Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2684

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
200.194.425/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Spoedeisend belang. Vordering tot verwijdering, of beperking duur, van registratie in Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2017/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.194.425/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/147541 / KG ZA 16-67)

arrest in kort geding van 28 maart 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M. van Mourik, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

Coöperatieve Rabobank U.A.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Rabobank,

advocaat: mr. C.R.E. ten Cate, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven (met producties);
- de memorie van antwoord (met producties);
- de akte uitlating producties aan de zijde van [appellante] ;
- de antwoordakte tevens akte overlegging producties aan de zijde van de Rabobank;
- de antwoordakte aan de zijde van [appellante] .
Vervolgens hebben partijen stukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.2

De vordering van [appellante] in hoger beroep strekt ertoe dat het vonnis van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en dat haar oorspronkelijke vorderingen alsnog worden toegewezen.

2 De vaststaande feiten

2.1

De voorzieningenrechter heeft de feiten vastgesteld. Het hof sluit bij de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten aan, voor zover daartegen geen bezwaar is gemaakt. Deze feiten komen, aangevuld met wat andere feiten, op het volgende neer.

2.2

[appellante] is de partner van de heer [C] (hierna: [C] ). [C] was in 2014 [C] was eigenaar van Handelsonderneming [D] , een kringloopwinkel in

[E] .

2.3

In verband met de voorgenomen aankoop van een woning is op 8 april 2014 namens [C] en [appellante] , die toen 19 jaar oud was, door Groenhout Financiële Dienstverlening een aanvraag ingediend bij de Rabobank voor een hypothecaire lening van
€ 300.000,-. Bij deze aanvraag werden salarisspecificaties van [C] en [appellante] overgelegd. [appellante] zou blijkens de bij de hypotheekaanvraag overgelegde salarisspecificaties een dienstverband hebben bij deze kringloopwinkel en € 3.200,- bruto per vier weken verdienen. Op 11 april 2014 zijn op verzoek van de Rabobank werkgeversverklaringen ten aanzien van [C] en [appellante] aan de Rabobank verstrekt.

2.4

Op 17 april 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de Rabobank en [C]

en [appellante] omtrent de hypotheekaanvraag. De Rabobank heeft [C] en [appellante]

aan het einde van het gesprek meegedeeld dat zij de hypotheekaanvraag afwees. In het gespreksverslag dat naar aanleiding van dit gesprek is opgesteld, is onder meer het volgende vermeld:
Conclusie
Mevrouw werkt voor het bedrijf (handelsonderneming [D] ) van haar vriend en hoewel het salaris hoog is kan het bedrag wel door de heer [C] verklaard worden. Feit blijft dat meneer als eigenaar van [D] zelf de hoogte van het salaris van zijn personeel kan bepalen (in dit geval zijn vriendin). De ontvangst van de salarisbetaling is niet geheel sluitend. Dit komt vooral omdat eerst een gedeelte via de Rabobank is ontvangen en daarna een gedeelte via de Regiobank. Hierdoor is er niet altijd een duidelijke relatie tussen de geldstromen en haar salaris.
Tijdens het gesprek had ik het idee dat de klant zich van de “domme” hield. Mevrouw heeft niets gezegd behalve dat ze er geen verstand van heeft.
Door ons [F] en [G] wordt, naar aanleiding van de bevindingen en het gesprek het volgende geconcludeerd:
thans niet kunnen bewijzen of door de klanten “Valsheid in geschrifte” is gepleegd op grond waarvan de Rabobank aangifte zou kunnen doen. De administratie van de klant lijkt een “rommeltje”. Door onduidelijke vastlegging en ondoorzichtige betaalstromen kan niet alles worden verklaard. Maar dit is meer voor de belastingdienst om hier een oordeel over te geven. Maar er is geen bewijs dat de klant niet integer handelt.
Aan het eind van het gesprek de klant medegedeeld dat de bank de klant niet kan financieren omdat de continuïteit van de ontvangsten van het PGB budget mijns inziens niet vast te stellen is. Aangegeven dat de bank het risico te hoog acht en hier geen financiering op kan verstrekken.

2.5

Op 23 april 2014 is bij de Rabobank online een doorlopend krediet aangevraagd ter

hoogte van € 20.000,-. In het online ingevulde aanvraagformulier is aangegeven dat de

aanvraag werd ingediend door [appellante] , dat zij een ongehuwde alleenstaande vrouw

was met een bruto inkomen per maand van € 3.200,- en dat het inkomen van haar partner

€ 0,- bedroeg.

