Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2412

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
200.184.418/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis. Rechtbank verwees naar hof op grond van artikel 1064a Rv. Hof verwijst terug naar rechtbank omdat ingevolge het overgangsrecht het oude recht van toepassing is (arbitrage van voor 1 januari 2015) en ingevolge dat oude recht de rechtbank bevoegd is (artikel 1064 lid 2 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2017/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.418/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/176721 / HA-ZA 15-514)

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [A] ,

eiser,

hierna: [eiser] ,

advocaat: mr. G.M. Tiddens, kantoorhoudende te Groningen,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [A] ,

gedaagde,

hierna: [gedaagde],

advocaat: mr. A.J. Brink, kantoorhoudende te Heerenveen,

1 Het procesverloop

1.1

Bij inleidende dagvaarding van 18 september 2015 heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard voor de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle. Gevorderd wordt, kort gezegd, de gedeeltelijke vernietiging van een tussen partijen gewezen arbitraal vonnis van 9 juni 2015. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Bij vonnis van 6 januari 2016 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, geoordeeld dat ingevolge artikel 1064a lid 1 Rv het gerechtshof van het resort waarin de plaats van arbitrage is gelegen bevoegd is van de vordering tot vernietiging kennis te nemen en heeft zij de zaak op de voet van artikel 73 Rv. voor behandeling naar dit hof verwezen.

1.2

Vervolgens heeft [gedaagde] pleidooi gevraagd. Nadat een datum voor het pleidooi was bepaald heeft de advocaat van [gedaagde] echter laten weten dat hij en [gedaagde] niet zullen verschijnen. Wel is ter zitting verschenen de advocaat van

[eiser] , mr. C.S.G. de Lange die ter waarneming van mr. Tiddens heeft gepleit overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnotitie. Het hof heeft de advocaat van

[eiser] voorgehouden dat het naar zijn voorlopig oordeel niet bevoegd is van de vordering kennis te nemen, tenzij partijen de zaak bij wege van prorogatie voorleggen aan het hof.

1.3

Vervolgens hebben partijen ter rolle doen weten dat wordt afgezien van prorogatie en hebben zij arrest gevraagd.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen is het navolgende niet in geschil. Bij e-mailbericht aan het secretariaat van het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) gedateerd 13 augustus 2013 heeft [gedaagde] een arbitrage aangemeld tegen [eiser] . Bij brief van 19 augustus 2013 heeft

[gedaagde] de arbitrageaanvraag schriftelijk ingediend, onder overlegging van een concept memorie van eis, met producties. Vervolgens is tussen partijen verder geprocedeerd in deze arbitrageprocedure en hebben de door NAI benoemde arbiters op 14 mei 2014 een arbitraal tussenvonnis gewezen, uit welk vonnis de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt (productie 1 bij de conclusie van antwoord). Na verder procederen is op 9 juni 2015 een arbitraal eindvonnis gewezen (door de rechtbank wordt per abuis gesproken over een vonnis van 30 juni 2015), zoals overgelegd als productie 2 bij de inleidende dagvaarding. Dit arbitraal vonnis is op 18 juni 2015 ter griffie van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, gedeponeerd. De plaats van arbitrage is Zwolle.

2.2

In het arbitraal eindvonnis zijn de vorderingen van [gedaagde] afgewezen. Voorts is beslist dat partijen (broer en zus) ieder de helft van de arbitragekosten dienen te betalen (waarbij het totaal van deze kosten tot aan de deponering is begroot op € 103.649,42) en dat partijen ieder de eigen kosten van juridische bijstand dienen te dragen.

2.3

De onderhavige vordering van [eiser] strekt tot partiële vernietiging van het arbitraal eindvonnis, namelijk voor zover dit vonnis ziet op de beslissing tot verdeling van de arbitragekosten bij helfte, en tot het geven van een verklaring voor recht dat

[gedaagde] de volledige kosten van de arbitrage dient te dragen.

2.4

De rechtbank heeft geoordeeld dat ingevolge artikel 1064a lid 1 Rv het gerechtshof van het resort waarin de plaats van arbitrage (in casu: Zwolle) is gelegen bevoegd is van de vordering tot vernietiging kennis te nemen en zij heeft de zaak op de voet van artikel 73 Rv voor behandeling naar het hof verwezen.

2.5

Ingevolge artikel 74 lid 3 Rv is het hof niet aan de verwijzing door de rechtbank gebonden. Het hof dient op de voet van artikel 72 Rv ambtshalve zijn bevoegdheid te beoordelen.

2.6

Vaststaat dat de arbitrage aanhangig is gemaakt vóór 1 januari 2015, namelijk in augustus 2013. De Wet van 2 juni 2014 tot wijziging van Boek 3, Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht is in werking getreden op 1 januari 2015. Op grond van artikel IV lid 2 van genoemde wet is de wet niet van toepassing op arbitrages die aanhangig zijn gemaakt of waren voor de datum van inwerkingtreding van de wet (1 januari 2015). Op die arbitrages blijft het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van de wet gold (hierna: het oude recht). In vervolg daarop bepaalt het vierde lid van artikel IV dat de wet niet van toepassing is op zaken die bij de rechter aanhangig zijn gemaakt of waren indien en voor zover het gaat om arbitrages als bedoeld in het tweede lid. Ook op die zaken blijft het oude recht van toepassing.

2.7

Nu de onderhavige arbitrage reeds aanhangig was vóór 1 januari 2015, is daarop vanaf die datum niet het nieuwe arbitragerecht van toepassing geworden en is het oude recht blijven gelden. Dit oude recht is dan tevens van toepassing op de onderhavige vordering tot vernietiging. Onder het oude recht ontbrak een bepaling als het huidige artikel 1064a lid 1 Rv, dat inhoudt dat vorderingen tot vernietiging van een arbitraal vonnis dienen te worden ingesteld bij het gerechtshof van het ressort waarin de plaats van arbitrage is gelegen. In artikel 1064 lid 2 Rv van het voor 1 januari 2015 geldende recht werd bepaald:

"De vordering tot vernietiging wordt ingesteld bij de rechtbank ter griffie waarvan het origineel van het vonnis volgens artikel 1058, eerste lid, moet worden nedergelegd."

2.8

Gelet op het voorgaande en gezien het feit dat partijen niet voor prorogatie hebben gekozen, dient het hof zich onbevoegd te verklaren om van het geschil kennis te nemen en de zaak te verwijzen naar de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.

3 De beslissing

Het gerechtshof;

verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen;

verwijst de zaak naar de rol van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van woensdag

19 april 2017, op welke zitting partijen vertegenwoordigd door een advocaat dienen te verschijnen en zich bij akte dienen uit te laten over de voortzetting van de procedure;

bepaalt dat inzake de verschuldigde griffierechten zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 9 lid 5 van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken, in die zin dat het verschil tussen het griffierecht tarief hof en het griffierecht tarief rechtbank wordt teruggestort.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. G. van Rijssen en mr. J.N. Bartels en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

21 maart 2017.