Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2536

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
200.207.165/01 en 200.196.941/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. De kindfactoren geven de doorslag. De schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling is niet zorgvuldig tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.207.165 en 200.196.941

(zaaknummers rechtbank C/08/191506 / JE RK 16-1567 en C/08/183334 / JE RK 16-327)

beschikking van 21 maart 2017

inzake

[verzoekster]

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Erkens te 's-Gravenhage,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders.

1
1. Het geding in eerste aanleg

In zaak 200.207.165 verwijst het hof voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 10 oktober 2016, uitgesproken onder zaaknummer C/08/191506 / JE RK 16-1567 (uithuisplaatsing).

In zaak 200.196.941 verwijst het hof voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 28 april 2016, uitgesproken onder zaaknummer C/08/183334 / JE RK 16-327 (schriftelijke aanwijzing).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in zaak 200.207.165 (uithuisplaatsing) blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 januari 2017;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een faxbrief van de GI van 23 januari 2017 met het verzoek deze zaak gelijktijdig met zaak 200.196.941 van partijen te behandelen.

2.2

Het verloop van de procedure in zaak 200.196.941 (schriftelijke aanwijzing) blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 28 juli 2016;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 15 augustus 2016 met productie(s);

- een brief van de GI van 1 februari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Erkens van 3 februari 2017 met productie(s);

- een faxbrief van de GI van 9 februari 2017 met productie(s).

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 13 februari 2017 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [B] en mevrouw [C] . De pleegouders en de raad zijn behoorlijk opgeroepen maar niet ter zitting verschenen. Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld.

Mr. Erkens heeft pleitnotities in beide zaken in het geding gebracht.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder en [D] (verder te noemen: de vader), welke relatie na twee jaar in februari 2015 is beëindigd, is [in] 2014 te [E] [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ) geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 22 oktober 2015 heeft de kinderrechter [de minderjarige] , op verzoek van

de raad, onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 oktober 2015 tot 22 oktober

2016. Deze ondertoezichtstelling is bij de bestreden beschikking van 10 oktober 2016 verlengd tot 22 oktober 2017.

3.3

Bij beschikking van 29 oktober 2015 heeft de kinderrechter een machtiging tot spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 29 oktober 2015, welke laatstelijk tot 22 oktober 2017 is verlengd bij de bestreden beschikking van 10 oktober 2016. [de minderjarige] is op 29 oktober 2015 in het huidige pleeggezin geplaatst.

3.4

Bij de bestreden beschikking van 28 april 2016 heeft de kinderrechter - voor zover hier van belang - het verzoek van de moeder om de beperkingen in de omgang te schorsen, om de schriftelijke aanwijzing beperking omgang vervallen te verklaren en om zelf een omgangsregeling vast te stellen afgewezen.

3.5

In de beschikking van 10 oktober 2016 heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van 4 oktober 2016 - inhoudende kort gezegd een omgangsregeling van om de week een begeleid bezoek tussen [de minderjarige] en de moeder in bijzijn van de pleegzorgwerker of de jeugdzorgwerker en de pleegmoeder - vervallen te verklaren afgewezen. Daartegen is niet gegriefd.

De daarop volgende schriftelijke aanwijzing van 23 november 2016 heeft dezelfde inhoud en is in de beschikking van de rechtbank van 19 december 2016 vervallen verklaard.

In de schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2017 heeft de GI de omgangsregeling vastgesteld op eens in de vier weken, met voornoemde begeleiding, anderhalf uur.

4. De omvang van het geschil

4.1

De moeder is in zaak 200.207.165 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 oktober 2016 voor zover betreft de machtiging uithuisplaatsing. Zij heeft verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen, met de overweging dat verlenging noodzakelijk is opdat door middel van een observatie in een moeder-kindvoorziening (namelijk [F] , [G] of [H] ) wordt onderzocht wat de mogelijkheden van de moeder zijn, wat haar beperkingen zijn en welke hulp passend is voor de moeder.

4.2

De moeder is in zaak 200.196.941 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 april 2016. Zij heeft verzocht deze beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te constateren dat er onrechtmatig inbreuk is gepleegd op de rechten van de moeder en kind en zo nodig als gevolg hiervan de (fictieve) schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en een omgangsregeling vast te stellen die ruimer is dan de huidige regeling, in het belang van de moeder en het kind met een frequentie van minimaal twee keer per week.