2.6

Na deze kredietaanvraag heeft de Rabobank aanvullend onderzoek uitgevoerd en

[appellante] en [C] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek, waarvan een gespreksverslag is opgesteld, heeft plaatsgevonden op 8 mei 2014. [appellante] was niet bij dit gesprek aanwezig. Volgens [C] was zij niet aanwezig, omdat hij haar niet had ingelicht over het gesprek. Tijdens dit gesprek heeft de Rabobank aan [C] de resultaten van haar onderzoek voorgehouden. [C] heeft daarop toegegeven dat de bij de hypotheekaanvraag overgelegde salarisspecificatie van hem in opdracht van hem valselijk was opgemaakt door Administratiekantoor Siemen [H] , dat de overgelegde werkgeversverklaring die op zijn naam stond valselijk door hem was opgemaakt en dat hij de overgelegde werkgeversverklaring die op naam van [appellante] stond door een vrijwilliger van Handelsonderneming [D] had laten invullen en ondertekenen. Volgens [C] was [appellante] van dit alles niet op de hoogte. De salarisstrook van [appellante] klopt volgens hem wel; voor zover hem bekend, krijgt zij salaris uitbetaald.

2.7

Op 15 mei 2014 heeft de Rabobank telefonisch contact gehad met [appellante] en

haar in de gelegenheid gesteld haar betrokkenheid bij de hypotheek- en kredietaanvraag en

de hierbij overgelegde stukken toe te lichten. In dat gesprek heeft [appellante] de

Rabobank voor nadere inlichtingen verwezen naar haar advocaat.

2.8

Op 10 juni 2014 heeft de Rabobank aangifte gedaan tegen [C] en [appellante]

ter zake van het vermoeden van valsheid in geschrifte, het opzettelijk verstrekken van valse

informatie en poging tot oplichting.

2.9

In een brief van 25 juli 2014 heeft de Rabobank [appellante] in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven over de twijfels die bij de Rabobank zijn ontstaan ten aanzien van de juistheid van de verstrekte gegevens betreffende het dienstverband van [appellante] bij Handelsonderneming [D] . De Rabobank verzocht [appellante] een overzicht van haar arbeidsverleden te overleggen, bij gebreke waarvan zij zou overgaan tot registratie van [appellante] in het Externe Verwijzingsregister van de NVB en zij een melding zou doen bij de SFH.

2.10

De Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland en de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken hebben gezamenlijk een signaleringssysteem opgezet, dat regeling vindt in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (verder het Protocol), dat via internet raadpleegbaar is. In het Protocol is - voor zover van belang - het volgende

bepaald:

" 3.1 Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister
3.1.1. Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende

Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het

in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident. (...)

3.1.2

Aan het Incidentenregister is het Extern Verwijzingsregister gekoppeld. Dit Extern

Verwijzingsregister is raadpleegbaar door de Deelnemers, alsmede de Organisatie van de Deelnemers via een Verwijzingsapplicatie en bevat uitsluitend verwijzingsgegevens die onder strikte voorwaarden conform artikel 5.2 Protocol door de Deelnemers mogen worden opgenomen.

(…)

4.1

Doel Incidentenregister
4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren: “Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
 op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
 op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
 op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”
(…)
4.3 Verwijdering van gegevens uit het Incidentenregister
4.3.1 Indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.1.1 Protocol wordt voldaan draagt de Deelnemer zorg voor verwijdering van dit gegeven uit het Incidentenregister. De Deelnemer doet dit ook op basis van een gehonoreerd verzoek tot verwijdering van gegevens conform artikel 9.4 Protocol.
4.3.2 Verwijdering van gegevens uit het Incidentenregister moet plaatsvinden uiterlijk 8 jaar na opname van het betreffende gegeven in het Incidentenregister, tenzij zich ten aanzien van de betreffende (rechts)persoon een nieuwe aanleiding heeft voorgedaan die opname in het Incidentenregister rechtvaardigt.
(…)
5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.
(…)
5.3 Verwijdering van gegevens uit het Extern Verwijzingsregister
5.3.1 Indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 5.2.1 Protocol wordt voldaan draagt de Deelnemer zorg voor verwijdering van de door de Deelnemer opgenomen Verwijzingsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister. De Deelnemer doet dit ook naar aanleiding van een gehonoreerd verzoek tot verwijdering conform artikel 9.4 Protocol.
5.3.2 Verwijdering van Verwijzingsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister moet plaatsvinden uiterlijk 8 jaar na opname van het betreffende gegeven in het Incidentenregister, tenzij zich ten aanzien van de betreffende (rechts)persoon een nieuwe aanleiding heeft voorgedaan en opname in het Extern Verwijzingsregister conform artikel 5.2.1 Protocol heeft plaatsgevonden.”

