gerechtigdheid tot het vermogen van [M] SA deels heeft overgedragen aan [W] Bank. Dit brengt mee dat door de liquidatie van [M] SA op 27 december 2007 de vordering van [M] SA op [Y] SA ten bedrage van nominaal € 11.000.000, volledig is toegekomen aan belanghebbende als uiteindelijk gerechtigde. Uitgangspunt daarbij is dat deze vordering wordt gewaardeerd op de nominale waarde. Nu belanghebbende betoogt dat aan de vordering een lagere waarde toekomt, moet hij daarvoor het verzwaarde bewijs leveren op de in artikel 27e AWR bedoelde wijze.

4.16.

Belanghebbende voert in dat verband aan dat [Y] SA ten behoeve van [W] Bank een (derden)pandrecht (“cross pledge”) heeft gevestigd op onder meer het banktegoed van € 11.000.000 voor alle schulden die [L] heeft of zal krijgen bij [W] Bank, waaronder de schuld van € 11.000.000 aangegaan voor de financiering van de op 19 december 2007 van [M] SA gekochte grond. Het betoog van belanghebbende kan niet slagen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die betrekking hebben op de totale vermogenspositie van [Y] SA ten tijde van de liquidatie-uitkering. Het enkele feit dat, zoals belanghebbende stelt, aan enig vermogensbestanddeel van [Y] SA een lagere waarde moet worden toegekend, brengt geenszins mee dat [Y] SA niet in staat is zijn schuld te voldoen. Daarvoor dient belanghebbende inzicht te verschaffen in de totale vermogenspositie van [Y] SA, hetgeen niet is geschied. Belanghebbende heeft verklaard dat voor [Y] SA geen jaarrekeningen zijn opgesteld omdat daartoe geen verplichting bestond. Dit doet aan voornoemd oordeel niet af, omdat belanghebbende de vermogenspositie van [Y] SA ook op andere wijze inzichtelijk had kunnen maken.

4.17.

Bovendien heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat aan het gevestigde pandrecht een waardedrukkende invloed toekomt. [Y] SA heeft ten behoeve van [W] Bank een (derden)pandrecht gevestigd ter zake van alle schulden van [L] , waaronder de schuld van € 11.000.000 voor de aankoop van de grond. Zodra dit pandrecht zou worden ingeroepen – hetgeen in 2012 is geschied – verkrijgt [Y] SA, nu zij niet draagplichtig is voor de schulden van [L] , een regresvordering op [L] (vgl. HR 6 april 2012, nr. 10/01949, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea)). Het verschil tussen het verhaal van de [W] Bank op [Y] SA en de waarde van de daaruit voortvloeiende regresvordering van [Y] SA op [L] , zal een last vormen voor [Y] SA. Belanghebbende heeft echter niet overtuigend aangetoond dat reeds ten tijde van de liquidatie-uitkering het risico bestond dat vanwege de vermogenspositie van [L] aan het pandrecht een waardedrukkende invloed zou toekomen. Integendeel, uit het taxatierapport van [T] van 1 december 2006 blijkt dat alle gronden tezamen – in totaal 156 hectare, waarvan [L] 148 hectare heeft verkregen – een verkoopwaarde had van € 31.162.000, met inachtneming van enkele, naar het oordeel van het Hof niet onrealistische uitgangspunten. Bovendien bedraagt ultimo 2007 het balanstotaal van [L] € 22.890.049 en het eigen vermogen € 1.804 negatief, hetgeen niet duidt op een zo slechte financiële situatie dat dat een waardedrukkende invloed heeft. Belanghebbende is mitsdien niet geslaagd in zijn verzwaarde bewijslast.

4.18.

De Inspecteur heeft betoogd dat belanghebbende reeds in december 2007 de vordering op [Y] SA ten titel van liquidatie-uitkering heeft ontvangen. Redengevend daarvoor is dat uit de akte van liquidatie van 27 december 2007 (zie 2.18) kan worden afgeleid dat op dat moment alle vermogensbestanddelen van [M] SA zijn overgedragen. Belanghebbende brengt daartegen in dat uit de overboeking op 28 december 2007 van € 11.000.000 van [M] SA naar de bankrekening van [Y] SA kan worden afgeleid dat belanghebbende niet reeds op 27 december 2007 alle vermogensbestanddelen ten titel van liquidatie-uitkering heeft ontvangen. Met hetgeen belanghebbende heeft aangedragen, is niet overtuigend aangetoond dat de vordering op [Y] SA pas in 2008 ten titel van liquidatie-uitkering is ontvangen.

