Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2674

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
200.176.426/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof merkt een opgeworpen incident tot “uitlaten hoedanigheid ex artikel 2:19 BW” aan als te zijn gericht op de vraag welke materiële procespartij als wederpartij beschouwd dient te worden. Nu de procedure tegen de betreffende rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van haar ontbinding en van de vereffening van haar vermogen, kan de procedure tegen de rechtspersoon worden voortgezet, mede in volgende instanties, ook indien de vereffening van haar vermogen inmiddels is geëindigd en daarvan opgaaf is gedaan door de vereffenaar aan de registers overeenkomstig artikel 2:19 lid 6 BW. De procedure wordt voortgezet op naam van de rechtspersoon, doch met de toevoeging “in liquidatie”. De vordering tot zekerheidstelling wordt voorts afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1651
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.176.426/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3603046 VV EXPL 14-152)

arrest in de incidenten tot zekerheidstelling en tot uitlaten hoedanigheid ex artikel 2:19 BW van 28 maart 2017

in de zaak van

Autoverhuurbedrijf Groningen B.V.,

gevestigd te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: AVG,

advocaat: mr. F. van der Hoef, kantoorhoudend te Burgum,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

erfgename van wijlen [B], oorspronkelijk geïntimeerde,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 18 december 2014 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 16 januari 2015 heeft AVG hoger beroep ingesteld van voornoemd vonnis met dagvaarding van [B] (hierna: [B] ) tegen de zitting van 17 maart 2015.

2.2

Het hof heeft de procedure, geregistreerd onder zaaknummer 200.166.427/01, op 19 mei 2015 op verzoek van AVG geschorst wegens het overlijden van [B] .

2.3

Op de roldatum 15 september 2015 heeft [geïntimeerde] verzocht de zaak te hervatten en op de rol te plaatsen voor het nemen van memorie van grieven aan de zijde van AVG.

2.4

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens incidentele memorie tot zekerheidstelling proceskosten en schadevergoeding, tevens incidentele memorie inzake uitlaten appellant over de eigen hoedanigheid van appellant ex artikel 2:19 BW,

- de memorie van antwoord in incident.

2.5

Vervolgens heeft AVG de aanvullende stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald.

2.6

De incidentele vorderingen van [geïntimeerde] luiden als volgt:
"Voor incidentele memorie inzake de hoedanigheid van Autoverhuur Groningen:
I. Autoverhuur Groningen op te dragen aan te tonen welke haar rechtstoestand is in het kader van de in de handelsregister opgenomen staat van liquidatie en opheffing per 31 december 2015.
Voor incidentele memorie tot zekerheidstelling proceskosten:
I. Autoverhuur Groningen op te dragen om zekerheid te stellen voor de proceskosten in eerste aanleg en in appel en de overige schade waartoe Autoverhuur Groningen in deze zaak veroordeeld moge worden."

3 De beoordeling in de incidenten
In het incident tot uitlaten hoedanigheid AVG ex artikel 2:19 BW

3.1

[geïntimeerde] heeft bij wege van incident gevorderd AVG op te dragen aan te tonen wat haar rechtstoestand is gezien de in het handelsregister opgenomen ontbinding van AVG per 31 december 2015.

3.2

Bij haar memorie van antwoord in incident heeft AVG de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van AVG d.d. 31 december 2015 overgelegd, waarin onder andere de volgende passage is opgenomen: "In stemming wordt gebracht het voorstel om te komen tot liquidatie van de vennootschap middels een te nemen besluit tot vereffening. Dit besluit wordt met unanieme meerderheid van stemmen aangenomen." AVG heeft voorts verklaard dat Aefip B.V. benoemd is tot vereffenaar van (onder andere) AVG.

3.3

Het hof merkt dit incident - waarbij door [geïntimeerde] niet is aangegeven op welke wettelijke regeling het is gestoeld en waarbij [geïntimeerde] evenmin duidelijk stelt wat zij uiteindelijk met dit incident in de procedure beoogt - aan als te zijn gericht op de vraag welke materiële procespartij zij als haar wederpartij moet beschouwen. Daarmee lijkt dit incident zodanig op een schorsingsverzoek wegens de (processuele) dood van AVG dan wel een verandering in de staat van AVG, dat het hof aanleiding ziet om de artikelen 225 en 227 Rv overeenkomstig toe te passen.