2.11

Bij afzonderlijke brieven van 22 augustus 2014 heeft de Rabobank aan [C] en

[appellante] bericht dat zij hun gegevens in het Incidentenregister en het bijbehorend

Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) alsmede in het Extern Verwijzingsregister van het

Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (hierna; SFH-register) had opgenomen voor de

maximale duur van 8 jaar. De reden voor deze opname was volgens de Rabobank de

betrokkenheid van [C] en [appellante] bij hypotheekfraude door het aanleveren van

valse inkomensbescheiden.

2.12

In december 2014 heeft [C] zijn kringloopwinkel te [E] verkocht. In januari 2015 is een eenmanszaak onder de handelsnaam Handelsonderneming

[C] ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Blijkens deze

inschrijving is [appellante] de eigenaar van de eenmanszaak, houdt de onderneming zich

bezig met autohandel en het bieden van dagbesteding aan mensen met een persoonsgebonden budget en is het e-mailadres van de eenmanszaak [C] @hotmail.com.

2.13

Bij brief van 8 januari 2016 heeft de officier van justitie van het

arrondissementsparket Noord-Nederland aan [appellante] bericht dat zij niet vervolgd wordt op voormelde aangifte van de Rabobank, omdat er naar zijn oordeel onvoldoende wettig bewijs was. [C] heeft daarentegen van die officier van justitie betreffende de strafbare feiten, waar voormelde aangifte op zag, een strafbeschikking ontvangen, waarin hem een taakstraf is opgelegd.

2.14

Bij brief van 14 januari 2016 heeft de advocaat van [appellante] de Rabobank

verzocht om verwijdering van haar gegevens uit Incidentenregister en het EVR.

2.15

Bij brief van 17 februari 2016 heeft de Rabobank de advocaat van [appellante] bericht dat de Rabobank in haar brief van 14 januari 2016 geen aanleiding zag de registraties ten aanzien van [appellante] te verwijderen.

2.16

Op 27 juli 2016 ontving [appellante] op haar e-mailadres [C] @hotmail.com het volgende e-mailbericht van Knab, de bank waar zij een zakelijke rekening had:
Beste [appellante] ,
Tijdens een controle van jouw gegevens is door Knab in het interbancaire waarschuwingssysteem financiële instellingen geraadpleegd. Hierin zijn persoonsgegevens opgenomen van personen die direct of indirect betrokken zijn geweest bij incidenten, waarbij misbruik is gemaakt van het stelsel van financiële dienstverlening.
(…)
Deze registratie is gedaan naar aanleiding van een incident dat geregistreerd is in dit systeem door de afdeling Veiligheidszaken van Rabobank. Aangezien Knab niet in verband gebracht wenst te worden met personen die (vermoedelijk) betrokken zijn (geweest) bij strafbare activiteiten wensen wij onze relatie met je niet te continueren. Knab zal de zakelijke rekening met nummer (….) per heden opheffen.

3 Het geding in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft de Rabobank in kort geding gedagvaard en gevorderd dat de Rabobank bevolen wordt om op straffe van verbeurte van een dwangsom de verwerkte gegevens in het Intern Verwijzingsregister, het SFH-register en het EVR te verwijderen en verwijderd te houden, althans dat de voorzieningenrechter de duur van de opname van de gegevens in genoemde registers zal beperken tot de datum van het te wijzen vonnis, althans een in goede justitie te bepalen duur.

3.2

De Rabobank heeft verweer gevoerd.

3.3

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. Volgens hem ontbreekt het spoedeisend belang en heeft [appellante] hem, in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv. bewust onjuist en/of onvoldoende geïnformeerd ten aanzien van haar spoedeisend belang. Redengevend is daartoe dat [appellante] aan haar vordering (mede) ten grondslag heeft gelegd dat zij in haar bedrijfsvoering ernstig wordt belemmerd door de registraties, maar niet aannemelijk is dat [appellante] zelf een onderneming exploiteert. Volgens de voorzieningenrechter wordt de onderneming feitelijk gedreven door [C] , en niet door [appellante] .