Tegenbewijs: Liquidatie-uitkering vordering op [I] BV (2007; box 2)

4.19.

Belanghebbende betoogt dat de vordering van [M] SA op [I] BV ten tijde van de liquidatie-uitkering een lagere waarde had dan de nominale waarde van € 1.604.178, vanwege de voorzienbare oninbaarheid ervan. Belanghebbende heeft onder meer de jaarrekening 2007 van [I] BV ingebracht (zie 2.20). Gelet op de daarin vermelde omzet, vermogenspositie en balanstotalen, acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [I] BV ultimo 2007 zodanig is dat haar schuld van € 1.604.178 niet kan worden terugbetaald. Evenmin heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de vordering op [I] BV pas in 2008 ten titel van liquidatie-uitkering is ontvangen.

Tegenbewijs: Liquidatie-uitkering vordering op belanghebbende (2008; box 2)

4.20.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de vordering van [M] SA op belanghebbende, van per saldo € 768.514, als liquidatie-uitkering kan worden aangemerkt (zie 2.16). De Inspecteur betoogt echter dat deze vordering per saldo € 882.601 bedraagt (zie 2.17). De Inspecteur wijst in dat verband op de liquidatiebalans per 21 december 2007 (zie 2.14) waarin een vordering op belanghebbende is vermeld van € 1.000.000, en niet zoals belanghebbende voorstaat, een vordering van € 880.971. Gelet daarop acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de rekening-courantvordering op belanghebbende per saldo minder bedraagt dan € 882.601.

Tegenbewijs: Afwaardering tbs- en rentevordering [Y] SA (2008 of 2009; box 1)

4.21.

Anders dan belanghebbende betoogt, acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [Y] SA in 2008 en 2009 zodanig is dat haar schuld van
€ 11.000.000 en de daarover verschuldigde renten niet kunnen worden terugbetaald. Belanghebbende heeft geen financiële stukken ingebracht waaruit de vermogenspositie van [Y] SA in 2008 en 2009 kan worden afgeleid. Dat [W] Bank in 2012 zich op basis van de cross pledge overeenkomst heeft verhaald op het banktegoed van [Y] SA, heeft op zichzelf geen betekenis voor de vermogenspositie in 2008 en 2009. Hetzelfde heeft te gelden voor het feit dat [Y] SA in 2013 is geliquideerd, nu niet bekend is waarom [Y] SA geliquideerd is. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor een afwaardering van de terbeschikkingsstellings- en rentevorderingen in de desbetreffende jaren.

Tegenbewijs: Hoogte rente tbs-vordering [Y] SA (2007, 2008 en 2009; box 1)

4.22.

De Inspecteur heeft ter zake van de vordering op [Y] SA een rente van 4,876 percent in aanmerking genomen. Belanghebbende stemt daarmee in voor de jaren 2007 en 2008, maar voor de jaren 2009 en 2010 is het EURIBOR rentetarief zodanig gedaald dat het volgens belanghebbende redelijk is de rentepercentages op respectievelijk 1,610 percent en 1,352 percent vast te stellen (stuk 30 september 2016, onderdeel 3.8). Redengevend daarvoor is dat voor de van [W] Bank te ontvangen creditrente wordt aangesloten bij het EURIBOR rentetarief. Nu de onderhavige tbs-vordering betrekking heeft op een vordering van belanghebbende op [Y] SA, en onduidelijk is of voor het rentetarief in die rechtsrelatie kan worden aangesloten bij het door [W] Bank gehanteerde rentetarief – waarbij bijvoorbeeld onduidelijk is of de zekerheden aan elkaar gelijk zijn - acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat een lagere rente dan 4,876 percent in aanmerking moet worden genomen. Derhalve dient een rentebedrag van respectievelijk € 5.815 (2007),
€ 536.360 (2008) en € 536.360 (2009) in aanmerking te worden genomen.

Tegenbewijs: Afwaardering tbs- en rentevordering [I] BV (2007, 2008 of 2009; box 1)

4.23.

