Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2510

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
200.201.902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, Wwz. Kantonrechter heeft, nadat werknemer ontslag op staande voet heeft genomen, dien verzoek tot betaling van een hogere gefixeerde schadevergoeding op basis van art. 7:677 lid 5 aanhef en sub b BW, alsmede van achterstallig loon, afgewezen. Tegenverzoek van werkgever wegens onregelmatig ontslag is toegewezen.

In hoger beroep is het hof van oordeel dat de werknemer wel een dringende reden had om ontslag op staande voet te nemen. Toewijzing loonvordering en minder verhoogde gefixeerde schadevergoeding dan verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1910
AR-Updates.nl 2017-0479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.201.902

(zaaknummers rechtbank Overijssel, locatie Almelo, 5090887 en 5110338)

beschikking van 24 maart 2017

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoeker, verweerder in het tegenverzoek,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. H.Th. Schravenmade,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

verweerster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek,

hierna: [verweerster],

advocaat: mr. R. Kroon.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

21 juli 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift van [verzoeker] met producties, ter griffie ontvangen op 20 oktober 2016;

- het verweerschrift in hoger beroep van [verweerster] ;

- de op 3 februari 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [verzoeker] pleitnotities heeft overgelegd.

2.2

Het hof heeft uitspraak bepaald op 17 maart 2017, welke datum niet is gehaald en is uitgesteld tot heden.

2.3

[verzoeker] heeft verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen, en opnieuw rechtdoende [verweerster] te veroordelen tot:

- onbetaald gebleven loon met vakantietoeslag totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, met wettelijke verhoging;

- de (verhoogde) gefixeerde schadevergoeding van € 14.000,- netto, althans een billijke vergoeding van € 14.000,- of een door het hof te bepalen bedrag;

- een en ander met wettelijke rente;

- terugbetaling van hetgeen [verzoeker] op basis van de bestreden beschikking mocht hebben betaald;

onder veroordeling van [verweerster] in de proceskosten van beide instanties met wettelijke rente, en voorts met nasalaris indien niet binnen 14 dagen vrijwillig wordt nagekomen.

3 De feiten

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

3.2

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is op 26 oktober 2015 als administratief medewerker in dienst getreden bij [verweerster] , een metaalrecyclingbedrijf waarvan de broers [bestuurder 1] en [bestuurder 2] middellijk bestuurder zijn. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd van 12 maanden en is tussentijds opzegbaar met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn.

3.3

Het loon van [verzoeker] werd per vier weken uitbetaald. Omgerekend per maand bedraagt dat loon € 2000,- netto inclusief € 309,02 reiskosten, exclusief 8% vakantietoeslag.

3.4

De werkzaamheden van [verzoeker] vonden plaats op de weegafdeling, waar ook [werknemer 1] en incidenteel [werknemer 2] werkzaam zijn. Hij diende wegingen uit te voeren, de weeggegevens vast te leggen, bij inname van schoon koper de gegevens van het legitimatiebewijs van de leverancier te noteren, en voor een bon te zorgen. Bij koper dat niet schoon is, geldt geen legitimatieplicht. Dergelijk niet schoon koper wordt met 'sloop' aangeduid.

3.5

De arbeidsovereenkomst bevat een geheimhoudingsbeding. Het is de werknemer ingevolge artikel 15 lid 2 verboden om tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst of daarna op enigerlei wijze, direct of indirect in welke vorm ook, mededelingen te doen van of aangaande het bedrijf van de werkgever alsmede van of aangaande de cliënten van de werkgever.

3.6

[verzoeker] heeft een kopie gemaakt van een op 9 februari 2016 opgemaakte en door hem ondertekende contantbon waarop ook twee wegingen van 'sloop' voorkomen. Op die kopie heeft [verzoeker] met de hand geschreven dat de bon is gemaakt door Irene. [verzoeker] heeft die kopie in zijn tas gestopt.

Op donderdag 25 februari 2016 heeft [werknemer 2] deze kopie gevonden en aan [bestuurder 1] gegeven, die [verzoeker] vervolgens om een verklaring heeft gevraagd. [verzoeker] heeft geantwoord dat het om een weging ging die niet hij, maar [werknemer 2] had uitgevoerd en dat hij de kopie had gemaakt om dat aan te tonen indien hij op een fout bij die weging zou worden aangesproken.