4 De bespreking van de grieven

4.1

Ook in appel vordert [appellante] dat de Rabobank de registratie in de genoemde registers verwijdert, althans de duur van de registratie beperkt. Aan haar stelling dat zij een spoedeisend belang heeft bij deze vordering legt [appellante] ten grondslag dat zij zowel zakelijk als privé in problemen komt door de registraties. De bestaande bankrekening bij Knab is opgeheven. Zij kan niet dan onder zeer beperkende voorwaarden (slechts) een basisrekening openen.

4.2

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] in hoger beroep haar spoedeisend belang bij de vordering voldoende onderbouwd. Het hof acht aannemelijk dat [appellante] bij haar privé-activiteiten ernstig nadeel ondervindt van de registraties. Om te kunnen functioneren in het maatschappelijk verkeer is het noodzakelijk de beschikking te hebben over een bankrekening. De Rabobank heeft niet bestreden dat [appellante] alleen wanneer zij aan strikte voorwaarden voldoet - zo dient zij te worden begeleid door een erkende hulpverleningsinstantie - een basisbankrekening kan openen. In het licht hiervan kan bij de beoordeling van het bestaan van een spoedeisend belang in het midden blijven of [appellante] zelf (of alleen [C] ) bij de activiteiten die Handelsonderneming [C] ontplooit nadeel ondervindt van de registraties. Bij de bespreking van de grieven II en III, die zich keren tegen het oordeel van de voorzieningenrechter over het ontbreken van een eigen spoedeisend belang en de schending van artikel 21 Rv. heeft [appellante] dan ook geen belang. Het hof zal hetgeen [appellante] ter toelichting op die grieven heeft aangevoerd wel betrekken voor zover dat van belang is voor de beoordeling van de vorderingen van [appellante] .

4.3

Met de grieven I en IV stelt [appellante] de vraag of de Rabobank haar ten onrechte heeft geregistreerd aan de orde. Zij betoogt dat dit het geval is. Zij is niet betrokken geweest bij de opgave van valse gegevens door [C] in het kader van de financieringsaanvragen. Bij de aanvraag voor een persoonlijke lening is zij niet betrokken geweest. De strafzaak tegen haar is niet voor niets geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Bovendien is een registratie voor de duur van acht jaar niet proportioneel, aldus [appellante] . Het hof dient zich in dit kort geding dan ook te buigen over de vraag of voorshands voldoende aannemelijk is dat de Rabobank in een bodemprocedure zal kunnen bewijzen dat aan de voorwaarden voor opname van de gegevens van [appellante] in (met name) het EVR is voldaan.

4.4

Het hof stelt bij het antwoord op deze vraag voorop dat een opname van [appellante] in het EVR voor haar verstrekkende gevolgen kan hebben. Alle deelnemende financiële ondernemingen kunnen immers door toetsing in het EVR vaststellen dat een persoon in het Incidentenregister van een andere deelnemer is opgenomen. Vervolgens kunnen zij nadere informatie over de reden van opname opvragen. Dit kan ertoe leiden dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het Incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. [appellante] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat die verstrekkende gevolgen voor haar niet maar theorie zijn, maar zich (deels) ook hebben gerealiseerd.

4.5

Gelet hierop dienen hoge eisen te worden gesteld aan de gronden van de Rabobank voor opname van [appellante] in het EVR. Opname in het EVR kan slechts plaatsvinden indien zij in overeenstemming is met de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) en het Protocol. Voor verwerking in overeenstemming met het Protocol van strafrechtelijke persoonsgegevens in bestanden als de onderhavige registers die onder het regime van de Wbp vallen, is een veroordeling door de strafrechter niet vereist. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wbp is gedacht aan gegevens in verband met strafbaar of hinderlijk gedrag, die tot de gevoelige gegevens behoren omdat de betrokkenen in verband worden gebracht met verwijtbaar gedrag. Het ziet op veroordelingen en op min of meer gegronde verdenkingen (Kamerstukken II 1997–1998, 25 892, nr. 3, p. 102 en 118; zie ook, in een verder verwijderd verband, de beantwoording van vraag 26, Kamerstukken II 1998-1999, 25 892, nr. 13, p. 13/14). Voor zover in het Protocol wordt gesproken over strafrechtelijke persoonsgegevens komt daaraan geen andere betekenis toe. Uit een en ander valt op te maken dat de te verwerken gegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Onder strafrechtelijke gegevens moeten daarom worden verstaan feiten en omstandigheden die zodanig concreet zijn dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring - in de zin artikel 350 Sv - kunnen dragen. Dit brengt mee dat een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, zoals dat kan blijken uit een aangifte, onvoldoende is. De vastgestelde gedragingen dienen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld op te leveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (vergelijk HR 25 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720). Daarnaast dient nog een belangenafweging overeenkomstig artikel 8 onder f Wbp plaats te vinden.

