Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2509

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
200.202.836
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:3337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, Wwz. Ontbinding arbeidsovereenkomst op zgn h-grond van docent geschiedenis op middelbare school. Hof bekrachtigt oordeel kantonrechter.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2018/741
AR 2017/2185
JAR 2017/150
AR-Updates.nl 2017-0546
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.202.836

(zaaknummers rechtbank Overijssel, locatie Enschede , 5321141 en 5336746)

beschikking van 24 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
verzoeker in het hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerder, verzoeker in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. S.M. Profijt,

tegen

de stichting
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaatsnaam] ( [plaatsnaam] ),
verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster, verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: het [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J. Schutter.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, locatie [plaatsnaam] ) van 31 augustus 2016.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift met producties van [appellant] , ter griffie ontvangen op 7 november 2016;

- het verweerschrift met producties van het [geïntimeerde] ;
- de op 7 januari 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald.

2.3

[appellant] heeft in zijn hoger beroepschrift verzocht de beschikking van de kanton-rechter te vernietigen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:

A. herstel van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2016,

dan wel op zo kort mogelijke termijn waarbij voor [appellant] die arbeidsvoorwaarden

zullen dienen te gelden die zouden gelden als geen ontbinding zou zijn uitgesproken,

op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag althans een door het hof

te bepalen bedrag voor elke dag dat het [geïntimeerde] , na 5 dagen na het wijzen

van de beschikking, niet voldoet aan de beschikking;

B. in geval van herstel van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht, het

[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.248,48 bruto

exclusief 8% vakantietoeslag en 7,4% eindejaarsuitkering per maand als loon voor

elke maand vanaf 1 oktober 2016, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex

artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de vervaldata;

C. in geval van herstel van de arbeidsovereenkomst op zo kort mogelijke termijn het

[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag als voorziening ter hoogte

van € 1.440,75 bruto per maand, voor elke maand vanaf 1 oktober 2016 tot het

moment dat de arbeidsovereenkomst is hersteld;

subsidiair,

indien het hof oordeelt dat het verzoek van het [geïntimeerde] om ontbinding van de

arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen, maar het hof het [geïntimeerde] niet

veroordeelt de arbeidsovereenkomst te herstellen:

D. betaling van een billijke vergoeding ex artikel 7:683 lid 3 BW ter hoogte van

€ 35.858,25 bruto dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen billijke vergoeding,
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2016;

meer subsidiair; indien het hof oordeelt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst

terecht heeft ontbonden:

E. betaling van een vergoeding in verband met tussentijdse beëindiging van een

arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ex artikel 7:671b lid 9 sub a BW ter hoogte

van € 15.858,25 bruto;

F. betaling van een billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 9 sub b BW ter hoogte van

€ 20.000,- bruto dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen billijke vergoeding,
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2016

primair, subsidiair en meer subsidiair:

met veroordeling van het [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure als de procedure

in eerste aanleg, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

3 De feiten

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.1.

[appellant] heeft in verband met zijn tweede graads opleiding tot docent geschiedenis in het schooljaar 2011-2012 stage gelopen bij de onder het [geïntimeerde] ressorterende scholengemeenschap [geïntimeerde] te [plaatsnaam] , verder te noemen 'de school'. Van januari 2015 tot juni 2015 heeft [appellant] nogmaals stage gelopen bij de school. Het betrof zijn afstudeerstage. Tijdens die stage heeft [appellant] een enquête onder docenten uitgezet over het onderwerp radicalisering, meer in het bijzonder of en in hoeverre daar op de school aandacht aan wordt besteed. In september 2015 is [appellant] op dit onderwerp aan de Hogeschool Windesheim te Zwolle afgestudeerd.

3.2.

Tijdens de stage van [appellant] in 2015 hebben leerlingen en/of ouders opgemerkt dat er op het internet foto's zichtbaar waren waaruit blijkt dat [appellant] bij een rechtszaak tegen onder andere de voorman van de NVU in de rechtbank [plaatsnaam] op 14 augustus 2012 aanwezig is geweest. Daarover is onrust op de school ontstaan.
[appellant] heeft op 13 mei 2015 een e-mail aan mevrouw [directeur] (directeur, verder: [directeur] ) gestuurd waarin onder meer het volgende is opgenomen:
"Vandaag bereikte mij via de mentor van klas [naam] (aan deze klas geef ik onder meer les) een verontrustend bericht. Leerlingen hebben mijn naam opgezocht via Google en kwamen terecht op een site waar ik met foto's en toenaam wordt beschreven als zijnde een neonazi. De leerlingen hebben volgens de mentor vragen gesteld aan meerdere docenten en aan de mentor, of een neonazi les mag geven etc.
Ik heb de site bekeken en kwam tot de conclusie dat dit foto's zijn van mij bij een bezoek aan de rechtbank. Ik heb destijds een rechtszaak tegen NVU-voorman [naam] bezocht, op de publieke tribune, uit politieke interesse. Iets wat uiteraard elke burger van Nederland vrij staat om te doen. Ik heb echter niets te maken met de personen die voor de rechter verschenen etc. ik ben dan ook beslist geen neonazi, maar het bericht in combinatie met de foto's op de site doen dit wel vermoeden.[…]
Zie hier de pagina in het bericht waarin ik te zien ben […]
Ik ben inmiddels bezig uit te zoeken wat ik kan ondernemen om dit van deze site af te krijgen, en om te kijken hoe ik bepaalde zoekresultaten van Google kan laten verwijderen, aangezien zij een grote aantasting zijn van mijn persoonlijke levenssfeer.[…]
Ik ben dus bezig om deze informatie over mij weg te krijgen. Wel heb ik de klas hierover gesproken, en benadrukt dat de info die ze tegenkwamen dus niet klopt.[…]."