Belanghebbende betoogt (stuk 23 juni 2016, onderdeel 3.27) dat als hij door liquidatie van [M] SA een vordering op [I] BV heeft verkregen van € 1.604.178 (inclusief rente), deze vordering in 2007, 2008 of 2009 ten laste van het resultaat kan worden afgewaardeerd tot nihil vanwege de slechte financiële positie van de debiteur. Voorts betoogt belanghebbende (stuk 30 september 2016, onderdeel 4.19) dat de door [I] BV over 2008 en 2009 verschuldigde rente nimmer zal worden betaald vanwege de slechte financiële positie van deze debiteur. Bij de berekening van het resultaat over 2008 en 2009 behoeft dan ook geen rente in aanmerking te worden genomen, aldus belanghebbende.

4.24.

Belanghebbende heeft onder meer jaarrekeningen over 2007, 2008 en 2009 van [I] BV ingebracht (zie 2.20). Gelet op de daarin vermelde balanstotalen, omzetten en vermogensposities – waarin ook de door belanghebbende gestelde concerngaranties en borgstellingen tot uitdrukking zouden moeten komen – acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [I] BV in 2007, 2008 en 2009 zodanig is dat haar schuld van € 1.604.178 niet kan worden terugbetaald of dat de verschuldigde rente niet kan worden betaald. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat in de jaarrekening 2009 is opgemerkt dat niet is gebleken dat voortzetting van de ondernemingsactiviteiten onmogelijk is. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor een afwaardering van deze vordering of het niet in aanmerking nemen van rentebaten.

4.25.

Ter zake van de in aanmerking te nemen rente zijn partijen in de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2009, onderdeel 3.3g, overeengekomen dat een percentage van 5 wordt gehanteerd. Beide partijen hebben ter zitting aangegeven zich gebonden te achten aan deze overeenkomst. Dit brengt mee dat ook met betrekking tot de vordering op [I] BV een tbs-rente van 5 percent in aanmerking wordt genomen, ofwel bedragen van respectievelijk € 27.089 (2007), € 80.209 (2008) en € 84.219 (2009).

Tegenbewijs: Rekening-courantvordering op [I] BV (2008; box 1)

4.26.

Blijkens de enkelvoudige jaarrekening 2008 van [I] BV (productie 62, p. 27/30) heeft belanghebbende ultimo 2007 en 2008 op [I] BV een rekening-courantvordering van respectievelijk € 277.628 en € 43.975. Tussen partijen is niet in geschil dat over de gemiddelde rekening-courantvordering van € 160.801 een terbeschikkingsstellingsrente moet worden berekend. Evenmin is in geschil dat gelet op de vaststellingsovereenkomst een rente van 5 percent in aanmerking moet worden genomen, ofwel een bedrag van € 8.040.

Tegenbewijs: Afwaardering tbs- en rentevordering [K] (2008 of 2009; box 1)

4.27.

Uit de jaarrekening van [K] volgt dat belanghebbende ultimo 2008 en ultimo 2009 bedragen van respectievelijk € 101.832 en € 258.402 in rekening-courant heeft uitgeleend aan [K] . Belanghebbende wenst deze vordering in 2008 of 2009 ten laste van het resultaat af te waarderen vanwege de slechte financiële positie van de debiteur.

4.28.

Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de vaststellingsovereenkomst, voor de vordering op [K] een rente van 5 percent in aanmerking moet worden genomen, ofwel bedragen van respectievelijk € 108 (2007), € 2.653 (2008) en € 9.006 (2009). Belanghebbende betoogt in dat verband echter (stuk 30 september 2016, onderdeel 4.10 en 4.12) dat de door [K] over 2008 en 2009 verschuldigde rente nooit zal worden betaald vanwege de slechte financiële positie van deze debiteur. Bij de berekening van het resultaat over 2008 en 2009 behoeft dan ook geen rente in aanmerking te worden genomen, aldus belanghebbende. In dat verband wijst belanghebbende onder meer op de jaarrekeningen 2008 en 2009 van [K] .

4.29.

Blijkens de jaarrekeningen (productie 60) heeft [K] ultimo 2007, 2008 en 2009 een balanstotaal van respectievelijk € 14.983.348, € 9.303.507 en € 8.309.861, en een eigen vermogen van respectievelijk € 911.170 negatief, € 5.870.875 negatief en € 6.932.374 negatief. De Inspecteur heeft daartegen ingebracht dat blijkens het verzoek van december 2011 tot verlenging van de bouwtermijn (zie 2.24) op een groot deel van de percelen een zonnepanelenpark is ontwikkeld en dat in dat verband in oktober 2010 een voorlopige huurovereenkomst is getekend met de vennootschap [AA] . Gelet op die ontwikkeling

acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [K] op enig moment zodanig is geweest dat haar (relatief kleine) schuld van € 101.832 dan wel € 258.402 niet kan worden terugbetaald of dat de verschuldigde rente niet kan worden betaald.