4.6

Tussen partijen staat niet ter discussie dat bij de aanvraag voor een hypothecaire lening door [appellante] en [C] gebruik is gemaakt van vervalste stukken betreffende het dienstverband van [C] en het inkomen uit dat dienstverband. De Rabobank heeft betoogd dat ook de loonstrook van [appellante] is vervalst. Volgens haar heeft [appellante] in werkelijkheid geen € 3.200,- bruto ontvangen. De Rabobank verwijst in dit verband naar de toevoegingsaanvraag van [appellante] waarin betreffende het jaar 2014 een jaarinkomen van € 1.916,- bruto is vermeld, derhalve aanzienlijk minder dan € 3.200,- bruto per vier weken. Volgens [appellante] is de salarisstrook wel juist. Zij was daadwerkelijk tegen een salaris van € 3.200,- bruto per vier weken bij [D] in dienst.

4.7

Naar voorlopig oordeel van het hof heeft [appellante] de stelling van de Rabobank dat ook de loonstrook van [appellante] is vervalst, en dat [appellante] niet bij [D] in dienst was tegen een salaris van € 3.200,- bruto, onvoldoende weersproken. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de Rabobank zich niet alleen beroept op de gegevens in de toevoegingsaanvraag van [appellante] , maar ook op e-mailcorrespondentie tussen [C] en de heer [H] , die de loonstroken heeft opgesteld. Uit deze correspondentie blijkt dat de heer [H] op verzoek van [C] in december 2013 een loonstrook heeft opgesteld op basis van een salaris van € 3.200,- bruto in plaats van € 3.000,- netto, omdat dat geloofwaardiger was voor de bank en dat [H] in mei 2014 ondanks diverse verzoeken nog geen loonheffingsnummer had ontvangen betreffende [D] , waardoor hij de aangifte loonbelasting niet kon verzorgen. Deze gegevens wijzen erop dat [appellante] niet bij [D] in dienst was tegen een salaris van € 3.200,- bruto per 4 weken. [appellante] heeft, ofschoon dat gelet op het betoog van de Rabobank wel op haar weg had gelegen, geen bewijsstukken van de regelmatige betaling van het salaris door [D] in het geding gebracht. Ook heeft zij geen jaaropgave of belastingaanslag in het geding gebracht die het bestaan van een dienstverband met een salaris van € 3.200,- per vier weken ondersteunen.

4.8

Het staat vast dat naar aanleiding van de aanvraag om een hypothecaire lening een gesprek heeft plaatsgevonden op 17 april 2014 tussen de Rabobank en [C] en [appellante] . Het hof acht aannemelijk dat in dat gesprek ook het inkomen van [appellante] aan de orde is geweest. [appellante] heeft weliswaar de inhoud van het in rechtsoverweging 2.3 aangehaalde gespreksverslag bestreden, maar zij heeft niet betwist dat gesproken is over haar inkomen. Het is onaannemelijk dat het [appellante] in dat gesprek, ook indien zij zich zeer terughoudend heeft opgesteld en weinig kennis van en affiniteit heeft met geldzaken, niet is opgevallen dat de gegevens ten aanzien van haar inkomen waarover de Rabobank beschikte
- een vast contract met een inkomen van € 3.200,- bruto per vier weken- niet overeenkwamen met de werkelijke situatie. Het hof acht voorshands dan ook aannemelijk dat [appellante] er in elk geval in de loop van het gesprek mee bekend raakte dat die gegevens, die mede namens haar aan de Rabobank waren verstrekt, niet juist waren. Het staat vast dat zij daarover toen geen opmerkingen heeft gemaakt of vragen heeft gesteld.