3.3.

Eén en ander is de aanleiding geweest dat [directeur] en mevrouw [schoolcoördinator] (schoolcoördinator, verder: [schoolcoördinator] ) in juni 2015 met [appellant] een gesprek hebben gevoerd. Nader onderzoek door hen op het internet leverde toen op dat [appellant] vaker op het internet te vinden was met likes en berichten op - onder meer - de site van de NVU.
Het gaat om de volgende foto’s, likes en/of berichten:
"1. Datum voorjaar 2012
deelname aan de NVU mars in [plaatsnaam] (dit betreft de foto waaruit [appellant] aanwezigheid bij de rechtzaak tegen de voorzitter van de NVU blijkt, hof)
2. Datum november 2013
Eindelijk is de autobiografie klaar van onze partijleider. Een boek met harde kaft, 100 pagina's en 82 kleurenfoto's, op A5 formaat (iets groter) => met een like van [appellant]
3. Datum 28 december 2014
[appellant] : Krakers keihard aanpakken. Met zoveel mogelijk geweld de gestolen huizen uit jagen. Niets dan ordinaire dieven zijn het.
4. Datum november 2014
[inhoud informatie verwijderd]
Like van [appellant]
5. Datum 28 oktober 2013
[inhoud informatie verwijderd]
reactie van [appellant] : Net goed
6. Datum 14 november 2014
Reactie van [appellant] :"Bedankt jongens! Jullie leveren weer een flinke berg rechtse stemmers op! De ogen van het volk worden langzaam geopend, en als zij eenmaal het licht aanschouwen zal hun krachten niet te stoppen zijn!".
7. Datum 26 september 2013
[appellant] "Met zo'n burgemeester was hier 't wachten op "
Het betreft een reactie van werknemer op de informatie dat in Rotterdam een islamitische school wordt geopend en werknemer verwijst naar burgemeester Aboutaleb van Rotterdam.
8. Datum 30 juli 2013
[appellant] "Zet ze in hun eigen cel en hang ze op".
Het betreft een reactie van werknemer op krantenartikel waarin - voor zover van belang -wordt vermeld dat politiecommissarissen een hoger salaris wensen te ontvangen.
9. Datum 9 november 2014
[appellant] : Wat een ongelofelijke domme lesbische hippie. 'voel me schuldig omdat ik radicaal rechtse standpunten onderschrijf'. Ligt aan of aan ons? Achterlijk mens. Typisch ook. Laat maar lullen. Aan het eind staat de overwinning".
Het laatste bericht betreft een reactie van [appellant] op de NVU site waarbij het citaat 'Voel me schuldig omdat ik radicaal rechtse standpunten onderschrijf' was geplaatst door een - kennelijk - lesbische dame.

Een deel van deze gegevens, zoals die tijdens het gesprek in juni 2015 op het internet zijn gevonden, blijken nadien te zijn verwijderd dan wel onzichtbaar te zijn gemaakt.
De eerdergenoemde foto's zijn na juni 2015 - kennelijk - op verzoek van [appellant] via Google (eveneens) verwijderd.

3.4.

Bij brief van 2 juni 2016 heeft [appellant] naar aanleiding van een vacature voor een tweedegraads docent geschiedenis op de school gesolliciteerd. In zijn brief schrijft [appellant] onder meer: "[…] Naast de interesse in deze kans op een start als docent geschiedenis, kan ik mij ook vinden in de onderwijsvisie van de school. Wederzijds respect en actieve participatie vind ik belangrijke onderdelen van het onderwijs. Mijn doelstelling is daarnaast ontwikkeling van de leerling als zelfstandig persoon met een eigen mening en visie op het leven. Hierbij zorg ik voor een voldoende begeleiding afgestemd op de leerling, in een omgeving gericht op de samenleving. De voorbereiding van de leerling op een rol als verantwoordelijke burger van de maatschappij, naast het creëren van respect voor elkaar en elkaars levensovertuiging zijn vormen waarin ik mezelf thuis voel.[…]."

3.5.