4.30.

De stelling van de Inspecteur dat het rekening-courantkrediet is verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door belanghebbende een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, behoeft derhalve geen bespreking.

Tegenbewijs: Afwaardering tbs- en rentevordering [L] (2008 of 2009; box 1)

4.31.

Uit de jaarrekening van [L] volgt dat belanghebbende ultimo 2008 en ultimo 2009 bedragen van respectievelijk € 451.000 en € 545.000 in rekening-courant heeft uitgeleend aan [L] . Belanghebbende wenst deze vordering in 2008 of 2009 ten laste van het resultaat af te waarderen vanwege de slechte financiële positie van de debiteur.

4.32.

Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de vaststellingsovereenkomst, voor de vordering op [L] een rente van 5 percent in aanmerking moet worden genomen, ofwel bedragen van respectievelijk € 7.500 (2007), € 18.775 (2008) en € 24.900 (2009). Belanghebbende betoogt in dat verband echter (stuk 30 september 2016, onderdelen 4.10 en 4.12) dat de door [L] over 2008 en 2009 verschuldigde rente nooit zal worden betaald vanwege de slechte financiële positie van deze debiteur. Bij de berekening van het resultaat over 2008 en 2009 behoeft dan ook geen rente in aanmerking te worden genomen, aldus belanghebbende. In dat verband wijst belanghebbende onder meer op de jaarrekeningen 2008 en 2009 van [L] .

4.33.

Blijkens de jaarrekeningen (productie 60) heeft [L] ultimo 2007, 2008 en 2009 een balanstotaal van respectievelijk € 22.890.049, € 21.417,792 en € 20.717.599, en een eigen vermogen van respectievelijk € 1.804 negatief, € 778.676 negatief en € 1.065.462 negatief. De Inspecteur heeft daartegen ingebracht dat blijkens het verzoek van december 2011 tot verlenging van de bouwtermijn (zie 2.24) op een groot deel van de percelen een zonnepanelenpark is ontwikkeld en dat in dat verband in oktober 2010 een voorlopige huurovereenkomst is getekend met de vennootschap [AA] . Gelet op de in de jaarrekeningen vermelde balanstotalen en de ontwikkelingen met betrekking tot het zonnepanelenpark, acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [L] op enig moment zodanig is geweest dat haar schuld van € 451.000 dan wel € 545.000 niet kan worden terugbetaald of dat de verschuldigde rente niet kan worden betaald.

4.34.

De stelling van de Inspecteur dat het rekening-courantkrediet is verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door belanghebbende een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, behoeft derhalve geen bespreking.

Tegenbewijs: Vordering [H] NV (2007, 2008 en 2009; box 1)

4.35.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat op grond van bijlage 1 bij de vaststellingsovereenkomst voor het jaar 2007 reeds een rentebate ter zake van de vordering op [H] NV in aanmerking is genomen en dus in de primitieve aanslag is begrepen, zodat voor een correctie in zoverre geen plaats is.

4.36.

Onder verwijzing naar de jaarrekeningen van [H] NV en bijlage 8 bij de vaststellingsovereenkomst heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de vordering op [H] NV ultimo 2008, 2009 en 2010 respectievelijk nihil, € 102.208 en € 1.462.023 heeft bedragen. Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de vaststellingsovereenkomst, voor deze vordering op [H] NV een rente van 5 percent in aanmerking moet worden genomen, ofwel bedragen van respectievelijk nihil (2008), € 2.555 (2009) en € 39.106 (2010).

4.37.

Belanghebbende betoogt (nader stuk 30 september 2016, punt 4.24) dat de door [H] NV over 2009 en 2010 verschuldigde rente nooit zal worden betaald vanwege de slechte financiële positie van deze debiteur. Bij de berekening van het resultaat over deze jaren behoeft dan ook geen rente in aanmerking te worden genomen, aldus belanghebbende. Uit de (geconsolideerde) jaarrekeningen 2009 en 2010 van [H] NV en [FF] NV (de rechtsopvolger van [H] NV) blijkt echter een eigen vermogen van € 2.035.849 respectievelijk € 4.787.367. Gelet daarop acht het Hof niet overtuigend aangetoond dat de vermogenspositie van [H] NV in 2009 en 2010 zodanig is dat de verschuldigde rente van respectievelijk € 2.555 en € 39.106 niet kan worden betaald.

