Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:270

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
200.191.215
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Geen verlies van bestaand vooruitzicht op uitkeringen. Geen misbruik van bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/88
PFR-Updates.nl 2017-0129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.191.215

(zaaknummer rechtbank Gelderland 293754)

beschikking van 17 januari 2017

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H. Kroon te Hilversum,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.L. van Olst te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 februari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 mei 2016;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Olst van 2 december 2016 met productie, ingekomen op dezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 december 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

Partijen zijn op 9 oktober 1970 in de gemeente Arnhem met elkaar gehuwd.

4. De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bij de bestreden beschikking op verzoek van de vrouw tussen partijen uitgesproken echtscheiding. In eerste aanleg heeft de man geen verweer gevoerd.

4.2

De man is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 februari 2016. De man beoogt met zijn hoger beroep het geschil in volle omvang aan de orde te stellen. De man verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking waarbij de echtscheiding werd uitgesproken, te vernietigen.

4.3

De vrouw voert verweer in het principaal hoger beroep en is met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De eerste grief ziet op misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De tweede grief ziet op de proceskostenveroordeling van de man.

De vrouw verzoekt in het principaal hoger beroep, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen, en in het incidenteel hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de man is gehouden de helft van het bedrag dat hij aan pensioen heeft

verkregen voor zover dat betrekking heeft op de opbouw tijdens de huwelijkse

periode, over de periode 25 juni 2016 tot aan de datum van inschrijving van de

echtscheiding, met bijtelling van de wettelijke rente, te vergoeden aan de vrouw,

waarbij voor de hoogte van het maandelijks verschuldigde bedrag kan worden

aangesloten bij het bedrag dat de vrouw uit hoofde van pensioenverevening na de

echtscheiding maandelijks verkrijgt, te voldoen door de man binnen een maand na

inschrijving van de echtscheiding, terwijl bij gebreken van voldoening dit bedrag

direct opeisbaar wordt;

- de man te veroordelen in de proceskosten, met specificatie van het in dat kader

verschuldigde bedrag,

althans een beslissing te nemen als het hof juist acht.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw voert als meest verstrekkende verweer aan dat de man heeft nagelaten één of meerdere concrete grieven te formuleren, waardoor zij wordt geschaad in haar procesvoering. Het beroep van de man dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de vrouw.

Naar het oordeel van het hof heeft de man in zijn beroepschrift voldoende kenbare grieven naar voren gebracht. Uit hetgeen de vrouw in haar verweerschrift aanvoert, blijkt voorts dat zij het beroepschrift aldus heeft opgevat dat de man een grief heeft ingesteld tegen de hierin uitgesproken echtscheiding en dat zij vervolgens daarop verweer heeft gevoerd. Dit verweer heeft zij nader toegelicht ter mondelinge behandeling. Dat de vrouw in haar procesvoering is geschaad is daarom niet gebleken. Het verzoek van de vrouw om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, zal het hof afwijzen.

5.2

De man stelt in zijn beroepschrift dat toewijzing van het echtscheidingsverzoek ertoe leidt dat hij een bestaand vooruitzicht op uitkeringen verliest. Hij beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 1:153 Burgerlijk Wetboek (BW). In dit kader wijst hij erop dat partijen zijn gehuwd onder het maken van huwelijksvoorwaarden en dat zij op 28 maart 1985 ieder voor de onverdeelde helft een woning in eigendom hebben verkregen. Deze woning maakte deel uit van een landgoed dat is ingebracht in een besloten vennootschap die toebehoort aan de broer van de vrouw. Na een verstoring van de familieverhoudingen is op enig moment een terugkoop van de woning door de broer, dan wel zijn vennootschap, met partijen overeengekomen, waarbij de koopsom van € 760.930,- in maandelijkse termijnen aan partijen zou worden voldaan. Het ging oorspronkelijk om een bedrag van € 4.166,67 per maand, gedurende 20 jaar te voldoen. Deze termijnen hielden tevens een rentevergoeding in. Via zijn vennootschappen heeft de broer van de vrouw er voor gezorgd dat de afgelopen jaren alleen betalingen zijn voldaan aan de vrouw en niet aan de man. Naar de man stelt moeten de betalingen worden gezien als een pensioenvoorziening. Ook de pensioenaanspraken zijn niet verdeeld, aldus de man. Zowel omtrent de verdeling van het pensioen, alsmede omtrent de daarmee samenhangende aanspraken op de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning dient een voor beide partijen redelijke voorziening te worden getroffen alvorens de echtscheiding kan worden uitgesproken.

