Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2711

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
WAHV 200.183.286
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gedaan verzoek tot aanvulling van gronden van het beroep. Twijfel over aanwezigheid bebording niet weggenomen door recent proces-verbaal: redenen van wetenschap ontbreken. Vernietiging beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.183.286

29 maart 2017

CJIB 180575832

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 28 oktober 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

kantoorhoudende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 maart 2017. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.E. Joha.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene verzoekt onder andere de in beroep bij de kantonrechter aangevoerde gronden tegen de beslissing van de officier van justitie als ingelast te beschouwen. Ter zitting van het hof heeft de gemachtigde van de betrokkene ter toelichting hierop er onder meer over geklaagd dat de officier van justitie op het beroep heeft beslist zonder de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid te stellen de gronden van het beroep in te dienen. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie moeten vernietigen, aldus de gemachtigde.

2. De gemachtigde van de betrokkene heeft bij brief d.d. 17 mei 2014 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Daarin heeft hij onder meer het volgende geschreven:

"Cliënt(e) is het niet eens met de aan hem/haar opgelegde sanctie en stelt daartegen hierbij administratief beroep in op nader aan te voeren gronden…. Voorshands betwist ik namens cliënt(e) in algemene zin dat de overtreding is begaan en betwist ik de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmethode(n). Voordat ik de rechtmatigheid van de beschikking kan beoordelen zal ik namens cliënt nadere stukken opvragen bij de instanties die ik daarvoor geschikt acht. Na ontvangst van die stukken ben ik in de gelegenheid om, zo die er zijn, gronden aan te voeren tegen genoemde beschikking. Ik verzoek u mij daarvoor een termijn te verlenen."

3. Het hof stelt, onder verwijzing naar het arrest van het hof van 22 december 2016, rechtsoverweging 8, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:10365, vast dat het beroepschrift wel gronden bevat, namelijk de betwisting (in algemene zin) dat de gedraging is begaan en de betwisting van de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmethode. Het hof begrijpt het verzoek in het administratief beroepschrift aldus dat het strekt tot het verkrijgen van gelegenheid tot het aanvullen van gronden. Het hof is, anders dan de advocaat-generaal ter zitting van het hof, van oordeel dat wel sprake is van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gedaan verzoek om een nadere termijn te stellen voor het aanvullen van gronden, zoals bedoeld in overweging 13 van genoemd arrest. Dit brengt mee dat de officier van justitie de gemachtigde de gelegenheid had moeten bieden om de gronden van het beroep aan te vullen, nu niet kan worden gezegd -en de advocaat-generaal heeft dit ook niet gedaan- dat een redelijk belang bij inwilliging van dit verzoek ontbreekt.

4. Uit het dossier blijkt niet dat de officier van justitie de gemachtigde gelegenheid heeft geboden voor aanvulling van de gronden van het beroep. Nu dit niet is gebeurd, moet dit leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie.

5. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de gemachtigde tegen deze beslissing geen bespreking meer behoeven.

6. Vervolgens dient het hof het beroep tegen de inleidende beschikking te beoordelen.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 162,- opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (bord A1 30 km/h) met 9 km/u”, welke gedraging zou zijn verricht op 26 maart 2014 om 06:24 uur op de Hoge Rijndijk te Nieuwerbrug aan den Rijn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

8. In geding is de vraag of op 26 maart 2014 voor verkeer dat vanaf de Korte Waarder de Burgemeester Bruntstraat in reed, was aangegeven dat de voor de bebouwde kom geldende maximumsnelheid van 50 km/h werd verlaagd naar 30 km/h en de bestuurder ten tijde van de gedraging op de hoogte kon zijn van deze verlaagde maximumsnelheid, zoals de advocaat-generaal stelt en de gemachtigde van de betrokkene van meet af aan betwist.

9. Het hof stelt voorop dat in WAHV-zaken de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag biedt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

10. In het dossier bevindt zich een foto die van de gedraging is gemaakt. Daarop is de achterzijde te zien van het in de inleidende beschikking genoemde voertuig.

In het dossier bevindt zich verder het aanvullend proces-verbaal van de verbalisant d.d. 31 augustus 2014. De verbalisant verklaart daarin zakelijk weergegeven het volgende. Verkeer dat vanaf de A12 Nieuwerbrug aan den Rijn binnenrijdt, moet om op de Hoge Rijndijk te kunnen komen doorrijden naar het kruispunt Korte Waarder - Burgemeester Bruntstraat. Aan het begin van de Burgemeester Bruntstraat is duidelijk zichtbaar een bord geplaatst met de maximumsnelheid, zone 30 km/h. Voorafgaande aan de door hem op 26 maart 2014 gehouden controle heeft verbalisant de bebording gecontroleerd en geconstateerd dat deze duidelijk zichtbaar was. Alle auto's die Nieuwerbrug uitrijden worden aan de achterzijde gefotografeerd.

11. De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof en met instemming van de gemachtigde van de betrokkene in het geding gebracht een op 9 augustus 2016 door [verbalisant 2] opgemaakt proces-verbaal. Dit houdt voor zover van belang in dat de gemeente Bodegraven-Reeuwijk op 7 maart 2014 de bij het proces-verbaal gevoegde foto heeft gemaakt. Het hof stelt vast dat op die foto te zien is dat net voor de school aan de Burgemeester Bruntstraat aan de rechterzijde van de weg een zonebord A1 30 staat.

12. De gemachtigde van de betrokkene betwist van meet af aan dat er ten tijde van de gedraging een bord A1 30 km/u op genoemde kruising stond. Op foto's die de gemachtigde in de procedure bij de kantonrechter heeft overgelegd en die zich bij de stukken bevinden, staat dit bord niet. Met betrekking tot de door de advocaat-generaal in het geding gebrachte foto heeft de gemachtigde ter zitting van het hof onder andere aangevoerd dat het opmerkelijk is dat er eerst nu een foto opduikt waaruit blijkt dat het relevante bord er wel zou staan, terwijl uit alle voorgaande fotoreportages én Google Maps het tegendeel blijkt. De foto is niet gedagtekend, is niet gemaakt door een verbalisant die de ambtsbelofte of - eed heeft afgelegd en het is onbekend wie de foto wanneer heeft gemaakt, aldus de gemachtigde van de betrokkene.

13. Het hof is van oordeel dat, gelet op de foto’s van de kruising Korte Waarder - Burgemeester Bruntstraat die de gemachtigde kort na de vermeende gedraging heeft ingestuurd, twijfel bestaat of zich ten tijde van de gedraging een (zone) bord A1: '30 km/u' op die kruising bevond, zoals de verbalisant heeft verklaard. Die twijfel is niet weggenomen door het proces-verbaal van [verbalisant 2] en de daarbij gevoegde foto, omdat niet blijkt op welke wijze en van welke bron de verbalisant heeft vernomen dat de foto is gemaakt op 7 maart 2014, kort voor de gedraging. Het proces-verbaal vermeldt geen redenen van wetenschap van de waarneming van de verbalisant.

14. Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen.

15. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hof wijst voor de beslissing op het kostenverzoek naar zijn arrest van heden in de samenhangende zaak WAHV 200.183.346 en verder.

Beslissing

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover deze betrekking heeft op de onderhavige zaak;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

vernietigt de beschikking waarbij onder de CJIB-nummer 180575832 een administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.