Het sollicitatiegesprek vond plaats op 23 juni 2016. Namens de school werd dit gevoerd door mevrouw [waarnemend directeur] (waarnemend directeur, hierna: [waarnemend directeur] ) en twee docenten geschiedenis. Tijdens dit gesprek zijn de foto's van de aanwezigheid van [appellant] bij het proces tegen de NVU voorzitter in 2012 aan [appellant] getoond en is hij daarover bevraagd. De twee leraren geschiedenis waren vanuit de stageperiode van [appellant] met de foto's bekend. [waarnemend directeur] niet. Met de overige informatie zoals weergegeven onder 2.3 waren zij geen van drieën bekend. Voorts is [appellant] bevraagd of hij (rechtsextremistische) voorkeuren had, welke vraag hij ontkennend heeft beantwoord.
heeft, toen de foto's werden getoond, laten weten dat hierover in 2015 uitgebreid met [directeur] is gesproken en dat - kort gezegd - één en ander was afgehandeld. [waarnemend directeur] heeft [appellant] vervolgens gevraagd ‘Er was toch iets met Facebook’ of een vraag van gelijke strekking. [appellant] heeft ook daarop ontkennend geantwoord.

3.6.

Daags daarna, op 24 juni 2016, heeft [waarnemend directeur] [appellant] gebeld met de mededeling dat hij werd aangenomen in de functie tweede graads docent geschiedenis, voor 12-15 uur per week, voor één jaar. [appellant] heeft dit telefoongesprek opgenomen en uitgetypt overgelegd.

3.7.

Op 29 juni 2016 heeft [appellant] zich desgevraagd op school gemeld voor de administratieve afhandeling en andere docenten gesproken die hem feliciteerden met zijn baan op school.

3.8

Nadat op 29 juni 2016 op school bekend werd dat [appellant] werd aangesteld als docent geschiedenis zijn bij [waarnemend directeur] berichten binnen gekomen over het verleden van [appellant] en is nader onderzoek gedaan op het internet naar de persoon van [appellant] . Daarbij zijn de 'likes' en berichten van [appellant] als hiervoor in randnummer 3.3 vermeld (weer) gevonden en is [waarnemend directeur] daarmee bekend geworden. Voorts is toen ook informatie op internet gevonden die niet reeds in de stageperiode in juni 2015, tijdens het gesprek van [appellant] met [directeur] en [schoolcoördinator] , bekend was. Het gaat om de volgende informatie:
[appellant] 'liked' in december 2013 een webwinkel die kleding verkoopt met de tekst 'All cops are bastards', [appellant] is lid van de groep ' [groepsnaam] ' waar hardcore voetbalfans zich profileren en [appellant] heeft zijn naam op Facebook veranderd van [appellant] in [appellant] [plaatsnaam] .
Voorts is op internet te vinden, gedateerd 24 april 2015: "[…] Los daarvan moet je de Heraclieden hier niet al te serieus nemen. De desbetreffende personen die namens ons heel [plaatsnaam] voor lul zetten heten [naam derde] en [appellant] voor (de alom bekende [….]). Zoek ze eens op op Facebook en je neemt ze automatisch al niet meer serieus. […]."
en blijkens de site [site krant] , gedateerd 12 april 2016, zegt [appellant] naar aanleiding van zijn aandeel in de door hem gecreëerde (matige) sfeer in het Heracles stadion:
"Laat ze vinden wat ze willen. Wij hebben er schijt aan."

3.9.

[waarnemend directeur] heeft [appellant] op 29 juni 2016 in de middag gebeld met de mededeling dat de aanstelling niet door zou gaan 'vanwege nader verkregen/nieuwe informatie'. Een toelichting is op dat moment niet gegeven.

3.10.

Op 30 juni 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en zijn tante, tevens toenmalige gemachtigde, mr. E. Abels (hierna: mr. Abels) enerzijds en [waarnemend directeur] en de heer [gemachtigde] namens het [geïntimeerde] anderzijds. Aan werknemer is verteld dat hij niet als docent aan de slag zal kunnen.

3.11.

Op 30 juni 2016 heeft [waarnemend directeur] aan [appellant] geschreven:
"U heeft bij ons gesolliciteerd naar de vacature van docent geschiedenis bij het [geïntimeerde] , locatie Lyceumstraat.
We hebben daarna diverse gesprekken met u gevoerd. Op basis van de informatie die wij inmiddels hebben verzameld, hebben we besloten om u niet in deze vacature te benoemen. De redenen daarvoor zijn nu bekend, en zijn u in het telefoongesprek met mevrouw
[waarnemend directeur] op 29 juni jongstleden en vervolgens in het gesprek van 30 juni 2016 dat mevrouw [waarnemend directeur] en dhr. [gemachtigde] . [gemachtigde] met u en uw advocaten voerden, nader uiteengezet."

3.12.

Mevrouw mr. Abels heeft bij schrijven van 1 juli 2016 'op persoonlijke titel' op de brief van de school van 30 juni 2016 gereageerd en, kort gezegd, haar bezwaren geuit tegen de gang van zaken, onder meer inhoudend dat de school geen nadere toelichting heeft gegeven op de 'nieuwe informatie' die zou zijn binnengekomen, er ook geen nieuwe infor-matie is nu alle informatie van internet dateerde van voor de periode waarin werknemer in 2015 op de school stage liep, zijn gedrag een jeugdzonde betrof en werknemer zich tegen het besluit van werkgever om van de benoeming verder af te zien niet heeft kunnen verweren.