[bestuurder 1] heeft het meenemen van stukken als diefstal gekwalificeerd, tegen [verzoeker] gezegd dat hij de volgende dag niet hoefde te komen en dat er maandag 29 februari 2016 een gesprek zou plaatsvinden.

3.7

Na een kort gesprek met [verzoeker] op 29 februari 2016 heeft [bestuurder 1] zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] ten onrechte niet de ernst en onjuistheid van zijn handelen wilde inzien, hem een vertrekregeling aangeboden van één maand salaris bij voortijdig einde van de arbeidsovereenkomst en [verzoeker] geschorst en naar huis gestuurd.

3.8

Bij brief van 3 maart 2016 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de wegzending en de voorgestelde vertrekregeling en directe toelating tot zijn werkzaamheden verzocht.

3.9

Bij brief van eveneens 3 maart 2016 heeft mr. Kroon namens [verweerster] aan [verzoeker] het volgende geschreven:

"Op donderdag 25 februari 2016 hebben werknemers van cliënte u er op betrapt dat u diverse stukken met daarop de naam ' [verweerster] ' in uw tas had gestopt. Zij hebben daarop de directeur van cliënte, de heer [bestuurder 1] er bij gevraagd. Deze heeft u hiermee geconfronteerd en u om uitleg gevraagd. U legde uit dat u stukken uit de administratie (zoals kasbonnen) had gekopieerd, omdat u in het geval er iets mis mee zou zijn daarmee zou kunnen bewijzen dat u dat niet had gedaan. [bestuurder 1] heeft u daarop medegedeeld dat hij hier niet van gediend is en het ziet als diefstal. U zag dat anders, maar u was het wel met hem eens dat u zaken meenam die niet van u waren. [bestuurder 1] heeft u voorgesteld dat u de volgende dag vrijaf zou nemen en maandag 29 februari 2016 overleg zou plaatsvinden over de vraag hoe hier verder mee om te gaan.

Op maandag 29 februari 2016 heeft dit vervolg overleg plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft cliënte u laten weten dat zij gezien ook de aard van de u verweten gedraging en uw functie binnen het bedrijf, geen andere mogelijkheid ziet dan tot beëindiging van de met u gesloten arbeidsovereenkomst te komen. Benadrukt wordt dat u in uw functie omgaat met gegevens van vertrouwelijke aard (waaronder de administratie van cliënte) en het ook niet zonder reden is dat in uw arbeidsovereenkomst een geheimhoudingsbeding is opgenomen. Cliënte moet er op kunnen vertrouwen dat haar administratie binnen haar bedrijf blijft en niet in handen van derden komt (en zeker niet buiten het bedrijf kopieën van boekstukken rondslingeren). (…)

Uit voormelde brief maakt cliënte op dat u haar aanbod om te komen tot een voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet aanvaardt. Ik heb nu opdracht gekregen op de kortst mogelijke termijn de kantonrechter te verzoeken de met u gesloten arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten dat van cliënte in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsrelatie te laten voortduren.

Voorts bevestig ik hierbij dat u onder verwijzing naar het bepaalde in art. 17 Arbeidsovereenkomst bent geschorst. Het spreekt voor zich dat cliënte het zich, gezien ook de aard van uw hiervoor omschreven gedraging en functie, niet kan permitteren u tot de werkzaamheden toe te laten.

Ik wil u echter nog eenmaal in de gelegenheid stellen om - bij voorkeur via een jurist - met mij in overleg te treden om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst zodat uw rechten op een WW-uitkering zoveel als mogelijk veilig worden gesteld. Indien u van dit aanbod gebruik wilt maken, verzoek ik u vóór dinsdag 8 maart a.s. 12.00 uur , contact met mij op te nemen. Indien ik niet tijdig van u verneem, ga ik er vanuit dat u niet voor zo'n regeling voelt en zal ik het ontbindingsverzoek indienen."

3.10

Per e-mailbericht van 8 maart 2016 verzoekt de inmiddels door [verzoeker] ingeschakelde mr. Schravenmade aan mr. Kroon het ontbindingsverzoek rechtstreeks aan hem te zenden.

