Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2810

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
200.187.978/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenhoofdig gezag. Relatie tussen de ouders ernstig verstoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.187.978/01

(zaaknummer rechtbank C/17/143198 / FA RK 15-1250)

beschikking van 30 maart 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: thans mr. M.C. Lugard-van Beijma te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.L. Marijs te Lemmer.

Als informant is aangemerkt:

het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 december 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 maart 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- het proces-verbaal van de zitting van 24 november 2015 van de rechtbank;

- een brief van de GI, binnengekomen op 19 augustus 2016, met productie(s);

- een brief van de bijzondere curator van 19 augustus 2016;

- een journaalbericht van mr. Marijs van 1 december 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Lugard-Van Beijma van 17 februari 2017;

- een journaalbericht van mr. Marijs van 21 februari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Lugard-Van Beijma van 23 februari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Lugard-Van Beijma van 23 februari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Lugard-Van Beijma van 24 februari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Marijs van 27 februari 2017 met productie(s).

2.2

Op 12 december 2016 zijn [de jong-meerderjarige] (hierna: [de jong-meerderjarige] ), geboren [in] 1999, en [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2003, ieder gehoord door een raadsheer-commissaris.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 7 maart 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens waren mevrouw mr. [B] en de heer [C] namens de GI in de hoedanigheid van informanten aanwezig. Mr. Lugard-Van Beijma en mr. Marijs hebben ieder het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] . Partijen oefenden - tot de datum van de bestreden beschikking - gezamenlijk het gezag over [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] uit.

3.2

Bij beschikking van 23 april 2014 heeft de kinderrechter [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 27 mei 2015 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 23 april 2016. Nadien is de ondertoezichtstelling niet verlengd.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift van 24 juli 2015 heeft de moeder de rechtbank verzocht te bepalen dat uitsluitend de moeder voortaan zal zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

3.4

Bij beschikking van 30 september 2015 is mr. [D] tot bijzondere curator benoemd ten behoeve van de belangenbehartiging van de minderjarigen naar aanleiding van een verzoek van [de jong-meerderjarige] . De rechtbank heeft de taak van de bijzondere curator uitgebreid in verband met de onderhavige gezag kwestie, in die zin dat de bijzondere curator aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling van de gezag zaak en namens de minderjarigen hun stem zal uitbrengen.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de moeder voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] zal zijn belast waarbij het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.6

[de jong-meerderjarige] heeft [in] 2017 de leeftijd van achttien jaar bereikt.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 december 2015. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.2

De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan wel dat het verzoek van de moeder in deze moet worden afgewezen, dan wel dat een beslissing van het hof dient te worden aangehouden in afwachting van de uitkomsten van een traject uitgevoerd door een onafhankelijke organisatie om de onderlinge communicatie tussen partijen te verbeteren, dan wel dat het hof een beslissing neemt zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren. De moeder heeft het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Het hof stelt voorop dat het hof bij de beoordeling de brieven die [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] in 2014 zouden hebben opgesteld buiten beschouwing laat, nu de vader de authenticiteit hiervan heeft betwist.

5.3

Voor zover de vader heeft gesteld dat het raadsrapport van 31 maart 2014 dat ten grondslag heeft gelegen aan de ondertoezichtstelling niet zorgvuldig tot stand is gekomen, nu zijn op- en/of aanmerkingen op het rapport nimmer door de raad voor de kinderbescherming zijn bijgevoegd en de kinderrechter die de ondertoezichtstelling heeft uitgesproken hiervan niet op de hoogte was, gaat het hof daaraan voorbij. Het hof acht deze stelling - wat er verder ook van zij - niet ter zake dienend voor de onderhavige beslissing.

5.4

Het hof is op grond van de stukken en de behandeling ter zitting met de rechtbank van oordeel dat het belang van de kinderen vereist dat het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen gewijzigd wordt naar eenhoofdig gezag van de moeder. Het hof heeft daarbij het volgende in overweging genomen.

5.5

Het ouderlijk gezag omvat op grond van artikel 1:247 BW de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt mede verstaan de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Het ouderlijk gezag brengt een aantal bevoegdheden en verantwoordelijkheden met zich, die nodig zijn voor de in voormeld kader te nemen beslissingen, waarbij gedacht moet worden aan zaken als de schoolkeuze, medische behandelingen, levensbeschouwelijke aangelegenheden of vrijetijdsbesteding. In geval van gezamenlijk gezag worden dergelijke beslissingen samen met de andere gezaghebbende ouder genomen.

5.6

Voor gezamenlijk gezag is dan ook vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn om vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel op een wijze die niet belastend is voor het kind en die zijn veiligheid niet in gevaar brengt zodat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

5.7

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat partijen niet in staat zijn tot de voor de uitoefening van gezamenlijk gezag noodzakelijke communicatie. De relatie tussen partijen is ernstig verstoord en zij communiceren daardoor al geruime tijd niet meer met elkaar. Naar het oordeel van het hof valt niet te verwachten dat partijen binnen afzienbare tijd wel in staat zijn tot de voor het gezamenlijk gezag vereiste minimale communicatie. Hoewel uit de stukken en de behandeling ter zitting naar voren komt dat de GI tijdens de ondertoezichtstelling diverse pogingen heeft ondernomen om de communicatie tussen de ouders te verbeteren en met de ouders tot samenwerking te komen over de kinderen, heeft dat niet tot een positief resultaat geleid. Het hof verwacht dan ook niet dat dit partijen thans binnen afzienbare termijn op eigen kracht wel zal lukken.