4.9

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [appellante] samen met [C] een aanvraag voor een hypothecaire geldlening heeft ingediend die is gebaseerd op valse gegevens over het inkomen van [C] en over het inkomen van [appellante] . Ook indien [C] het initiatief heeft genomen en de voor het verstrekken van de onjuiste gegevens noodzakelijke handelingen heeft verricht, acht het hof voorshands voldoende aannemelijk dat [appellante] daarbij betrokken is geweest, nu zij heeft deelgenomen aan een gesprek over de aanvraag en zich toen, hoewel haar duidelijk moet zijn geweest dat onjuiste gegevens waren gebruikt, daarvan niet heeft gedistantieerd. Het hof acht het dan ook voorshands aannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden vastgesteld dat voor wat betreft de aanvraag om een hypothecaire geldlening aan de vereisten onder a. en b. van artikel 5.2.1 van het Protocol is voldaan. Dat de strafzaak tegen [appellante] is geseponeerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor is overwogen, is voor opname in het EVR een strafrechtelijke veroordeling niet vereist. De gegevens die bekend zijn leveren een zwaardere verdenking op dan een redelijk vermoeden van schuld.

4.10

Het hof acht voorshands aannemelijk dat in de bodemprocedure ook zal worden vastgesteld dat aan het onder c. van artikel 5.2.1. van het Protocol vermelde vereiste is voldaan. Het acht daarbij van belang dat [appellante] nog steeds zowel zakelijk als privé verbonden is aan [C] , die in de visie van [appellante] de drijvende kracht is achter zowel de frauduleuze aanvraag van een hypothecaire geldlening als van het doorlopend krediet op naam van [appellante] . [appellante] en [C] wonen samen en zij werken samen in de eenmanszaak die op naam van [appellante] staat. In de memorie van grieven heeft [appellante] aangegeven dat de eenmanszaak in werkelijkheid een vennootschap onder firma tussen haar en [C] is. Daargelaten dat niet valt in te zien waarom [appellante] er niet voor zorgdraagt dat de inschrijving van de eenmanszaak in het Handelsregister wordt gewijzigd in die van een vennootschap onder firma, waartoe zij ook gehouden is, is aannemelijk dat indien [appellante] na haar verwijdering uit het EVR financiële producten, zoals een zakelijke bankrekening, gaat gebruiken die producten ook door [C] , die naar tussen partijen niet ter discussie staat terecht in het EVR staat geregistreerd, zullen worden gebruikt. Het hof acht voorts van belang dat een registratie in het EVR [appellante] niet verhindert om een betaalrekening te openen, zij het dat zij zich zal moeten laten begeleiden door een hulpverleningsinstantie.

4.11

De slotsom is dan ook dat voorshands voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [appellante] terecht is geregistreerd in het EVR (en daarmee ook in de beide andere registers, gelet op de minder vergaande gevolgen van een registratie in die registers). De vraag naar haar betrokkenheid bij de frauduleuze aanvraag van een persoonlijk krediet op haar naam kan daarbij in het midden blijven.

4.12

[appellante] is eind augustus 2014 voor de maximale duur van acht jaren geregistreerd. Het hof acht, gelet op het hetgeen het hiervoor heeft overwogen, voorshands voldoende aannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat een registratie voor de duur van vier jaren (tot eind augustus 2018) voldoet aan de proportionaliteitseis. Of een langere registratie op zijn plaats is, zal naar voorlopig oordeel van het hof onder meer afhankelijk zijn van de daadwerkelijke gevolgen van een langdurige registratie voor het privé en het zakelijk functioneren van [appellante] , de verwevenheid van de belangen van [appellante] en [C] en de (door de Rabobank in de bodemprocedure te bewijzen) daadwerkelijke betrokkenheid van [appellante] bij de aanvraag voor een persoonlijk krediet. Een kort geding leent zich niet voor het vaststellen van deze en eventuele andere relevante omstandigheden, die mogelijk bewijslevering vergen. De (subsidiaire) vordering van [appellante] om de duur van de registratie te beperken tot de datum van de uitspraak is aldus niet toewijsbaar. Bovendien ontbreekt het spoedeisend belang bij een beperking van de duur van de registratie tot een datum vanaf eind augustus 2018, over bijna anderhalf jaar.

4.13

De slotsom is dat de grieven falen.

4.14

Grief V, die zich keert tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de andere grieven.

4.15

Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter onder aanvulling van gronden
- het hof doet de zaak immers niet af op artikel 21 Rv – bekrachtigen. [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat: 1,5 punt, tarief II).

5 De beslissing
Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van de Rabobank gevallen, op € 718,- aan verschotten en op € 1.491,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.M.A. Wind en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken dinsdag

28 maart 2017.