3.11

Vervolgens laat [bestuurder 2] bij e-mailbericht en aangetekende brief van donderdag 10 maart 2016 rechtstreeks aan [verzoeker] weten dat intern nog eens over het voorval van gedachten is gewisseld en dat [verzoeker] wordt uitgenodigd voor een gesprek op maandag 13 (bedoeld zal zijn: 14 - hof) maart 2016, eventueel met zijn advocaat erbij, waarin goede afspraken worden gemaakt over voortzetting van de arbeidsovereenkomst.

3.12

[verzoeker] reageert daarop, cc aan mr. Kroon, met de mededeling dat zijn advocaat tot 12 maart op vakantie is. Voorts laat [verzoeker] weten dat hij is geïntimideerd, beschuldigd van diefstal en is geschorst als disciplinaire maatregel met de mededeling dat ontslag zal volgen. Vervolgens kreeg hij een brief van mr. Kroon waarin hij wederom werd beschuldigd van diefstal en waarin een ontbindingsverzoek werd aangekondigd. [verzoeker] heeft kosten moeten maken voor een advocaat, die hem heeft uitgelegd dat hetgeen is voorgevallen een futiliteit is waarop zwaar overtrokken is gereageerd.

3.13

Op maandag 14 maart 2016 mailt [bestuurder 2] rechtstreeks aan [verzoeker] dat zijn handelen als een ernstig vergrijp is opgevat en dat [verzoeker] het nog steeds als een futiliteit ziet. [verweerster] heeft, na het afslaan van de afvloeiingsregeling door [verzoeker] , het hoofd gebogen en heeft een handreiking gedaan die [verzoeker] kennelijk niet accepteert. Nu hij in staat wordt gesteld te werken en dat weigert, is [verweerster] geen loon verschuldigd. Voorgesteld wordt dat [verzoeker] dit met zijn advocaat bespreekt, woensdag 16 maart 2016 op gesprek komt en daarna aan het werk gaat of laat weten voorafgaande mediation te wensen. Indien hij daarmee niet akkoord gaat, zal [verweerster] concluderen dat hij niet voor werk beschikbaar is en vanaf donderdag 17 maart 2016 het loon stopzetten.

3.14

[verzoeker] mailt op 15 maart 2016 terug dat hij zijn advocaat heeft ingelicht, en daags daarop bericht mr. Schravenmade aan mr. Kroon dat hij nog geen ontbindingsverzoek heeft ontvangen, dat duidelijk is dat door toedoen van [verweerster] de arbeidsverhouding volledig verstoord is en dat hij een voorstel voor een vaststellingsovereenkomst (waarvoor hij een aanzet geeft) dan wel een ontbindingsverzoek afwacht.

Eveneens op woensdag 16 maart 2016 reageert mr. Kroon dat werkhervatting is aangeboden, dat er geen verstoorde verhouding is door toedoen van [verweerster] en dat zijn cliënte een concreet beëindigingsvoorstel doet. Indien dat niet wordt geaccepteerd en [verzoeker] zijn werkzaamheden niet hervat, zal met ingang van de volgende dag loonbetaling worden gestopt.

Op donderdag 17 maart 2016 vraagt mr. Schravenmade bij mr. Kroon verhinderdata op voor een te entameren kort geding.

3.15

[verweerster] heeft op 23 maart 2016 een salarisspecificatie over periode 3.1 van 2016 opgesteld (van 29 februari 2016 tot 27 maart 2016) op basis van 13 gewerkte dagen.

3.16

Bij brief van 29 maart 2016 deelt mr. Schravenmade aan mr. Kroon mee, dat [verzoeker] per die dag ontslag op staande voet neemt, omdat [verweerster] zodanig ernstig en verwijtbaar heeft gehandeld dat van [verzoeker] niet gevergd kan worden dat het dienstverband voortduurt. De brief vermeldt:

"In concreto betreft het de onterechte beschuldiging van diefstal van een administratief bescheiden. Het betreft slechts de kopie van een bon. Voorts het schorsen bij wege van disciplinaire maatregel met de mededeling dat het dienstverband zal worden beëindigd. Deze beschuldiging is nogmaals herhaald bij twee schrijvens van uw zijde. Daarenboven zijn de loonbetalingen gestaakt per 16 maart 2016. Op telefonisch verzoek van cliënt aan de (loon)administratie om de loonbetalingen te hervatten, is negatief gereageerd."