3.13.

De rector van de school, mevrouw Weekhout [hierna: Weekhout], heeft daarop bij brief van 1 juli 2016 gereageerd. Zij schrijft aan mr. Abels met kopie aan [appellant] :
"We blijven bij ons standpunt dat [appellant] uiteindelijk voor ons niet de geschikte kandidaat is om te worden benoemd in de functie van leraar geschiedenis aan het [geïntimeerde] . We zijn van mening dat er voldoende aanwijzingen zijn dat hij zich in elk geval nog tot zeer recent verbonden heeft met politieke voorkeuren die hem naar onze mening ongeschikt maken voor het doceren van het vak geschiedenis op onze school. We achten het overigens niet in het belang van het onderwijs en leerlingen dat er straks omtrent zijn persoon allerlei onrust gaat ontstaan die we op dat moment niet meer zelf in de hand zullen hebben. Het spijt me u niet anders te kunnen berichten."

3.14.

Bij brief van 8 juli 2016 heeft de gemachtigde van [appellant] - kort weergegeven - de school gesommeerd binnen vijf dagen te bevestigen dat [appellant] in het nieuwe schooljaar als docent geschiedenis tot het verrichten van de daaraan verbonden werkzaamheden zal worden toegelaten. De school heeft niet aan die sommatie voldaan en te kennen gegeven daaraan ook niet te zullen voldoen.

3.15.

[schoolcoördinator] heeft, gedateerd 12 juli 2016, een schriftelijke verklaring afgelegd waarin het volgende is vermeld:
" [appellant] liep stage bij ons op school gedurende het eerste half jaar van 2015. Aan het eind van de stage kwamen klachten binnen van ouders bij de locatie directrice mevrouw [directeur] .
De ouders hadden een vermoeden van rechts extremisme. Hier is binnen school onderzoek naar gedaan.
Daarna is besloten dat er een gesprek plaats moest vinden met [appellant] .
Mevrouw [directeur] en ondergetekende waren daarbij aanwezig.
[appellant] deed de klachten af als een incident.
Uit het onderzoek binnen school bleek dat het geen incident was. [appellant] is in het gesprek gewezen op het feit dat er op andere plaatsen op internet ook allerlei zaken zijn te vinden. Hij had niet verwacht dat dit gevonden zou worden.
In dat gesprek gaf mevrouw [directeur] aan dat ze als schoolleider [appellant] nooit zou aannemen als docent. De docent heeft een voorbeeldfunctie.
Overigens heeft [appellant] onderzoek gedaan binnen de school over radicalisering.
Het onderzoek is persoonlijk door mevrouw [directeur] nagekeken."

3.16.

[appellant] heeft het [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en daarbij - voor zover hier van belang - wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom gevorderd.
De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen.

4 Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

Het [geïntimeerde] heeft de kantonrechter verzocht, indien en voor zover moet worden aangenomen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, subsidiair onderdeel g en meer subsidiair onderdeel h BW.

4.2

[appellant] heeft afwijzing van het verzoek verzocht. Hij heeft op zijn beurt de kantonrechter verzocht voor zover de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, bij wege van tegenverzoek om toekenning van een vergoeding in verband met de tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een billijke vergoeding, voorts om bij de ontbinding rekening te houden met een opzegtermijn van één maand en het [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de verzochte vergoedingen, met veroordeling van het [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, die deels uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kort weergegeven de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van

1 oktober 2016 ontbonden met veroordeling van [appellant] tot betaling van de proceskosten. De kantonrechter heeft de tegenverzoeken van [appellant] afgewezen met diens veroordeling in de proceskosten.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld. Daarmee heeft [appellant] geen belang bij
de grieven I tot en met VI.

5.2

Het hof begrijpt het standpunt van het [geïntimeerde] aldus dat alle door haar genoemde feiten en omstandigheden ook ten grondslag worden gelegd aan het beroep op de zogenoemde h-grond (artikel 7:669 lid 3 onderdeel h BW). Het hof zal deze feiten en omstandigheden in zijn beoordeling betrekken. Het hof stelt voorop dat in hoger beroep tussen partijen vaststaat dat een arbeidsovereenkomst is gesloten.

5.3

Het hof stelt voorts voorop dat in deze zaak niet ter beoordeling voorligt of het [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellant] als leraar mocht beëindigen louter op grond van zijn (veronderstelde) politieke opvattingen en overtuiging. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het [geïntimeerde] benadrukt dat daarvan ook geen sprake is geweest en dat het haar ging om de door [appellant] gedane uitingen en, zo begrijpt het hof, hetgeen daarop is gevolgd. Het hof kan [appellant] volgen in zijn standpunt dat het [geïntimeerde] daarover in de correspondentie en uitlatingen van haar zijde destijds niet altijd even duidelijk is geweest. Dit doet er evenwel niet aan af dat het hof van het voorgaande dient uit te gaan.