3.4

Op grond van artikel 2:19 lid 6 BW houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen eerst op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt, terwijl artikel 2:23c lid 1 BW voorziet in de mogelijkheid om de vereffening te heropenen, onder meer ingeval nog een schuldeiser opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. Hiermee strookt het om aan te nemen dat in een geval zoals het onderhavige, waarin een procedure tegen een rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van haar ontbinding en van de vereffening van haar vermogen, de procedure tegen de rechtspersoon kan worden voortgezet, mede in volgende instanties, ook indien de vereffening van haar vermogen inmiddels is geëindigd en daarvan opgaaf is gedaan door de vereffenaar aan de registers overeenkomstig art. 2:19 lid 6 BW (ECLI:NL:HR:2013:BX9762).

3.5

Het hof overweegt dat, nu AVG heeft aangegeven te willen doorprocederen, de procedure zal worden voortgezet op haar naam, doch met de toevoeging "in liquidatie".
In het incident tot zekerheidstelling

3.6

[geïntimeerde] heeft op de voet van artikel 224 Rv zekerheidstelling voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan AVG veroordeeld zou kunnen worden verzocht. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient in de dagvaardingsprocedure degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en schadevergoeding tot betaling waarvan zij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden.

3.7

Naar het oordeel van het hof komt de incidentele vordering van [geïntimeerde] niet voor toewijzing in aanmerking. Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 353 lid 2 Rv volgt dat in hoger beroep alleen van de oorspronkelijk eiser zekerheid op grond van artikel 224 Rv kan worden gevorderd en dan enkel in het geval dat die in hoger beroep appellant is. Die situatie doet zich hier niet voor: AVG was in eerste aanleg gedaagde. Hieruit volgt dat de incidentele vordering tot zekerheidstelling voor zover deze gegrond is op artikel 224 Rv dient te worden afgewezen. Het hof laat nog daar dat artikel 224 Rv alleen toepassing kan krijgen bij het ontbreken van een gewone woon of verblijfplaats in Nederland. Niet valt in te zien dat een ontbonden Nederlandse rechtspersoon die op grond van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.4 is overwogen geacht wordt ondanks een besluit tot ontbinding niet geacht wordt opgehouden hebben te bestaan, ten gevolge van de ontbinding wel zonder vestigingsplaats zou geraken.

3.8

[geïntimeerde] heeft ter toelichting op haar incidentele vordering aangevoerd dat ook in het geval artikel 224 Rv niet van toepassing zou zijn, zekerheidstelling voor de proceskosten en de eventuele schadevergoeding kan worden gevraagd, gelet op de financiële toestand van AVG. Voor zover [geïntimeerde] hiermee zekerheidstelling bedoelt te vorderen op grond van artikel 235 Rv, overweegt het hof dat op grond van dat artikel de veroordeelde in eerste aanleg na aanwending van een rechtsmiddel, incidenteel kan vorderen dat aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis waarvan beroep, de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor; niet [geïntimeerde] maar AVG heeft immers te gelden als de veroordeelde in eerste aanleg.
De stelling van [geïntimeerde] dat zij ook in het geval artikel 224 Rv niet van toepassing is zekerheidstelling kan vragen voor proceskosten en schadevergoeding waartoe AVG in deze procedure veroordeeld zou kunnen worden, vindt voorts geen steun in het recht.

4 De slotsom

4.1

Uit het vorenstaande volgt dat de incidentele vorderingen zullen worden afgewezen. [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de incidenten (1 punt, tarief II).

5 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
in de incidenten:

wijst de vordering tot zekerheidstelling af;

wijst de vordering tot bekendmaking van de hoedanigheid van Autoverhuurbedrijf Groningen B.V. ex artikel 2:19 BW af en bepaalt dat de procedure wordt voortgezet tussen [geïntimeerde] en Autoverhuurbedrijf Groningen B.V. in liquidatie;

veroordeeld [geïntimeerde] in de proceskosten van de incidenten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van AVG vastgesteld op € 894,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

in de hoofdzaak:

verstaat dat de procedure zal worden voortgezet met Autoverhuurbedrijf Groningen B.V. in liquidatie als geïntimeerde;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 11 april 2017 voor voortprocederen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. I. Tubben en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 maart 2017.