In haar brief van 3 februari 2017 heeft de moeder verzocht ook de schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2017 vervallen te verklaren. Ter zitting heeft de moeder verzocht een omgangsregeling van vier maal een dagdeel per twee weken vast te stellen bij pleegmoeder, waarna de regeling kan worden uitgebreid naar wekelijks, bij een positieve evaluatie.

4.3

De GI heeft voornoemde verzoeken bestreden. Zij acht nog steeds de gegeven machtiging tot uithuisplaatsing en de schriftelijke aanwijzingen van 18 februari 2016 en 31 januari 2017 noodzakelijk.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder heeft in haar hoger beroepschrift verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen en heeft in die zin verzocht hetgeen de rechtbank heeft beslist. Het hof vindt de moeder desondanks wel ontvankelijk in haar verzoek. Naar het hof begrijpt, wil de moeder namelijk alleen verlenging van de machtiging voor zolang nog geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van thuisplaatsing. Het hof verstaat dat de moeder beoogt een afwijzing van de verlenging van de uithuisplaatsing tenzij het doel van de uithuisplaatsing wijzigt van een perspectiefbiedende plaatsing naar een thuisplaatsing. Primair wenst zij aldus vernietiging van de bestreden beschikking en afwijzing van de machtiging uithuisplaatsing en subsidiair bekrachtiging van de uithuisplaatsing (voor kortere tijd en) met een ander doel.

5.2

Anders dan de moeder, komt het hof op grond van het verhandelde ter zitting en de stukken tot het oordeel dat de in de bestreden beschikking uitgesproken verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ongewijzigd in stand dient te blijven. Het hof neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

5.3

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter

de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met

de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.4

De moeder erkent dat zolang er nog geen onderzoek/gezinsopname is, de machtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd dient te worden. Een dergelijk onderzoek acht het hof evenwel niet meer in het belang van [de minderjarige] .

5.5

[de minderjarige] heeft een belast verleden. Zij heeft een instabiele en onveilige start in haar leven gehad. [de minderjarige] is voor de uithuisplaatsing meermalen getuige geweest van huiselijk geweld. De moeder heeft twee jaar een relatie met de vader van [de minderjarige] gehad waarbij zij door hem is mishandeld. Het hof oordeelt het van algemene bekendheid dat huiselijk geweld alle leden van het gezin raakt, al dan niet rechtstreeks, en dat zulks met name voor kinderen zeer schadelijk is voor hun ontwikkeling. Dit heeft ook voor [de minderjarige] te gelden.

Ook heeft aan de onrust in [de minderjarige] leven bijgedragen dat de moeder en zij op veel verschillende plekken hebben gewoond.

[de minderjarige] is voorts geconfronteerd geweest met spanningen en stemmingswisselingen van de moeder, die ook een belast verleden heeft en gediagnosticeerd is met zwakbegaafdheid, een dysthyme stoornis en aanwijzingen voor Borderlineproblematiek. De moeder heeft ongecontroleerd verbaal agressief gedrag in het bijzijn van [de minderjarige] (en hulpverlening) laten zien. De moeder heeft sterk wisselend gedrag vertoond. Ze is grillig/onvoorspelbaar in haar gedrag geweest. Uit het OTS-plan maakt het hof op dat steeds meer naar voren komt dat - ook - [de minderjarige] snel van emotie kan wisselen en erg heen en weer gaat tussen uitersten: binnen enkele seconden van heel erg boos of verdrietig naar heel hard lachen. [de minderjarige] is erg gevoelig voor stress.

5.6

Gezien het belaste verleden van [de minderjarige] en haar kwetsbare ontwikkeling is het voortduren van het hechtingsproces van [de minderjarige] in het pleeggezin van essentieel belang voor haar ontwikkeling. Het doorbreken van dit proces kan haar ontwikkeling ernstig schaden. Het is weliswaar in [de minderjarige] belang om de band met de moeder te ontwikkelen maar het is noodzakelijk en van groter belang voor [de minderjarige] dat de hechting, de huidige stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie en haar positieve ontwikkeling niet worden verstoord. Het weghalen van [de minderjarige] uit het pleeggezin (met een omgangsregeling voor de pleegmoeder) omwille van het door de moeder gewenste onderzoek naar de mogelijkheden van thuisplaatsing, acht het hof onverantwoord en in strijd met de ontwikkelingsbelangen van [de minderjarige] .