5.4

Overigens, zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is

gebleken, moet worden vastgesteld dat de eerdere verklaring van [appellant] omtrent zijn

opvattingen niet volledig juist was. [appellant] heeft thans erkend dat hij in het

verleden wel (anders dan louter politiek of historisch) belangstelling had voor groepen als de NVU en de daarbij behorende overtuiging, maar dat dit moet worden gezien in het kader van de zoektocht van een jongere op weg naar volwassenheid. Hij heeft nadrukkelijk gesteld dat hij inmiddels tot andere inzichten is gekomen en al enige tijd tot de conclusie is gekomen dat hij zich met de genoemde overtuiging niet kan en wenst te verenigen. Hij heeft van het verleden geheel afstand genomen en dit dient hem niet blijvend te worden nagedragen, zo heeft hij aangevoerd. Dit laatste wordt door het hof onderschreven.

Dit neemt niet weg dat het hof zal moeten oordelen over de vraag of de kantonrechter terecht tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen deze partijen is overgegaan.

5.5

De daarvoor relevante feiten beginnen met de commotie die is ontstaan rond zijn (tweede) stage op de school in het kader van de studie van [appellant] als docent geschiedenis. Er vinden dan twee incidenten plaats. Het eerste intern en het tweede mede extern. Het eerste incident betreft het feit dat [appellant] in het kader van zijn stage en eindscriptie aan alle docenten een enquête toezendt, waarin zij verzocht worden vragen te beantwoorden over hun ervaringen ten aanzien van radicalisering van studenten. Diverse docenten beklagen zich over die vragen bij de schoolleiding. [appellant] voert aan dat hij niet eigengereid heeft gehandeld, zoals hem wordt verweten, maar dat hij hierover overleg heeft gevoerd met een van de leidinggevenden en dat dit kennelijk niet bij iedereen van de schoolleiding bekend is. Het [geïntimeerde] laat daarop de zaak rusten maar verlangt wel dat de verwerking van de enquête vooraf wordt voorgelegd aan locatiedirecteur [directeur] , die uiteindelijk de teksten aanpast nu conclusies werden getrokken die niet gedragen werden door de onderzoeksresultaten.

5.6

Het tweede incident bleef, anders dan het vorige, niet louter intern. Naar aanleiding van klachten van ouders over door [appellant] tegenover de leerlingen beweerdelijk gedane uitlatingen, die als discriminerend werden ervaren, hebben leerlingen [appellant] gegoogeld. Zij zijn daarbij gestuit op een foto waarop [appellant] te zien is als aanwezig bij het gerechtsgebouw in Almelo , voorafgaand aan de behandeling van een strafrechtelijke procedure tegen de voorman van de NVU.

5.7

Het [geïntimeerde] heeft in die fase zelf onderzoek doen verrichten, vooral op het internet, naar [appellant] en daarbij is de hiervoor onder 3.3. genoemde informatie betreffende uitlatingen van [appellant] op het internet in 2013 en 2014 bekend geworden. Dit heeft geleid tot een gesprek tussen [appellant] en de schoolleiding van het [geïntimeerde] . [appellant] heeft zijn aanwezigheid bij de genoemde rechtszaak daarop desgevraagd afgedaan als toeval en gebaseerd op interesse vanuit zijn opleiding tot historicus. Hij heeft over de gewraakte uitlatingen op het internet in hoger beroep onder meer verklaard dat die uitingen niet heel diplomatiek (nrs. 3, 8 en 9) respectievelijk genuanceerd waren (nr. 7), maar dat dit niet betekent dat hij rechts extremistisch is. Een deel van de uitlatingen is inmiddels door [appellant] ook van het internet verwijderd. Ook destijds in het gesprek met de schoolleiding heeft [appellant] de genoemde situaties op vergelijkbare wijze verklaard. [appellant] heeft overigens de feitelijke juistheid dat sprake was van de vermelde uitingen niet bestreden.

5.8

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de door [appellant] publiekelijk gedane uitlatingen niet passen bij hetgeen het [geïntimeerde] van een docent op haar school verwacht, te weten het bekleden van een voorbeeldfunctie die moet passen bij de missie en de onderwijsvisie van de school, waarbij de docent zelf dient te zorgen voor een respectvolle omgang met anderen, verdraagzaamheid en tolerantie. [appellant] heeft die rol van de docent ook niet bestreden en hij heeft dit uitgangspunt blijkens zijn sollicitatiebrief ook onderschreven waar hij spreekt over ‘wederzijds respect’ als belangrijk onderdeel van het onderwijs. De school heeft evenwel naar het oordeel van het hof mogen concluderen dat de publiekelijke uitlatingen van [appellant] in het recente verleden niet overeenstemden met dit uitgangspunt en zij mocht daaraan zwaarwegende betekenis hechten.