5.2

De vrouw voert op haar beurt aan dat, voor zover de man een beroep doet op artikel 1:153 BW, dat artikel alleen ziet op nabestaandenpensioen. De vrouw heeft echter geen nabestaandenpensioen opgebouwd. Dat als gevolg van de echtscheiding een bestaand vooruitzicht van de man op nabestaandenuitkering verloren zal gaan of verminderd zal worden, staat dus geenszins vast, aldus de vrouw. De man heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd die zijn stellingen ondersteunen, zodat de grief van de man dient te falen. De aanspraak van de man op een deel van de maandelijkse termijnen in verband met de verkoop van de woning is niet als zodanig te beschouwen.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:151 BW kan de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten worden uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is duurzaam ontwricht indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen.

Ter mondelinge behandeling is gebleken dart partijen al geruime tijd niet meer samenwonen en dat er is geen vooruitzicht op herstel van de behoorlijke echtelijke verhoudingen. Dit betekent dat in beginsel is voldaan aan de voorwaarden voor echtscheiding .

5.4

Dit is anders, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert. Indien dat geval kan de echtscheiding ingevolge artikel 1:153 BW niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten.

Met de vrouw is het hof evenwel van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:153 BW. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:153 BW blijkt immers dat dit artikel niet ziet op de situatie dat als gevolg van de echtscheiding als juridisch feit een bestaand recht op een uitkering uit hoofde van een ouderdomspensioen verloren zal gaan of zal verminderen, maar uitsluitend als dit het geval is met betrekking tot een bestaand recht op een uitkering uit hoofde van een nabestaandenpensioen of daarmee vergelijkbare uitkeringen, zoals die krachtens levensverzekering. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking de door de vrouw aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 18 september 2009 (ECLI:HR:2009:BI9625), alsmede de daarbij behorende conclusie van de Advocaat-Generaal. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw een nabestaandenpensioen heeft opgebouwd. De vrouw heeft zelfs een stuk overgelegd waaruit blijkt dat zij geen nabestaandenpensioen heeft opgebouwd. Ook van opbouw van een vergelijkbare uitkering aan de zijde van de vrouw is geen sprake. Reeds hierom faalt het beroep van de man op artikel 1:153 BW.

5.5

De vrouw voert met haar eerste grief in het incidenteel hoger beroep aan dat de man ten onrechte hoger beroep heeft ingesteld tegen de echtscheiding en dat, door dit toch te doen, sprake is van misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW. De man heeft volgens de vrouw hoger beroep ingesteld met het enkele doel de inschrijving van de echtscheidingbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te vertragen. In haar tweede grief voert de vrouw aan dat de man een bij voorbaat kansloos hoger beroep heeft ingesteld tegen de echtscheiding en dat daarom een proceskostenveroordeling van de man is gerechtvaardigd.

5.6

Artikel 3:13 BW lid 1 bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

5.7

Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit moet blijken dat de man misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid hoger beroep in te stellen tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, in die zin dat hij deze bevoegdheid heeft uitgeoefend met geen ander doel dan de vrouw te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of dat de man, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen zijn belang bij de uitoefening van die bevoegdheid en het belang van de vrouw dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

De vrouw stelt in dit kader slechts dat de man beroep heeft ingesteld om de inschrijving van de echtscheiding te vertragen en dat de man had behoren te weten dat zijn beroep niet zou slagen, temeer nu hij zich laat bijstaan door een advocaat. Naar het oordeel van het hof is deze door de vrouw gestelde veronderstelling onvoldoende om te kunnen oordelen dat is voldaan een de (strenge) vereisten die nodig zijn voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:13 BW.

Om dezelfde reden ziet het hof onvoldoende aanleiding voor toewijzing van het verzoek van de vrouw om de man - in afwijking van de gangbare gang van zaken in familiezaken - in de proceskosten te veroordelen. Daarmee falen zowel de eerste als de tweede grief van de vrouw.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt het hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

6.3

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van

11 februari 2016;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, R. Feunekes en

I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door de griffier, en is op 17 januari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.