5.8

De vader heeft gesteld dat de huidige situatie is ontstaan als gevolg van de tekortschietende handelwijze van de GI tijdens de ondertoezichtstelling. Ook is hij van mening dat er ernstige zorgen ten aanzien van de kinderen bestaan in de thuissituatie bij de moeder. Volgens de vader is bij de kinderen sprake van ouderverstoting en heeft de moeder last van psychische problematiek. Het hof constateert dat de vader alleen staat in zijn visie omtrent het verloop van de ondertoezichtstelling en het welbevinden van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder. Dat de vader, zoals hij stelt, immer heeft meegewerkt en heeft willen meewerken aan de voorgestelde behandelingen en gesprekken en de moeder degene was die dikwijls niet meewerkte, vindt volstrekt geen steun in de stukken. Integendeel, op grond van de stukken concludeert het hof juist dat het de vader was die niet openstond voor gesprekken en een constructieve samenwerking met de GI, ondanks diverse inspanningen daartoe van de zijde van de GI. Aan de stelling van de vader dat hij vanaf het begin af aan is uitgerangeerd, gaat het hof dan ook voorbij. Dat er sprake zou zijn van ernstige zorgen ten aanzien van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder, is niet gebleken. De GI heeft tijdens de ondertoezichtstelling regelmatig contact gehad met verschillende personen en hulpverleners die betrokken zijn (geweest) bij de moeder en de kinderen, en er is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen voor de door de vader gestelde zorgen. Weliswaar ondergaat [de jong-meerderjarige] een behandeling voor een complexe posttraumatische stressstoornis en zal worden onderzocht of bij [de minderjarige] sprake is van een trauma, maar geenszins is gebleken dat de oorzaak van het ontstaan hiervan in de opvoedingssituatie bij de moeder is gelegen. De stelling van de vader dat uit de rapportage van [E] van 17 maart 2014 blijkt dat hij niet de oorzaak is van de problematiek bij de kinderen, leest het hof hierin niet en leidt - wat hier verder overigens ook van zij - niet tot een ander oordeel.

5.9

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is het hof van oordeel dat de vader enkel uit is op een gekleurde waarheidsvinding waarbij hij slechts openstaat voor een visie die passend is bij zijn beleving van de situatie. De vader lijkt daarbij het belang van de kinderen geheel uit het oog te zijn verloren. De GI heeft in zijn brief van 22 februari 2016 aan de vader op niet mis te verstane wijze aangegeven dat er zorgen zijn over de wijze van communiceren van de vader, waarbij hij zijn mening als de waarheid presenteert en geen enkele ruimte laat voor een ander standpunt. De GI heeft te kennen gegeven dat de vader door het uiten van zijn zorgen ten aanzien van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] steeds meer geïsoleerd raakt, aangezien deze zorgen niet aansluiten bij de beleving van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] en niet worden herkend door personen of instanties die bij hen betrokken zijn. De wijze waarop de vader zijn mening geeft en de eisen die hij stelt om zijn standpunt te kunnen effecturen, leiden volgens de GI juist tot meer afstand tussen de kinderen en hem. Het hof deelt deze visie van de GI. Evenals de GI acht het hof noodzakelijk dat de vader zich open stelt voor de belevingswereld van de kinderen in de relatie tot de vader en aansluit bij hun behoeften, alvorens ruimte kan ontstaan voor enig herstel van het contact tussen de kinderen en de vader.

5.10

Anders dan de vader heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding om partijen een traject te laten volgen voor het verbeteren van hun onderlinge communicatie. Het hof acht een dergelijk traject een gepasseerd station. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft er tevergeefs maximale intensieve begeleiding ten aanzien van het gezin plaatsgevonden, ook gericht op de onderlinge communicatie, en kan nu geen andere conclusie worden getrokken dan dat niet te verwachten valt dat de ouders binnen afzienbare termijn in staat zijn hun onderlinge communicatie te verbeteren.

5.11

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen (verder) klem of verloren raken tussen de ouders als het gezamenlijk gezag voortduurt. Eenhoofdig gezag biedt duidelijkheid en brengt de voor de kinderen hoogst noodzakelijke rust. Inmiddels is gebleken dat de kinderen dat ook als zodanig ervaren. Hetgeen de vader voor het overige heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

5.12

Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat een wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De beslissing van de rechtbank om de moeder, bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben, voortaan alleen te belasten met het gezag over de kinderen, zal het hof dan ook bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 23 december 2015;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, G.M. van der Meer en A.W. Beversluis en is op 30 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.