Daarbij komt dat de aanvaardbare termijn waarin de moeder zelf weer de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich kan nemen, is verstreken. Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind is namelijk de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin het verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn/haar ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn/haar leeftijd en ontwikkeling. [de minderjarige] is een zeer jong kind dat sinds 29 oktober 2015 in het huidige pleeggezin opgroeit. Niet weersproken is dat [de minderjarige] goed verzorgd wordt door de pleegouders en dat zij daar gehecht is. De aanvaardbare termijn is in het belang van [de minderjarige] dan ook inmiddels voorbij.

5.7

Deze kindfactoren zijn doorslaggevend voor het oordeel van het hof dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk blijft voor haar verzorging en opvoeding.

Voor zover de moeder stelt dat er te weinig is gedaan om de mogelijkheden van een terugplaatsing van [de minderjarige] bij haar te onderzoeken en zij wil dat dat alsnog gaat gebeuren, overweegt het hof dat de uitkomsten van een dergelijk onderzoek geen wijzigingen kunnen brengen in het oordeel dat de aanvaardbare termijn verstreken is. Terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder is niet meer aan de orde, ook niet als alsnog vastgesteld zou worden dat de moeder (inmiddels) over voldoende mogelijkheden beschikt om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] - al dan niet met (intensieve) hulpverlening - weer op zich te nemen. Onderzoek daarnaar is voor de onderhavige beslissing dan ook niet meer relevant en kan niet mede tot beslissing over de al dan niet voortzetting van de uithuisplaatsing leiden. Het hof zal daarom het verzoek van de moeder om dat onderzoek als voorwaarde aan de verlenging van de uithuisplaatsing te koppelen afwijzen.

5.8

Het voorgaande brengt mee dat ook de discussie over wat er voorafgaand aan de uithuisplaatsing is gebeurd, de omstandigheid dat zij onder valse voorwendselen [I] , crisis- en overbruggingsopvang, heeft verlaten met [de minderjarige] en haar aan het toezicht van de GI heeft onttrokken dan wel het gevoel van de moeder dat de uithuisplaatsing onverwacht en onterecht is geweest, geen verdere bespreking en beoordeling van het hof behoeft.

5.9

De moeder heeft verder nog aangevoerd dat haar geen daadwerkelijke kans is geboden om te kunnen laten zien dat zij voor haar dochter kan zorgen, maar dat miskent dat de GI en de moeder voor en na de uithuisplaatsing meermalen contact hebben gehad over en de mogelijkheid is aangeboden van een opname in een moeder en kind voorziening en wel in [J] in [K] . Dit is een onafhankelijk en deskundig centrum dat gespecialiseerd is in ouderschapsbegeleiding om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden en onmogelijkheden van de moeder om (met hulp) de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. De moeder heeft de geboden kans echter niet benut. De moeder heeft als reden daarvoor aangevoerd dat ze geen vertrouwen meer had in de GI, dat de GI veel invloed heeft op wat [J] rapporteert en zij daarom geen vertrouwen had in [J] . Op de vraag waarom ze wel naar [F] , [G] of [H] wil heeft ze geantwoord dat ze heeft gedacht dat de GI daar minder invloed heeft. Dat wantrouwen van de moeder, naar het oordeel van het hof onvoldoende gebaseerd op feiten, heeft ertoe geleid dat ze niet heeft gehandeld in het belang van [de minderjarige] . Voornoemde reden van de moeder om niet naar [J] te willen, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet dat zij met alle gevolgen van dien voor [de minderjarige] nu nog een nieuwe kans zou moeten krijgen bij een andere instelling. Dat er overigens ook de mogelijkheid is geweest om met een alternatief plan te komen maar dat niet is geslaagd, rechtvaardigt dat evenmin. De belangen van [de minderjarige] wegen zwaarder.

5.10

Gelet op het vorenoverwogene zijn er nog steeds gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en dient die machtiging te worden verlengd.

5.11

Voorts dient het hof de bestreden beschikking van 28 april 2016 te toetsen. Aanleiding voor die beschikking en het daaraan voorafgaande inleidende verzoek van de moeder is een e-mail van de GI aan de moeder van 18 februari 2016, waarin de GI heeft bepaald dat de bezoeken tussen de moeder en [de minderjarige] worden teruggebracht naar eens per twee weken.

Volgens de moeder is het besluit van de GI niet zorgvuldig voorbereid.

5.12

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:264 BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat aan de hand van het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 4 Awb beoordeeld moet worden of bij de besluitvorming algemene voorschriften over zorgvuldigheid en belangenafweging, voorschriften over de bekendmaking van besluiten en over het vooraf horen van de belanghebbenden in acht zijn genomen.

5.13

Naar het oordeel van het hof heeft de GI het besluit of de beslissing in de e-mail van 18 februari 2016 niet zorgvuldig voorbereid.