3.17

In reactie op deze ontslagname reageert mr. Kroon per mail van dezelfde dag:

"Naar aanleiding van uw brief d.d. 29 maart 2016 stel ik vast dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per laatstgenoemde datum is geëindigd. De gestelde dringende reden wordt evenwel betwist. Van een dringende reden in de zin der wet is geen sprake; bovendien is niet onverwijld opgezegd.

Waar van onverwijlde opzegging om een dringende reden geen sprake is, moet geconcludeerd worden dat de arbeidsovereenkomst door uw cliënt onregelmatig is opgezegd. Dat maakt uw cliënt jegens mijn cliënte schadeplichtig. Mijn cliënte maakt aanspraak op die schadevergoeding. Voor zover uw cliënt nog enig bedrag van cliënte zou hebben te vorderen wordt een beroep gedaan op verrekening."

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van het onbetaald gebleven loon met vakantietoeslag totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, de op grond van artikel 7:677 lid 5 BW verhoogde gefixeerde schadevergoeding van € 14.000,- netto, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, een en ander met wettelijke rente en onder veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

4.2

[verweerster] heeft afwijzing van de verzoeken bepleit, subsidiair matiging van de verzochte schadevergoeding, en, bij wijze van tegenverzoek, veroordeling van [verzoeker] tot betaling van € 1.811,44 met wettelijke rente wegens onregelmatige opzegging onder veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

4.3

De kantonrechter heeft overwogen dat geen sprake was van een geldige dringende reden die onverwijld is meegedeeld en dat [verzoeker] per 16 maart 2016 het recht op loonbetaling heeft verloren, zodat zijn verzoeken zijn afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

Op het verzoek van [verweerster] heeft de kantonrechter [verzoeker] veroordeeld tot betaling van het verzochte bedrag wegens onregelmatige opzegging, waarop nog verschuldigde vakantietoeslag in mindering strekt zodat € 1.468,40 bruto door [verzoeker] te betalen is, met wettelijke rente vanaf 26 mei 2016 en onder compensatie van proceskosten.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoeker] heeft acht gronden voor hoger beroep aangevoerd, waarvan twee met nummer 5 zijn aangeduid. Met deze gronden komt [verzoeker] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij ten onrechte ontslag op staande voet heeft genomen (gronden 1 tot en met 4), geen recht heeft op loon vanaf de loonstop tot 29 maart 2016 (de twee gronden 5), ten onrechte aanspraak maakt op (verhoogde) gefixeerde schadevergoeding (grond 6) en door de kantonrechter, op verzoek van [verweerster] , is veroordeeld tot een vergoeding voor onregelmatige opzegging (grond 7).

5.2

Het hof stelt voorop dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat in de ontslagbrief niet is vermeld dat ieder van de redenen op zichzelf al ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het gaat dus om het geheel van redenen die tezamen en in onderling verband de conclusie moeten dragen dat zij een dergelijk ontslag rechtvaardigen. Dat verdraagt zich naar het oordeel van het hof niet met de aanpak van de kantonrechter, waarbij de onder 3.16 weergegeven motivering voor het door [verzoeker] genomen ontslag in onderdelen is opgeknipt en per onderdeel op onverwijldheid is beoordeeld. De kantonrechter heeft vastgesteld dat er één maand is verstreken tussen de beschuldiging van diefstal op 29 februari 2016 en het naar huis sturen van [verzoeker] en het door [verzoeker] genomen ontslag, en circa twee weken tussen de aankondiging op 14 maart 2016 van loonstopzetting bij weigering van werkhervatting en het ontslag. Daarmee is, volgens de kantonrechter, niet voldaan aan de eis dat een ontslag op staande voet onverwijld genomen moet zijn.

Het is evenwel inherent aan een samenstel van redenen voor ontslag op staande voet, zoals in dit geval, dat de laatste gebeurtenis de druppel is die de emmer doet overlopen. Het tijdsverloop tussen die gebeurtenis en de mededeling van ontslag en de redenen daarvoor dient te voldoen aan de eis van onverwijldheid.