Tegenbewijs: Vermogensrendementsheffing 2007 (box 3)

4.38.

Belanghebbende heeft verklaard dat voor het jaar 2007 het saldo van zijn banktegoed bij de [W] Bank van gemiddeld € 2.060.017 tot de rendementsgrondslag behoort (stuk 23 juni 2016, onderdeel 2.52). Het belastbare inkomen ter zake bedraagt € 82.401. De Inspecteur heeft zich daarbij aangesloten.

4.39.

Met betrekking tot de verhuurde onroerende zaken is tussen partijen niet in geschil dat gelet op bijlagen 1 en 2 bij de vaststellingsovereenkomst een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking moet worden genomen van 4 percent van € 7.446.092, ofwel
€ 297.844. Belanghebbende heeft ter zitting verzocht alsnog rekening te houden met de hypothecaire schuld van de [a-straat] 3 te [GG] die niet in de vaststellingsovereenkomst betrokken zou zijn. Het Hof zal belanghebbende daarin niet volgen, aangezien een vaststellingsovereenkomst voor beide daarbij betrokken partijen bindend is (vgl. HR 12 augustus 2005, nr. 40805, ECLI:NL:HR:2005:AU0889). Het Hof is onvoldoende gebleken dat belanghebbende niet aan de vaststellingsovereenkomst gebonden zou zijn, zeker niet nu hij zich beroept op andere afspraken uit deze overeenkomst.

Tegenbewijs: Vermogensrendementsheffing 2008 en 2009 (box 3)

4.40.

Belanghebbende heeft verklaard dat voor de jaren 2008 en 2009 het saldo van zijn banktegoed bij de [W] Bank van gemiddeld € 1.537.231 respectievelijk € 164.435 tot de rendementsgrondslag behoort (stuk 23 juni 2016, onderdeel 2.52). Het belastbare inkomen ter zake bedraagt € 61.489 respectievelijk € 6.577. De Inspecteur heeft zich daarbij aangesloten.

4.41.

Met betrekking tot de verhuurde onroerende zaken zijn partijen bij brief van 25 november 2013 (zie 2.31) overeengekomen dat voor de jaren 2008 en 2009 de waarde van de onroerende zaken verminderd met de schulden ter zake, bij wijze van compromis wordt vastgesteld op € 3.750.000. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt ter zake met € 150.000 verhoogd.

Artikel 1 Eerste Protocol EVRM

4.42.

Belanghebbende betoogt dat het heffen van inkomstenbelasting over de liquidatie-uitkeringen, met name voor zover deze bestaat uit de vordering van € 11.000.000 op [Y] SA en de vordering van € 1.604.178 op [I] BV, strijdig is met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Van een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) tussen de inbreuk op het individuele eigendomsrecht en het algemeen belang is volgens belanghebbende geen sprake nu zij wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende. Ten opzichte van de te belasten verkrijging van deze vorderingen ter waarde van onder meer € 11.000.000 en € 1.604.178 bedraagt de inkomstenbelasting 25 percent, hetgeen niet als buitensporig kan worden aangemerkt. Ook in verhouding tot belanghebbendes individuele financiële situatie ligt het in de rede het bedrag aan verschuldigde belasting te relateren aan de omvang van de belaste verkrijging, zodat ook dan geen buitensporige last kan worden geconstateerd. De omstandigheid dat deze vordering op [Y] SA niet opeisbaar is, doet hier niet aan af, omdat belanghebbendes vermogen wel met een dergelijk bedrag is toegenomen. Evenmin wordt belanghebbende belast voor het verkrijgen van vorderingen die, zoals belanghebbende stelt, geen waarde hebben, gelet op hetgeen het Hof onder 4.16 e.v. en 4.19 heeft overwogen.

Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

4.43.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade als de redelijke termijn in hoger beroep wordt overschreden. Niet in geschil is de vergoeding van immateriële schade zoals die door de Rechtbank is vastgesteld.

4.44.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

4.45.

Vast staat dat de hogerberoepschriften op respectievelijk 5 juni 2015 (2007 tot en met 2009) en 23 juni 2016 (2010) door het Hof zijn ontvangen en dat de hogerberoepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak van het Hof. De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve minder dan twee jaar geduurd, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

Verzoek deskundige te benoemen

4.46.