5.9

Het [geïntimeerde] heeft daarmee naar het oordeel van het hof overigens aan haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet ten grondslag gelegd de uit haar

godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag voortvloeiende identiteit, zoals bedoeld in

artikel 7:671 lid 1 aanhef en onder h BW, althans is dit door [appellant] onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd na de gemotiveerde betwisting door het [geïntimeerde] bij verweerschrift (sub 36 en 37), zodat anders dan [appellant] heeft gesteld (appelschrift sub 36 en 37), reeds daarom voor opzegging/ontbinding geen toestemming is vereist van een onafhankelijke en onpartijdige commissie.

5.10

In aansluiting op hetgeen hiervoor onder 5.8 is overwogen, overweegt het hof als

volgt. De school heeft geconstateerd dat de verklaringen en uitlatingen van [appellant] bij

gelegenheid van het sollicitatiegesprek en ook daarvoor niet steeds volledig dan wel

zorgvuldig waren, hetgeen niet heeft bijgedragen aan het vertrouwen in hem. Zo staat tussen

partijen vast dat uitingen van [appellant] op het internet in het sollicitatiegesprek aan de orde

zijn geweest. Partijen zijn niet geheel eensluidend over de wijze waarop dit door de adjunct/waarnemend locatiedirecteur [waarnemend directeur] , die [directeur] verving, aan de orde is gesteld maar ook als juist zou zijn de lezing van [appellant] dat hem gevraagd is: ‘Er was toch iets met Facebook?’ en niet ’of hij actief is of is geweest op Facebook en/of andere social media waaruit een eventuele voorkeur voor het rechtsextremistisch gedachtengoed zou kunnen blijken' zoals het [geïntimeerde] heeft aangevoerd (randnummer 11 conclusie van antwoord/verzoekschrift) is van een volledige opening van zaken aan de zijde van [appellant] daarop geen sprake geweest. Zeker niet omdat hij had kunnen constateren dat [directeur] , die van de eerdere discussie op de hoogte was, niet in de sollicitatiecommissie zat. Zijn verwijzing naar de aanwezigheid en de, door hem veronderstelde, kennis van twee docenten van de sectie geschiedenis in de sollicitatiecommissie kan hem daarbij niet baten. Immers, bij de gesprekken van hem met Heijmans en [schoolcoördinator] in 2015 waren zij niet aanwezig.

5.11

Door deze onvolledige informatieverstrekking heeft [appellant] het [geïntimeerde] op het verkeerde been gezet en kon hij aan dat sollicitatiegesprek niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het inmiddels allemaal wel goed zou zitten en dat het verleden uitsluitend met de - in zijn ogen opgeloste - discussie over de scriptie van doen had. Daarbij betrekt het hof dat ook het e-mailbericht van [appellant] van 13 mei 2015 aan [directeur] , naar aanleiding van de commotie over de door de googelende leerlingen opgekomen informatie, in elk geval evenmin volledig was zo niet, gelet op de erkenning in hoger beroep (zie hiervoor sub 5.4), feitelijk deels onjuist.

5.12

Tegen deze achtergrond mocht het [geïntimeerde] vrezen dat het doorzetten van de

benoeming van [appellant] (opnieuw) tot ophef en onrust zou leiden. Beide partijen hebben benadrukt dat ook de publiciteit over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [appellant] massaal geweest, terwijl het [geïntimeerde] onvoldoende bestreden heeft aangevoerd dat een aantal leerlingen en ouders die betrokken waren bij de kwestie uit 2015 ook nu nog aan de school verbonden zijn. Voorts is inmiddels alsnog een foto opgedoken waarop [appellant] te zien is als deelnemer aan een NVU demonstratie in 2011 in Ede (productie 1 bij verweerschrift in hoger beroep). [appellant] heeft de juistheid daarvan onvoldoende bestreden. Het [geïntimeerde] mocht in haar afweging betrekken dat hernieuwde intensieve media-aandacht en te verwachten bezwaren van ouders en leerlingen zoveel mogelijk moesten worden voorkomen, zowel vanuit het belang van de school als vanuit het belang van [appellant] zelf. Dat leverde weliswaar op dat moment nog niet een verstoorde relatie tussen de school en [appellant] op, maar die verstoring kon naar het oordeel van het hof geredelijk worden verwacht. Daarmee was ook het vertrouwen in [appellant] en in een goede samenwerking met hem komen te ontvallen. Dat [appellant] beschikt over lesgevende capaciteiten, hetgeen door docenten van de opleiding zou zijn bevestigd zoals [appellant] heeft aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders.

5.13

Van het [geïntimeerde] mag niet worden verlangd dat zij een docent te werk stelt door wiens recente maatschappelijk optreden en publiekelijke uitlatingen (naar vorm en inhoud) in 2015 grote onrust en commotie is ontstaan onder leerlingen, ouders en docenten, welke onrust en commotie aanhielden. De vrees was gerechtvaardigd dat het in stand laten van de arbeidsovereenkomst met [appellant] , voor leerlingen in de weg zou staan aan een voor het onderwijs vereiste rustige klimaat terwijl daardoor ook het vereiste vertrouwen van ouders in de school zou worden aangetast. Onder de gegeven omstandigheden mocht het [geïntimeerde] die belangen zwaarder laten wegen dan het individuele belang van [appellant] bij het desondanks continueren van de arbeidsovereenkomst. Dat het [geïntimeerde] die afweging niet reeds ten tijde van de tostandkoming van de arbeidsovereenkomst kon maken, vindt vooral haar oorzaak in de omstandigheid dat [appellant] niet van meet af aan alle relevante informatie open met het [geïntimeerde] heeft gedeeld. Het [geïntimeerde] mocht daarom de arbeidsovereenkomst alsnog beëindigen.

