Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2811

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
200.191.051/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Aan man wordt geen fictief inkomen toegerekend in verband met ernstige recidiverende depressies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.191.051/01

(zaaknummer rechtbank C/17/143139 / FA RK 15-1223)

beschikking van 30 maart 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Ras te Almere,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.H. Loos-Horstman te Drachten.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 februari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 2 mei 2016;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s), ingekomen op 6 juli 2016;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 2 september 2016;

- een journaalbericht van mr. Ras van 31 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Loos-Horstman van 26 juli 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Loos-Horstman van 17 augustus 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Ras van 13 januari 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 26 januari 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2000 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. Het huwelijk is op 25 oktober 2006 omgezet in een geregistreerd partnerschap. Vervolgens hebben partijen dit geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvonden op 25 oktober 2006 beëindigd. De afspraken met betrekking tot de beëindiging van het geregistreerd partnerschap zijn vastgelegd in het tussen partijen opgemaakte "echtscheidingsconvenant" d.d. 25 oktober 2006. De beëindiging van het geregistreerd partnerschap is op 25 oktober 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Bij het echtscheidingsconvenant van 25 oktober 2006 zijn partijen - voor zover hier van belang - overeengekomen dat de man, behoudens wijziging van omstandigheden, maandelijks een bedrag van € 1.500,00 aan alimentatie aan de vrouw zal voldoen. Dit bedrag zal jaarlijks worden aangepast op de eerste dag van ieder jaar, voor het eerst op 1 januari 2007 overeenkomstig de tegen het einde van ieder jaar van overheidswege vast te stellen index. Bij de vaststelling van dit bedrag hebben partijen mede in overweging genomen dat de vrouw in haar woning zou moeten kunnen blijven wonen en dat zij daarnaast voor een parttime dienstverband in loondienst is en blijft bij de vennootschap van de man.

3.3

Bij beschikking van 1 februari 2012 heeft de rechtbank Leeuwarden het verzoek van de vrouw om de bij het echtscheidingsconvenant d.d. 25 oktober 2006 overeengekomen alimentatie en de jaarlijkse indexering vanaf 1 januari 2007 vast te leggen in een beschikking toegewezen en bepaald dat de man met ingang van de dag van ontbinding van het geregistreerd partnerschap een bedrag van € 1.500,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling - voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken - te voldoen, vermeerderd met de jaarlijkse indexering vanaf 1 januari 2007.

3.4

Bij beschikking van dit hof van 11 juni 2013 is de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 1 februari 2012 bekrachtigd voor zover het betreft de vaststelling van de door de man te betalen partneralimentatie over de periode van 25 oktober 2006 tot en met 30 juni 2011 en vernietigd voor zover het betreft de vaststelling over de periode vanaf 1 juli 2011. Het hof heeft voor de periode vanaf 1 juli 2011, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw:

- met ingang van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 met een bedrag van € 315,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 met een bedrag van € 319,10 per maand;

- met ingang van 1 januari 2013 met een bedrag van € 324,52 per maand.

3.5

De man heeft op 1 juni 2011 voor het laatst de partnerbijdrage van € 1.500,- per maand betaald en vervolgens niet meer. De activiteiten in de ondernemingen van de man zijn gestaakt. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] BV is geliquideerd op 14 juli 2015 en de eenmanszaak [D] is gestaakt per 2 januari 2014. Sinds november 2013 heeft de man geen werk meer.

3.6

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 23 juli 2015, heeft de man de rechtbank verzocht:
primair: de verplichting van de man om met enig bedrag bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, welke verplichting is ingegaan per 25 oktober 2006, te limiteren tot en met 30 juni 2013;

subsidiair: de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen op nihil per 1 juli 2013, dan wel meer subsidiair per 1 november 2013, dan wel uiterst subsidiair met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie mag vermenen te behoren. De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van dit hof van 11 juni 2013 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 23 juli 2015 dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 90,- per maand, telkens bij vooruitbetaling - voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken - te voldoen.

4.2

De man heeft het hof in het principaal hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de beschikking van dit hof van 11 juni 2013 aldus te wijzigen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud primair met ingang van 1 juli 2011 wordt bepaald op nihil, subsidiair met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen andere datum, meer subsidiair met ingang van 23 juli 2015.

4.3

Bij het verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift, heeft de vrouw het principaal hoger beroep van de man bestreden en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in het principaal hoger beroep, althans hem dit te ontzeggen. De vrouw heeft het hof in het incidenteel hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man niet-ontvankelijk is in zijn wijzigingsverzoek althans dat hem dit moet worden ontzegd.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

De ingangsdatum

5.1

De man kan zich er niet mee verenigen dat de rechtbank de wijziging van de partneralimentatie eerst met ingang van 23 juli 2015 heeft laten ingaan. De man stelt zich (primair) op het standpunt dat de wijziging dient in te gaan op 1 juli 2011, nu hij vanaf die datum geen bijdrage meer heeft kunnen voldoen.

