Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2517

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
15/00978
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:3902, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Ontvankelijkheid bezwaar. Ontbreken gronden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/29.16.6
V-N Vandaag 2017/818
Belastingblad 2017/244 met annotatie van M. Noordegraaf
FutD 2017-0904 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00978

uitspraakdatum: 28 maart 2017

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2015, nummer AWB 14/3063, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Lochem (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 19 te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2013, voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op € 489.000.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 april 2014 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak is beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Ter zitting van het Hof zijn gelijktijdig de zaken behandeld met de zaaknummers van het Hof: 15/00973 tot en met 15/00996. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

In de toelichting bij de onder 1.1 vermelde WOZ-beschikking staat - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

“(…)

Taxatieverslag

Het taxatieverslag van uw pand voor belastingjaar 2014 kunt u inzien via het digitaal loket op www.lochem.nl. U kunt, als particulier, een taxatieverslag direct met uw DigiD-inlogcode aanvragen. Bedrijven (rechtspersonen) hebben het aanslagbiljet nodig om te kunnen inloggen.”

2.2.

De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 4 maart 2014 een bezwaarschrift ingediend. De inhoud van het bezwaarschrift luidt als volgt:

“(…)

Tot mij heeft zich gewend (…) met het verzoek bezwaar te maken tegen de aanslag WOZ/waarde vaststelling van het object (…).

(…)

Ik verzoek u mij, zo mogelijk per e-mail taxatieverslag@ [A] .nl, het taxatieverslag voor het betreffende object toe te zenden. Wilt u daarbij de type gerelateerde m3 en m2 prijzen van de referentieobjecten en van het object van belastingplichtige alsmede de gehanteerde grondstaffel vermelden?

Belanghebbende verzoekt in de gelegenheid gesteld te worden zijn bezwaarschrift in een hoorzitting nader toe te lichten.

(…)”

2.3.

Bij brief van 10 maart 2014 aan de gemachtigde van belanghebbende wordt namens het hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Lochem het volgende geschreven:

“Op 6 maart 2014 heb ik uw pro forma bezwaarschrift tegen de bovenvermelde WOZ-beschikking ontvangen. U vraagt ook om een taxatieverslag. In deze brief ga ik in op uw verzoek en informeer ik u over de termijn waarbinnen u uw bezwaar moet motiveren.

Taxatieverslag

Het taxatieverslag stuur ik u hierbij toe.

(…)

Termijn voor motivering

Wilt u voor 16 april 2014 uw bezwaarschrift motiveren. Wanneer ik op 16 april 2014 uw motivering niet heb ontvangen, verklaar ik uw bezwaar niet-ontvankelijk. Dit betekent dat niet meer inhoudelijk op het bezwaar wordt ingegaan.

(…)”

2.4.

Bij brief van 25 maart 2014 is een herinnering aan de gemachtigde van belanghebbende gestuurd en daarbij het volgende aangegeven:

“Op 6 maart 2014 heb ik uw pro forma bezwaarschrift tegen de bovenvermelde WOZ-beschikking ontvangen.

Tot op heden hebben wij echter nog geen nadere motivatie van uw pro forma bezwaarschrift ontvangen. In deze brief herinner ik u aan de gestelde termijn waarbinnen u de nadere motivatie moet aanleveren.

Termijn voor het aanleveren van de motivatie

Wilt u voor 16 april 2014 de motivatie toesturen. Wanneer ik op 16 april 2014 uw motivatie op het door u ingediende pro forma bezwaarschrift niet heb ontvangen, verklaar ik het bezwaar niet-ontvankelijk. Dit betekent dat niet meer inhoudelijk op het bezwaar wordt ingegaan.

(…)”

2.5.

Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn geen gronden ingediend.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 april 2014 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3 Het geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en letter d, van de Awb bevat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar. De inhoud van deze eis hangt onder meer samen met de mate waarin het bestuursorgaan de bestreden beschikking heeft gemotiveerd. In gevallen waarin geen motivering bij de bekendmaking van de beschikking aan de belanghebbende is verstrekt, kan de belanghebbende in het bezwaarschrift volstaan met de mededeling dat bezwaar wordt gemaakt tegen de bestreden beschikking (HR 8 maart 2002, nr. 34 993, ECLI:NL:HR:2002:AD9881, BNB 2002/224).

4.2.

Aan de ontvankelijkheid van het bezwaar doet dan niet af dat in het bezwaarschrift een nadere motivering wordt aangekondigd, en dat deze nadere motivering niet binnen de daarvoor gestelde termijn is gegeven, terwijl daarvoor door de heffingsambtenaar meermalen de gelegenheid is geboden. Een bezwaarschrift dat bij indiening voldeed aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb kan niet nadien daaraan niet meer voldoen (vgl. HR 8 maart 2002, nr. 34 993, ECLI:NL:HR:2002:AD9881, BNB 2002/224 en HR 24 januari 2014, nr. 13/03868, ECLI:NL:HR:2014:86).

