Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2418

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
200.185.924/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Namens appellant is aangegeven dat hij niet in staat is van grieven te dienen. Hierdoor is het recht om van grieven te dienen, vervallen. Het beroep is verworpen en appellant is in de proceskosten verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.185.924/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/155069 / HA ZA 15-73)

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

1 [appellant] , en

2. [appellante],

wonende te [A] (Verenigde Staten van Amerika),

appellanten,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen, kantoorhoudend te Roermond,

tegen

1 [geïntimeerde1] , en

2. [geïntimeerde2],

wonende te [B] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. P.H.F. Yspeert, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het incidenteel vonnis van 19 augustus 2015 en het eindvonnis van 11 november 2015 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 9 februari 2016 (met één productie) is door [appellanten] c.s. hoger beroep ingesteld van voormeld eindvonnis van 11 november 2015 met dagvaarding van [geïntimeerden] c.s. tegen de zitting van 23 februari 2016. De conclusie van de appeldagvaarding strekt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] c.s., kosten rechtens.

2.2

Ter rolle van 5 april 2016 is namens [appellanten] c.s. aangegeven dat zij niet in staat zijn van grieven te dienen.

2.3

[geïntimeerden] c.s. hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid ex art. 2.16 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr), zoals die bepaling heeft geluid tot 1 september 2016, om op de rol van 19 april 2016 te verzoeken een memorie van eis in incidenteel appel te mogen nemen. Wel hebben zij op 19 april 2016 arrest gevraagd.

2.4

Ten slotte heeft het hof arrest bepaald, waartoe [geïntimeerden] c.s. de stukken hebben overgelegd.

3 De beoordeling

3.1

[appellanten] c.s. zijn woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. [geïntimeerden] c.s. hebben bij inleidende dagvaarding (onder meer en samengevat) gevorderd dat [appellanten] c.s. worden veroordeeld om mee te werken aan de registratie van de overdracht van toeslagrechten bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). [geïntimeerden] c.s. baseren deze vordering op een tussen partijen op 28 februari 2013 gesloten koopovereenkomst. Aldus is sprake van een zaak betreffende een verbintenis uit overeenkomst die in Nederland moet worden uitgevoerd, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van art. 6 aanhef en onder a Rv. Die rechtsmacht is door [appellanten] c.s. in eerste aanleg overigens niet betwist.

3.2

In het H2-formulier dat namens [appellanten] c.s. is ingediend voor de rol van 5 april 2016, is vermeld dat [appellanten] c.s. hun advocaat niet in staat stellen om de memorie van grieven op te stellen en in te dienen. De advocaat van [appellanten] c.s. heeft hun zowel telefonisch als schriftelijk de gevolgen hiervan voorgehouden, maar dat heeft er niet toe geleid dat [appellanten] c.s. in staat zijn de proceshandeling te verrichten. [appellanten] c.s. zijn derhalve niet in staat de memorie van grieven te nemen, aldus hun advocaat in het H2-formulier.

3.3

Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] c.s. geen memorie van grieven hebben genomen en dat zij dat ook niet meer gaan doen. Nu derhalve moet worden aangenomen dat [appellanten] c.s. geen grieven hebben ontwikkeld tegen het vonnis waarvan beroep, en in aanmerking nemend dat het beroepen vonnis niet in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal het hoger beroep van [appellanten] c.s. worden verworpen.

3.4

[appellanten] c.s. moeten in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal [appellanten] c.s. dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: ½ punt in tarief II).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep van [appellanten] c.s.;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. tot aan deze uitspraak op € 314,- aan verschotten en op € 447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 maart 2017.