Belanghebbende heeft verzocht een Franse taxateur als deskundige te benoemen die de waardeontwikkeling van de grond van [M] SA in de periode van 2004 tot en met 2007 in kaart kan brengen, als het Hof niet aanstonds van oordeel is dat de grond in die periode met niet meer dan 43 percent in waarde is gestegen. Het Hof gaat niet in op dit (voorwaardelijke) verzoek om een deskundige te benoemen. Redengevend daarvoor is dat het partijen vrijstaat zelf bewijs te leveren door middel van een deskundige, bijvoorbeeld door het laten uitbrengen van een deskundigenverslag dan wel door een deskundige mee te brengen naar zitting.

Cijfermatige conclusie

4.47.

Gelet op het vorenstaande zal het Hof de (navorderings)aanslagen als volgt vaststellen:

IB/PVV 2007

Box 1

Box 2

Box 3

Aangifte (aangegeven belastbare inkomens)

70.251

2.700

174.293

Tbs-rente vordering [Y] (zie 4.22)

5.815

Tbs-rente vordering [I] (zie 4.25)

27.089

Tbs-rente vordering [K] (zie 4.28)

108

Tbs-rente vordering [L] (zie 4.32)

7.500

Tbs-rente vordering [H] (zie 4.35)

0

Liquidatie-uitkering

Overboeking privé-rekening (zie 4.5)

1.300.000

Overboeking rekening [Y] (zie 4.5)

32.618

Overdracht vordering [Y] (zie 4.18)

11.000.000

Overdracht vordering [I] (zie 4.19)

1.604.178

Minus: Verkrijgingsprijs (zie 4.8)

-/- 31.000

Banktegoed [W] Bank (zie 4.5 en 4.38)

82.401

Onroerende zaken (zie 4.39)

297.844

Belastbaar inkomen

110.763

13.908.496

554.538

IB/PVV 2008

Box 1

Box 2

Box 3

Aangifte (aangegeven belastbare inkomens)

50.757

0

322.036

Tbs-rente vordering [Y] (zie 4.22)

536.360

Tbs-rente vordering [I] (zie 4.25)

80.209

Tbs-rente rek.crt [I] (zie 4.26)

8.040

Tbs-rente vordering [K] (zie 4.28)

2.653

Tbs-rente vordering [L] (zie 4.32)

18.775

Tbs-rente vordering [H] (zie 4.36)

0

Liquidatie-uitkering

Vordering belanghebbende (zie 4.20)

882.601

Banktegoed [W] Bank (zie 4.6 en 4.40)

61.489

Onroerende zaken (zie 4.41)

150.000

Belastbaar inkomen

696.794

882.601

533.525

IB/PVV 2009

Box 1

Box 2

Box 3

Aangifte (aangegeven belastbare inkomens)

51.642

2.700

94.951

Tbs-rente vordering [Y] (zie 4.22)

536.360

Tbs-rente vordering [I] (zie 4.25)

84.219

Tbs-rente vordering [K] (zie 4.28)

9.006

Tbs-rente vordering [L] (zie 4.32)

24.900

Tbs-rente vordering [H] (zie 4.36)

2.555

Onttrekking [Y] (zie 4.9)

94.000

Banktegoed [W] Bank (zie 4.9 en 4.40)

6.577

Onroerende zaken (zie 4.41)

150.000

Belastbaar inkomen

708.682

96.700

251.528

Heffingsrente

4.48.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte heffingsrenten. In zoverre de belastingaanslagen worden gewijzigd, dienen de in rekening gebrachte heffingsrenten dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

Slotsom

Gelet op het vorenstaande dient zowel het principale hoger beroep van belanghebbende als het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.450 (1 punt voor hogerberoepschrift, 0,5 punt voor repliek, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 2, waarde per punt € 490). Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat op grond van zowel de indexeringsregeling van 2 december 2015, nr. 702372, Strcrt. 2015/44577 als de indexeringsregeling van 2 december 2016, nr. 2021822, Strcrt. 2016/67519 voor het proceskostenforfait bepalend is de datum waarop het bezwaar- of beroepschrift is ontvangen. Nu het hoger beroep in 2015 is ingesteld, hanteert het Hof het in 2015 geldende forfait van
€ 490 per punt.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar,

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.763, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 13.908.496 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 554.538,

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 696.794, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 882.601 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 533.525,

- vermindert de aanslag IB/PVV 2009 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 708.682, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 96.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 251.528,

- vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 2.450, en

- gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt van
€ 123 in hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:18 januari 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.