5.3

De druppel die bij [verzoeker] de emmer heeft doen overlopen was, volgens de ontslagbrief waarin het woord 'daarenboven' die laatste druppel aanduidt, het feit dat zijn loonbetaling vanaf 16 maart 2016 werd gestaakt en hij tegen het eind van de loonperiode desgevraagd niet heeft vernomen dat het loon vanaf die datum toch betaald zou worden.

Bij verweerschrift in eerste aanleg heeft [verweerster] aangevoerd dat haar niet per brief of e-mail om toelichting is gevraagd. In zijn beroepschrift heeft [verzoeker] gesteld dat hij op 26 maart 2016 naar [verweerster] heeft gebeld met verzoek om doorverbinding naar de salarisadministratie, waarna de hoorn op de haak werd gegooid. [verweerster] heeft dit in haar verweerschrift in hoger beroep betwist en wederom de vraag opgeworpen waarom [verzoeker] haar geen e-mail heeft gestuurd.

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of [verzoeker] gebeld heeft, zoals hij stelt, nu uit de op 23 maart 2016 opgemaakte salarisspecificatie over periode 3.1 en het op basis daarvan uitbetaalde bedrag genoegzaam bleek dat [verweerster] de aangekondigde loonstop ook daadwerkelijk heeft toegepast bij de loonbetaling eind maart 2016.

In zijn pleitnotitie heeft [verzoeker] er voorts, onbestreden, op gewezen dat het op maandag 28 maart 2016 Tweede Paasdag was, zodat zijn ontslagname op 29 maart 2016 onverwijld was.

Het hof is van oordeel dat in het licht hiervan is voldaan aan de eis dat het ontslag onverwijld is genomen.

5.4

Met het voorgaande is nog niet gegeven dat het ontslag op staande voet ook terecht was omdat sprake was van een dringende reden. Artikel 7:679 lid 1 BW vereist daarvoor 'zodanige omstandigheden, die ten gevolge hebben dat van een werknemer redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren'. Het hof merkt op dat de vervolgens in lid 2 gegeven opsomming van situaties die een dringende reden op kunnen leveren, niet limitatief is.

Volgens [verweerster] was geen sprake van een onhoudbare toestand. Zij heeft erop gewezen dat [verzoeker] niet wilde inzien dat hij geen administratieve bescheiden mocht kopiëren en meenemen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft zij erkend dat het slechts om één bon bleek te gaan, maar dat dit pas later in de procedure is gebleken en dat zij bang was dat het om meer bescheiden ging. Zij is tot schorsing overgegaan omdat [verzoeker] niet wilde toezeggen dat hij het niet weer zou doen. Vervolgens heeft zij er alles aan gedaan om tot een nette oplossing te komen en toen [verzoeker] niet dan tegen een hoge vergoeding aan vertrek wilde meewerken, heeft zij gepoogd de zaak uit de juridische sfeer te trekken en tot werkhervatting te komen.

[verzoeker] , die werd bijgestaan door een advocaat, had andere mogelijkheden dan het ultimum remedium van ontslag op staande voet, zoals overleg, al dan niet met een mediator, protest tegen de loonstop en een loonvorderingsprocedure, of zelf ontbinding verzoeken, aldus [verweerster] .

5.5

Het hof is echter van oordeel dat [verzoeker] in de gegeven omstandigheden terecht gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid ontslag op staande voet te nemen. [verweerster] heeft hem zelf, op 29 februari 2016, beticht van diefstal en deze beschuldiging niet teruggenomen, ook niet in de brief van haar advocaat (die in zijn brief van 3 maart 2016 vermeldt dat [bestuurder 1] het ziet als diefstal). Voorts is zijn schorsing gehandhaafd hoewel niet is gebleken dat er meer aan de hand was dan dat [verzoeker] voor eigen gebruik een kopie van één bon had gemaakt en [verweerster] niet duidelijk heeft gemaakt waarop haar vermoeden gebaseerd was dat het om meer ging, en waarom het in bezit hebben van een kopie van een weegbon dergelijke forse maatregelen rechtvaardigt.

Voorts heeft de advocaat van [verweerster] duidelijk gemaakt dat afgestevend werd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst en is [verzoeker] min of meer geadviseerd een jurist in de arm te nemen voor overleg over een beëindigingsovereenkomst. [verzoeker] heeft daaraan gehoor gegeven en zijn advocaat heeft gecorrespondeerd met de advocaat van [verweerster] .