5.14

Daarbij komt nog het volgende. [appellant] heeft in hoger beroep, na aanvankelijke

betwisting, erkend dat in het eindgesprek in 2015 [directeur] heeft verklaard dat [appellant]

niet hoefde te rekenen op een benoeming op de school in de toekomst. Zij was van mening

dat hij ongeschikt was als leraar geschiedenis. Daargelaten of [appellant] dit spontaan had

moeten melden bij gelegenheid van het sollicitatiegesprek, hetgeen immers niet in zijn

belang was, is het hof van oordeel dat toen later van die verklaring tegenover [appellant] bleek, dit bij de beoordeling wel een rol kan spelen. Immers, daarmee had het [geïntimeerde] in feite reeds een standpunt over zijn geschiktheid voor een functie als docent geschiedenis aan de school bepaald en was dat standpunt ook bekend aan [appellant] . Door desondanks al een jaar later toch te solliciteren nam hij het risico dat deze informatie in de weg zou blijken te staan aan (voortzetting van) een dienstverband. De enkele omstandigheid dat inmiddels [directeur] was uitgevallen en de informatie over de afloop van de stage niet was gedeeld, kan daarmee niet in zijn voordeel werken.

5.15

Het betreft aldus de combinatie van het recente karakter van de voorafgaande gebeurtenissen, de verzwijging daarvan en de gerechtvaardige verwachting van grote onrust onder leerlingen, ouders en docenten, die de doorslag geeft. Het hof is van oordeel dat aldus sprake is van een voldragen zelfstandige ontbindingsgrond in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub h BW. Het gaat immers om een redelijk grond in het belang van het functioneren van de school. Daarmee faalt grief VIII. Anders dan [appellant] ziet het hof, gelet op de ontstane situatie en de (te verwachten) publiciteit, geen mogelijkheden voor herplaatsing van [appellant] . Hij heeft ook nagelaten dit standpunt feitelijk te onderbouwen. Daarmee faalt ook grief IX.

5.16

Het hof hecht eraan het navolgende op te merken. Gelet op hetgeen hiervoor is

overwogen heeft deze zaak, anders dan deze zich in eerste instantie liet aanzien en in elk

geval (deels) in de media is geframed, niet betrekking op de vraag of een docent extremistische opvattingen mag hebben dan wel of hij daarom mag worden ontslagen met

alle gevolgen, wellicht ook voor de toekomst, van dien. De zaak ziet veeleer op de kwestie of

door [appellant] voldoende openheid is betracht in zowel het recente verleden tijdens zijn stage op de school als bij gelegenheid van de sollicitatie, hetgeen van betekenis is voor het noodzakelijke vertrouwen in hem, en voorts ziet deze zaak op de vraag of de door [appellant] gedane uitingen in het publieke domein, door middel van social media, te verenigen zijn met hetgeen een school van een docent mag verwachten. Dit laatste illustreert het gevaar van het gebruik van social media, ook als privé-persoon, en dat dit betekenis kan krijgen in het juridisch domein. Een gevaar dat door justitiabelen pleegt te worden onderschat. [appellant] heeft nog aangevoerd dat hij nu niet meer de puberende jongen van destijds was en dat hij daarvan afstand heeft genomen. Dit moge zo zijn maar daarmee verliest het verleden niet zijn betekenis. Wat gedaan is kan niet zonder meer ongedaan worden gemaakt. Dat eenieder in beginsel een tweede kans verdient, mocht [appellant] daarop doelen, wordt overigens ook door het hof onderschreven. Het hof wenst te benadrukken dat hetgeen zich heeft afgespeeld bij het [geïntimeerde] , [appellant] niet ongeschikt maakt als docent geschiedenis elders. Hij heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat hij inmiddels elders op gesprek is geweest en niet het verleden maar zijn gebrek aan ervaring hem daar parten heeft gespeeld.