4.3.

In het onderhavige geval staat vast dat belanghebbende ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift nog niet bekend was met de motivering van de beschikking die was vervat in het taxatieverslag. Eerst na het indienen van het bezwaarschrift aan belanghebbende heeft de heffingsambtenaar de motivering aan belanghebbende toegestuurd. Het Hof verwerpt de stelling van de heffingsambtenaar dat de mogelijkheid een taxatieverslag direct met de DigiD-inlogcode aan te vragen, volstaat als bekendmaking van de motivering. Een genomen besluit dient te berusten op een voor de belanghebbende kenbare motivering én die motivering dient bij de bekendmaking van het besluit te worden vermeld. Gelet op de omstandigheid dat de beschikking is bekendgemaakt door schriftelijke toezending van het onderwerpelijke biljet aan belanghebbende en niet vast staat dat belanghebbende aan de heffingsambtenaar kenbaar heeft gemaakt dat communicatie langs elektronische weg mogelijk is, brengt het bepaalde in artikel 3:47 van de Awb voor een geval als het onderhavige mee dat de motivering tevens schriftelijk aan belanghebbende wordt verstrekt. De genoemde verwijzing beantwoordt naar ’s Hofs oordeel dan ook niet aan de in artikel 3:47 van de Awb gestelde normen voor de vermelding van de motivering.

4.4

Voor zover de heffingsambtenaar stelt dat hij op grond van artikel 40 van de Wet WOZ slechts verplicht was op verzoek een taxatierapport toe te sturen overweegt het Hof als volgt. Artikel 40 van de Wet WOZ (tekst tot 1 oktober 2016) strekt ertoe dat degene te wiens aanzien een waardebeschikking is genomen bepaalde waardegegevens kan verkrijgen, waarover hij wenst te beschikken om de juistheid van die waardebeschikking te kunnen controleren (vgl. HR 21 april 2006, nr. 41.185, ECLI:NL:HR:2006:AW2326, BNB 2006/231). Dit verzoek heeft betrekking op bepaalde, door de belanghebbende aangewezen, onroerende zaken. Deze bepaling doet niets af aan het gestelde in artikel 3:47 van de Awb dat de motivering van de beschikking wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit.

4.5.

Belanghebbende heeft met het schrijven van 6 maart 2014 een bezwaarschrift ingediend dat beantwoordt aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb, aangezien dat geschrift zich niet anders laat uitleggen dan dat belanghebbende bezwaar heeft tegen de waardevaststelling. Hierbij is niet van belang of het bestuursorgaan gehouden was een motivering bij de beschikking te geven, een motivering binnen een week diende te verstrekken of dat van deze verplichting tot verstrekking van een motivering door middel van het verstrekken van een taxatieverslag geen sprake was, zoals de heffingsambtenaar stelt. Indien een belanghebbende wordt geconfronteerd met een niet gemotiveerde beschikking is de keuze aan belanghebbende om de termijn voor het indienen van bezwaar direct zeker te stellen dan wel te wachten op de ontvangst van een motivering van de beschikking. De belanghebbende is niet verplicht eerst de motivering van de beschikking af te wachten of deze aan te vragen, zelfs niet indien de motivering nog binnen de bezwaartermijn kan worden verkregen. Indien dergelijke tot motivering dienende verslagen niet met de, door schriftelijke toezending bekendgemaakte beschikkingen worden meegezonden, kan een bezwaarschrift als het onderhavige niet wegens schending van de norm van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en letter d, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.6

Het Hof zal de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigen en de zaak terugwijzen naar de heffingsambtenaar voor de behandeling van het bezwaar.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Aangezien het hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de heffingsambtenaar te gelasten het door belanghebbende ter zake van de behandeling van het beroep door de Rechtbank en het hoger beroep door het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 168 (€ 45 + € 123) aan belanghebbende te vergoeden.

5.2.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van 24 samenhangende zaken, waarvan de zaaknummers onder 1.5 zijn genoemd.

5.3.

Het Hof stelt deze vergoeding, mede gezien het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 742,50 voor de kosten in eerste aanleg (= 2 (punten: beroepschrift en zitting) x € 495 (tarief per punt) x 0,5 (wegingsfactor) x 1,5 (factor wegens samenhangende zaken)) en € 742,50 voor de kosten in hoger beroep (= 2 (punten: hogerberoepschrift en zitting) x € 495 (tarief per punt) x 0,5 (wegingsfactor) x 1,5 (factor wegens samenhangende zaken)), ofwel in totaal op € 1.485. Het Hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van (€ 1.485 : 24 =) € 61,88.

5.4.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de kosten van het maken van bezwaar. Op het desbetreffende verzoek zal de heffingsambtenaar bij zijn nog volgende uitspraak op het bezwaar moeten beslissen.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar,

  • -

    draagt de heffingsambtenaar op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende,

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in verband met het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 168 vergoedt en

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 61,88.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 28 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

E.D. Postema

A.E. Keulemans

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 28 maart 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.