Daarna heeft [verweerster] een koerswijziging ingezet met de onder 3.11 geciteerde brief, rechtstreeks aan [verzoeker] , waarin zij de beschuldiging echter evenmin terugneemt. Kort daarop, op de eerste werkdag na de vakantie van zijn advocaat, heeft zij [verzoeker] meegedeeld dat zij geen loon doorbetaalt als hij na een gesprek twee dagen nadien niet komt werken.

Het hof is van oordeel dat [verweerster] niet als goed werkgever heeft gehandeld door [verzoeker] er enerzijds toe aan te zetten een advocaat in de arm te nemen voor onderhandelingen omtrent beëindiging van de arbeidsovereenkomst en anderzijds, tijdens de vakantie van die advocaat, buiten de juristen om een ander traject in te slaan waarbij [verzoeker] wordt meegedeeld dat hij geen loon meer krijgt wanneer hij niet komt praten over terugkeer en werkhervatting.

De opeenstapeling van de gehandhaafde beschuldiging van diefstal, op een flinterdunne basis, de gehandhaafde schorsing en de feitelijke toepassing van een loonstop onder de in de vorige zin beschreven omstandigheden, leveren een dringende reden op voor [verzoeker] .

Voor [verweerster] als werkgever geldt, anders dan bij een werknemer, niet dat de gevolgen van een ontslag op staande voet met het oog op het verspelen van een eventuele uitkering of vergoeding zo ernstig zijn, dat deze wijze van beëindiging alleen mag worden toegepast als ultimum remedium, zoals [verweerster] betoogt.

5.6

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepsgronden 1 tot en met 4 terecht voorgedragen. [verzoeker] heeft rechtsgeldig ontslag op staande voet genomen.

Daaruit volgt tevens dat de kantonrechter ten onrechte aan [verweerster] de vergoeding wegens onregelmatig ontslag heeft toegekend. Beroepsgrond 7 is evenzeer terecht opgeworpen.

5.7

Naar het oordeel van het hof was de rechtstreekse oproep van [verweerster] aan [verzoeker] om op 16 maart 2016 op gesprek te komen en daarna de werkzaamheden te hervatten op straffe van stopzetting van loon, in dit geval geen redelijke instructie die loonstopzetting rechtvaardigt. [verweerster] had de zaak immers kort daarvoor in handen gegeven van haar advocaat om tot het einde van de arbeidsovereenkomst te komen, en op diens voorstel heeft [verzoeker] zich tot een advocaat gewend die zich op 8 maart 2016 meldde (en kennelijk meteen daarna enkele dagen vakantie had). Dat recent ingeslagen pad was nog niet afgelopen. [verweerster] heeft geen plausibele reden gegeven waarom [verzoeker] , die na een disciplinaire maatregel thuis zat, op stel en sprong weer aan het werk zou moeten terwijl door de advocaat van [verweerster] een ontbindingsverzoek in het vooruitzicht was gesteld.

[verweerster] is daarom het niet betaalde loon verschuldigd over de periode vanaf de loonstop tot 29 maart 2016, de datum van ontslag op staande voet, zodat de gronden 5 opgaan.

5.8

[verzoeker] heeft voor het eerst in hoger beroep aanspraak gemaakt op wettelijke verhoging over het achterstallige loon. Die post is toewijsbaar, maar de verzochte wettelijke rente daarover is dan ook eerst toewijsbaar vanaf de datum van indiening van het beroepschrift.

5.9

Hetgeen hiervoor is overwogen heeft ook tot gevolg dat ten onrechte de aanspraak van [verzoeker] op gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 en lid 3 aanhef en onder a BW is afgewezen. Beroepsgrond 6 slaagt daarmee eveneens. [verzoeker] heeft verzocht deze vergoeding op de voet van artikel 7:677 lid 5 aanhef en onder b BW op een hoger bedrag te stellen, te weten het bedrag dat overeenkomt met het loon over de resterende duur van de arbeidsovereenkomst indien deze op de contractuele einddatum zou zijn geëindigd. Hij wijst er daarbij op dat indien [verweerster] op grond van diefstal een einde aan de arbeidsovereenkomst had willen maken, zij de juistheid van dat verwijt niet had kunnen aantonen. Het zou ook in de rede liggen dat [verweerster] dan een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen had moeten betalen, aldus [verzoeker] .