5.2

Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt om de ingangsdatum van een (eventueel) gewijzigde onderhoudsbijdrage te bepalen op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, in casu 23 juli 2015. Eerst per die datum heeft de vrouw er rekening mee kunnen houden dat de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud zou worden verlaagd.

Wijziging van omstandigheden

5.3

De vraag die thans ter beantwoording voorligt is of zich na het arrest van het hof van 11 juni 2013 een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW heeft voorgedaan.

5.4

Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat de financiële situatie van de man aanzienlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van de beschikking van dit hof van 11 juni 2013. Vast staat dat de man zijn ondernemingsactiviteiten heeft gestaakt. De eenmanszaak [D] is per 2 januari 2014 uitgeschreven uit het handelsregister. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] BV is geliquideerd op 14 juli 2015. Uit de aangifte Inkomstenbelasting over 2014 komt naar voren dat de man in dat jaar geen inkomen had. Er zijn geen gegevens beschikbaar over 2015 en 2016, maar naar het oordeel van het hof is, op grond van onder meer de brief van [E] van 29 december 2016 - bij welke instelling de man in april 2015 is aangemeld en sindsdien in behandeling is - voldoende vast komen te staan dat de man thans nog altijd geen inkomen genereert. Er is daarom naar het oordeel van het hof, anders dan de vrouw stelt, sprake van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, die een hernieuwde beoordeling van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw rechtvaardigt.
De draagkracht van de man

5.5

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de wijziging van omstandigheden is overwogen, is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de man (in ieder geval) vanaf 2014 geen inkomen heeft. Resteert de vraag of in redelijkheid van de man kan worden gevergd dat hij betaalde werkzaamheden gaat verrichten.

5.6

Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat van de man niet kon en ook op dit moment niet kan worden gevergd dat hij betaalde werkzaamheden gaat verrichten. Uit de brief d.d. 29 december 2016 van [F] (psychiater) en [G] (klinisch psychologe) van [E] komt naar voren dat er bij de man in de loop der jaren een toenemend ernstig patroon is geweest van recidiverende depressies, burn-out klachten en alcoholproblemen. Hij is daarvoor een aantal keren psychiatrisch opgenomen, in verband met crises en ernstige suïcidaliteit. In het ontstaan van het patroon speelt volgens [E] werk een belangrijke rol. Hoewel de man zijn alcoholgebruik op dit moment vrijwel geheel onder controle heeft, hij nog schematherapie volgt en er geen recidive van de depressie meer is opgetreden, acht [E] de man op dit moment nog niet geschikt om werk met de nodige stressbelasting aan te gaan. Het hof is van oordeel dat de man met deze onderbouwing van zijn medische situatie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment geen betaalde arbeid kan verrichten. Dat de man wel onbetaalde werkzaamheden in de kringloopwinkel verricht doet daar niet aan af, nu dit werk blijkens de brief van [E] voor hem een nuttige, zinvolle dagbesteding is, die hij zonder stress kan doen, en die daarmee naar het oordeel van het hof ook in het belang van zijn re-integratie moet worden geacht. Ter zitting heeft de man naar voren gebracht dat hij zich heeft aangemeld voor een behandeltraject bij [H] , waar hij 1,5 maand intern zal verblijven en daarna nog een jaar lang één dag per week. Het hof is van oordeel dat de man zich hiermee afdoende inspant om toe te werken naar een situatie waarin hij zijn verdiencapaciteit weer te gelde zal kunnen maken. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat dit binnen de nog resterende duur van zijn alimentatieplicht het geval zal zijn.

5.7

De vrouw stelt zich op het standpunt dat van de man verlangd mag worden dat hij, als hij niet in staat is om een inkomen te genereren, een uitkering ingevolge de Participatiewet aanvraagt. Daargelaten of het aanvragen van zo een uitkering van de man kan worden gevergd, staat vast dat ook als hij deze uitkering wel zou ontvangen, hij onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Naar het oordeel van het hof dient de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw daarom met ingang van 23 juli 2015 te worden bepaald op nihil.

5.8

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen slaagt de grief van man met betrekking tot zijn (fictieve) inkomen en faalt het incidenteel appel van de vrouw. Het hof komt niet meer toe aan het bespreken van de overige grieven van de man

5.9

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 februari 2016, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2013 aldus dat de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 23 juli 2015 op nihil wordt gesteld;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, J.G. Idsardi en I.F. Clement en is op 30 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.