5.17

Met grief X komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de CAO VO (hierna: de CAO) van toepassing is als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst tussentijds kan worden opgezegd op grond van artikel 10.a.5 CAO en de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2016 wordt ontbonden. Het hof overweegt als volgt. De omstandigheid dat het [geïntimeerde] aanvankelijk het standpunt heeft ingenomen dat geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, staat er, anders dan [appellant] heeft betoogd, niet aan in de weg dat naast het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst (hetgeen nu tussen partijen vaststaat), ook de CAO toepasselijk is geworden. Niet bestreden is de stelling van het [geïntimeerde] en de overweging van de kantonrechter dat in de vacature naar de onderhavige CAO is verwezen. De stelling van het [geïntimeerde] dat tijdens het sollicitatiegesprek expliciet verwezen is naar de toepasselijkheid van de CAO is door [appellant] evenmin voldoende gemotiveerd weersproken, de enkele omstandigheid dat hij zich dat niet kan herinneren is daartoe onvoldoende. Tenslotte wordt ook op de website van het [geïntimeerde] verwezen naar de CAO. Daarmee heeft het [geïntimeerde] beoogd de CAO van toepassing te doen zijn op te sluiten arbeidsovereenkomsten, hetgeen [appellant] heeft moeten begrijpen en het [geïntimeerde] heeft mogen verwachten. Aldus moet de CAO als tussen partijen overeengekomen worden beschouwd en is daarmee toepasselijk. Niet in het geding is dat deze CAO de mogelijkheid kent van tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Het hof verenigt zich daarmee met hetgeen de kantonrechter in het bestreden vonnis in de rechtsoverwegingen 4.2.9, 5.1, 4.3 en 5.3 heeft overwogen en maakt dit oordeel tot het zijne. Daarmee faalt grief X. Ook de meer subsidiair verzochte vergoedingen op basis van artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder a en b BW in verband met tussentijdse beeindiging van de arbeidsovereenkomst stuiten af op het voorgaande.

5.18

Voor toewijzing van hetgeen [appellant] primair en subsidiair heeft verzocht is gelet op het vooroverwogene aldus geen plaats. De stelling van [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep dat de omvang van de dienstbetrekking een andere was dan in de uitspraak van de kantonrechter tot uitgangspunt is genomen, kan [appellant] niet baten. Niet alleen staat hieraan de tweeconclusieregel in de weg en dient een wijziging van verzoek in beginsel in het eerste processtuk in hoger beroep plaats te vinden, maar tevens ziet de wijziging kennelijk alleen op loon over de periode ná 1 oktober 2016 zodat de periode daaraan voorafgaand, waarover salaris is betaald, niet in het geding is. Daarnaast geldt dat de wijziging uitsluitend ziet op de verzoeken tot toewijzing van een billijke vergoeding die, zoals hierna zal worden overwogen, niet toewijsbaar is.

5.19

Met grief XI komt [appellant] op tegen de afwijzing van de verzochte billijke vergoeding wegens ernstige verwijtbaarheid van de werkgever. Het hof is met de kanton-rechter van oordeel dat weliswaar het handelen van het [geïntimeerde] wellicht niet in alle opzichten helder en consistent is geweest, maar dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever als bedoeld in artikel 7:671b lid 8 aanhef en sub c BW.

5.20

Voor zover [appellant] toewijzing van een billijke vergoeding bepleit omdat hij zou zijn weggezet als een rechts-extremist, stuit dat af op hetgeen hiervoor onder 5.2 en 5.3 is overwogen. Van een verboden onderscheid is niet gebleken. Ook de stelling dat het [geïntimeerde] het heeft laten aankomen op een procedure met alle publiciteit van dien kan [appellant] niet baten. Niet alleen heeft [appellant] in eerste aanleg de keuze van het voeren van een kort geding gemaakt maar ook onbestreden is gebleven de stelling van het [geïntimeerde] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep dat partijen ten tijde van het kort geding gepoogd hebben een regeling te treffen om publiciteit te voorkomen, waaruit blijkt dat het [geïntimeerde] daartoe kennelijk in beginsel bereid was. Voorts is onbestreden gebleven dat ook het [geïntimeerde] verrast was door de massale publiciteit die na de zitting is ontstaan en dat zij maar op zeer beperkte schaal is ingegaan op verzoeken van de media om een reactie. Dat deze reactie feitelijk onjuist was, dan wel in het kader van deze toch tamelijk buitengewone kwestie onnodig grievend was, is niet gebleken. Het [geïntimeerde] heeft voorts niet in de hand op welke wijze de media de door het [geïntimeerde] verstrekte informatie openbaar maken. Deze verantwoordelijkheid berust niet primair bij het [geïntimeerde] . Het stond tenslotte het [geïntimeerde] , mede gelet op de ontstane publiciteit, vrij haar achterban - inclusief de raad van advies - op zakelijke wijze omtrent deze situatie te informeren. Grief XI faalt. Aan een vergoeding wordt dan ook niet toegekomen.

5.21

Grief XII komt op tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Nu [appellant] in het ongelijk is gesteld, ligt veroordeling van [appellant] in de proceskosten in de rede.

5.22

Nu hetgeen te bewijzen is aangeboden, mits bewezen, niet tot een ander oordeel kan leiden, gaat het hof aan het bewijsaanbod voorbij.

Slotsom

5.23

Het hoger beroep faalt.

5.24

Het hof zal [appellant] als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van het [geïntimeerde] zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 718,- voor griffierecht en op € 1.788,-voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep).

6
6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van het [geïntimeerde] vastgesteld op € 718,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.J.N. van Osch, M.E.L. Fikkers en G. van Rijssen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2017.