Het hof kan er niet op speculeren welke juridische stappen [verweerster] gezet zou hebben indien [verzoeker] geen ontslag op staande voet had genomen.

Duidelijk is wel dat het verwijt van diefstal, slechts gebaseerd op een gemaakt kopietje, en de escalatie van gebeurtenissen daarna de nog jonge [verzoeker] ernstig hebben aangegrepen. Gelet hierop oordeelt het hof dat een verdubbeling van de vergoeding, berekend volgens artikel 7:677 lid 3 aanhef en onder a BW, gerechtvaardigd is. Een verzevenvoudiging als verzocht is niet redelijk nu [verzoeker] er zelf voor heeft gekozen een tussentijds einde aan de arbeidsovereenkomst te maken.

Het hof zal daarom een vergoeding ter hoogte van twee maanden loon met vakantietoeslag toekennen. Gelet op het vaststaande salaris, zoals weergegeven onder 3.3, gaat het dan, na aftrek van de reiskostenvergoeding, om € 1.826,26 netto per maand ofwel € 3.652,52 netto.

5.10

De slotsom is dat de beroepsgronden slagen. De beschikking waarvan beroep, zowel gegeven op het verzoek van [verzoeker] als op het tegenverzoek van [verweerster] , wordt vernietigd.

[verweerster] zal in het verzoek van [verzoeker] worden veroordeeld tot betaling van het loon met vakantietoeslag vanaf de loonstop tot 29 maart 2016 en tot betaling van € 3.652,52 netto gefixeerde schadevergoeding, een en ander met wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid, en tot betaling van wettelijke verhoging over het achterstallige loon met wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2016. Het verzoek van [verweerster] zal worden afgewezen. [verweerster] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg, zowel in het verzoek van [verzoeker] (€ 600,- salaris gemachtigde) als in haar tegenverzoek (0,5 x € 600,- salaris gemachtigde) waarvoor € 471,- griffierecht is geheven, en in de kosten van het hoger beroep (€ 314,- griffierecht en € 1.788,- salaris advocaat op basis van 2 punten, tarief II van het liquidatietarief), te vermeerderen met nasalaris en wettelijke rente. Wettelijke rente over de proceskosten is niet toewijsbaar vanaf het instellen van hoger beroep, zoals verzocht, maar zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na deze uitspraak. Voorts dient [verweerster] terug te betalen wat [verzoeker] op basis van de beroepen beschikking reeds mocht hebben betaald.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter te Almelo van 21 juli 2016, zowel gegeven op het verzoek van [verzoeker] als op het tegenverzoek van [verweerster] , en opnieuw beschikkende:

veroordeelt [verweerster] tot betaling van:

a. het onbetaald gebleven loon met vakantietoeslag vanaf de loonstop tot 29 maart 2016;

b. € 3.652,52 netto op grond van artikel 7:677 lid 5 aanhef en onder b BW;

c. wettelijke rente over de posten a. en b. vanaf opeisbaarheid tot voldoening;

d. wettelijke verhoging over post a., met wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 20 oktober 2016;

veroordeelt [verweerster] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure in eerste aanleg, zowel in het verzoek van [verzoeker] als in haar tegenverzoek, tot op heden aan de zijde van [verzoeker] gesteld op € 471,- griffierecht en op € 900,- salaris gemachtigde,

en in de kosten van het hoger beroep, aan de kant van [verzoeker] vastgesteld op € 314,- griffierecht en € 1.788,- salaris advocaat volgens liquidatietarief, te vermeerderen met € 131,- nasalaris en met wettelijke rente over de verschuldigde proceskosten vanaf heden, indien deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan, met bepaling dat [verweerster] voorts wordt veroordeeld in de nakosten van € 68,- in geval zij niet binnen veertien dagen na heden aan de uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

veroordeelt [verweerster] voorts tot terugbetaling van hetgeen [verzoeker] inmiddels op basis van de vernietigde beschikking mocht hebben betaald;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.L. Fikkers, mr. A.E.F. Hillen en mr. A.A. van Rossum, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Hillen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.