Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2535

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
200.204.219/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet biedt in dit geval geen mogelijkheid om ambtshalve een ondertoezichtstelling uit te spreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.204.219/01

(zaaknummer rechtbank C/19/116175 / JE RK 16-414)

beschikking van 21 maart 2017

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J. Flach te Groningen.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Noord,

kantoorhoudend te Groningen,

verder te noemen: de GI;

2 [de vader] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.J. Scholten te Zutphen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 september 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, en de herstelbeschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 12 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 november 2016;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming, regio Overijssel, locatie Zwolle (verder te noemen: de raad) van 14 december 2016, waarin de raad mededeelt dat geen verweerschrift zal worden ingediend;

- een brief van de vader van 14 februari 2017.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2017 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Voorts zijn verschenen:
- namens de GI: mevrouw [A] en mevrouw [B] ;

- namens de raad: de heer [C] .
De vader is niet ter zitting verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de affectieve relatie die tussen de moeder en de vader heeft bestaan is [in] 2013 geboren de minderjarige [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] erkend en partijen zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast.

3.2

Ter zitting op 7 september 2016 heeft de rechtbank de ambtshalve ondertoezichtstelling van [de minderjarige] aangekondigd en vervolgens heeft de rechtbank bij de
- uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 21 september 2016 [de minderjarige] ambtshalve onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Noord, Assen, met ingang van 21 september 2016 tot 20 september 2017.

3.3

Bij de bestreden beschikking van 12 oktober 2016 heeft de rechtbank de beschikking van 21 september 2016 op verzoek van Jeugdbescherming Noord, Assen, als volgt verbeterd:
de in het dictum vermelde passage "stelt [de minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming Noord, Assen met ingang van 21 september 2016 tot 20 september 2017" op pagina twee komt te luiden:
"stelt [de minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming Noord ǀ Groningen met ingang van 21 september 2016 tot 20 september 2017".

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is in hoger beroep gekomen van de genoemde beschikking van 21 september 2016, hersteld bij beschikking van 12 oktober 2016, en heeft het hof verzocht deze beschikking te vernietigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder stelt zich primair op het standpunt dat het de rechtbank niet vrij stond om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ambtshalve uit te spreken.

5.2

Het hof constateert het volgende. Hoewel de raad op 12 juli 2016 rapport heeft uitgebracht aan de rechtbank in een andere zaak die tussen partijen bij de rechtbank aanhangig was (met zaaknummer C/19/11604 / FA RK 15-2031, betreffende gezag, hoofdverblijfplaats en zorgregeling), en in dat rapport de rechtbank heeft verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de periode van één jaar, heeft de rechtbank zonder dat er in de onderhavige zaak een formeel verzoek daartoe van de raad aan haar voor lag, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ambtshalve aan de orde gesteld op de mondelinge behandeling van 7 september 2016 van de zaak tussen partijen over het verkrijgen van vervangende toestemming voor het aanvragen van een reisdocument en tot wijziging van de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (zaaknummer C/19/114908 / FA RK 16-1175). Op die zitting was de raad niet aanwezig en werd eerst ter zitting medegedeeld aan partijen dat ook de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] aan de orde zou komen. Het hof is, nog los van de vraag of het recht van hoor en wederhoor voldoende in acht is genomen, van oordeel dat de wet de kinderrechter niet de ruimte bood om vervolgens ambtshalve de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uit te spreken, zoals is gebeurd bij de bestreden, herstelde, beschikking van 21 september 2016. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat. Voor het overige is in artikel 1:255 lid 3 (laatste volzin) BW een mogelijkheid tot ambtshalve ondertoezichtstelling door de kinderrechter opgenomen en in artikel 1:255 lid 5 BW een mogelijkheid tot ambtshalve aanvulling van het verzoek door de kinderrechter, maar de in die artikelleden bedoelde situaties zijn hier niet van toepassing. Het hof is dan ook met de moeder van oordeel dat het de kinderrechter niet vrij stond de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ambtshalve uit te spreken en het hof zal de bestreden beschikking van 21 september 2016, hersteld bij beschikking van 12 oktober 2016, reeds daarom, zoals ter zitting reeds aangekondigd, vernietigen.

5.3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeven de overige grieven van de moeder geen bespreking meer.

5.4

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 september 2016, hersteld bij beschikking van 12 oktober 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, J.G. Idsardi en A.W. Beversluis en is op 21 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.