In de e-mail van de GI aan de moeder van 3 februari 2016 is haar verzocht om voor 18 februari 2016 te laten weten of zij akkoord gaat met een opname in [J] en is aangegeven dat als zij niet akkoord gaat de GI de kinderrechter zal adviseren de bezoekregeling van eens per week terug te brengen naar eens per twee weken. Omdat de GI geen reactie heeft ontvangen, heeft zij in haar e-mail van 18 februari 2016 te kennen gegeven dat de bezoeken om de week zullen plaatsvinden in plaats van iedere week. Er is niet gebleken dat de moeder vooraf is gehoord. Het besluit van de GI was al genomen voordat de moeder haar mening daarover kenbaar heeft kunnen maken. Het hof acht dan ook de hoorplicht, als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb, geschonden.

5.14

Een schriftelijke aanwijzing behoort bovendien op schrift te zijn gesteld, en dient de motivering en vermelding van mogelijke rechtsmiddelen daartegen te bevatten. Anders dan de rechtbank overwoog, is er door de GI geen schriftelijke aanwijzing nagezonden waarin het (voorgenomen) besluit is bevestigd, noch bevat de e-mail de motivering en de mogelijke rechtsmiddelen. Ook in zoverre voldoet de e-mail van 18 februari 2016 niet aan de eisen.

5.15

De beslissing van de GI in de e-mail van 18 februari 2016 kan dan ook niet in stand blijven. Het hof zal die vervallen verklaren. De omstandigheid dat de GI niet helemaal zorgvuldig heeft gehandeld, brengt - anders dan de moeder mogelijk meent - niet zonder meer mee dat er sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de rechten van de moeder en [de minderjarige] . Het hof zal niet vaststellen dat de situatie onrechtmatig was nu het hof er gelet op het geheel van omstandigheden niet van overtuigd geraakt is dat de omgangsregeling uitgebreider had moeten zijn dan in genoemde e-mail omschreven. In zoverre zal het verzoek van de moeder worden afgewezen.

5.16

De aanwijzing in de e-mail van 18 februari 2016 is inmiddels ingehaald door nieuwere aanwijzingen en wel meest recent door de schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2017, waarvan partijen thans vragen of het hof die eveneens wil toetsen.

5.17

Niet gebleken is dat de schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2017 niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De moeder heeft de op pagina 4 van deze aanwijzing weergegeven gang van zaken niet weersproken. Het voornemen van de GI is tweemaal telefonisch met haar besproken maar beide keren heeft de moeder zonder haar mening te vertellen de telefoon erop gelegd. De moeder is dan ook voldoende in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze vooraf kenbaar te maken. De stelling van de moeder dat de vooraankondiging schriftelijk dient plaats te vinden, vindt - anders dan voor de schriftelijke aanwijzing zelf geldt - geen steun in het recht. Evenals de zienswijze kan deze mondeling of schriftelijk kenbaar worden gemaakt.

5.18

De schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2017 is voorts toereikend gemotiveerd. Het hof ziet geen aanleiding om tot een andere omgangsregeling te komen, gelet op het perspectief van [de minderjarige] en het zorgelijke gedrag dat zij voor en na de recente omgangsmomenten met de moeder heeft laten zien. Zelfs als dat tijdens een van die momenten komt doordat de pleegmoeder een keer mogelijk chagrijnig was, maakt dat voor de ernst niet uit.

5.19

Het hof ziet geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2017 vervallen te verklaren. Voor zover dat wel was verzocht zal het hof dat afwijzen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking van 10 oktober 2016 voor zover het verlenging van de de uithuisplaatsing betreft te bekrachtigen. Het hof zal de bestreden beschikking van 28 april 2016 voor zover het de (schriftelijke) aanwijzing betreft vernietigen en opnieuw rechtdoende de (schriftelijke) aanwijzing van de GI in de e-mail van 18 februari 2016 vervallen verklaren. Het hof zal voorts het meer of anders verzochte afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in zaak 200.207.165:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 10 oktober 2016, uitgesproken onder zaaknummer C/08/191506 / JE RK 16-1567 voor zover het de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] betreft;

in zaak 200.196.941:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 28 april 2016, uitgesproken onder zaaknummer C/08/183334 / JE RK 16-327 voor zover het de (schriftelijke) aanwijzing betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

verklaart de (schriftelijke) aanwijzing van de GI in de e-mail aan de moeder van 18 februari 2016 vervallen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, J.Z. Oosting en J.G. Idsardi, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 21 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.