Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2398

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
WAHV 200.164.651
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding. Niet tijdig doorzenden van stukken door bewindvoerder komt voor rekening van de betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.164.651

22 maart 2017

CJIB 170525402

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 21 november 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De toenmalige gemachtigde van de betrokkene, [gemachtigde] , heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

[gemachtigde] heeft op 19 augustus 2015 de griffier van het hof per e-mail laten weten niet langer de belangen van de betrokkene te behartigen.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 8 maart 2017. De betrokkene is niet verschenen.
Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Beoordeling

1. In het hoger beroepschrift wordt betoogd dat de kantonrechter ten onrechte op het beroep heeft beslist zonder de betrokkene te horen. De betrokkene had zich voorafgaand aan de zitting telefonisch ziek gemeld. Niettemin is de zaak buiten aanwezigheid van de betrokkene inhoudelijk behandeld. Latere navraag leerde dat bij de rechtbank niets over een ziekmelding was geregistreerd. De betrokkene wil graag alsnog gehoord worden.

2. Het hof stelt vast dat uit de stukken niet blijkt van een ziekmelding of verzoek om aanhouding van de zaak bij de rechtbank. De advocaat-generaal heeft niettemin voorgesteld het ervoor te houden dat om aanhouding van de zitting is gevraagd en om die reden de beslissing van de kantonrechter wegens schending van artikel 12, eerste lid van de WAHV te vernietigen. Het hof ziet aanleiding dit betoog te volgen. De beslissing van de kantonrechter wordt derhalve vernietigd. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij die beslissing is het beroep tegen de sanctiebeschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat dat niet tijdig is ingesteld.

3. In hoger beroep wordt niet betwist dat te laat beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking. Gesteld wordt echter dat de termijnoverschrijding het gevolg is geweest van te late doorzending van post door de bewindvoerder van de betrokkene. Om die reden heeft de betrokkene niet tijdig beroep kunnen instellen.

4. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

5. Niet in geding is dat het beroep tegen de sanctiebeschikking te laat is ingesteld.

6. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

7. Het hof heeft eerder geoordeeld dat het niet tijdig doorzenden van post door een curator, kennelijk als gevolg van het ontbreken van afspraken hierover tussen de betrokkene en de curator, een omstandigheid is die voor rekening van de betrokkene behoort te komen (vgl. het arrest van het hof van 28 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:10526). Dit uitgangspunt geldt evenzeer in zaken als de onderhavige, waar sprake is van een bewindvoerder. De omstandigheid dat de inleidende beschikking niet tijdig naar de betrokkene is doorgezonden maakt – wat daarvan ook zij – niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

8. Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen die beslissing wordt dan ook ongegrond verklaard. Dat heeft tot gevolg dat het hof niet kan toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie.

9. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

10. Het hof stelt (met de advocaat-generaal) nog vast dat ten onrechte op 18 juni 2013 een eerste en op 26 mei 2015 een tweede verhoging is toegepast. Ook het dwangbevel van 16 juli 2015 is ten onrechte uitgevaardigd. Het beroepschrift van de betrokkene tegen de inleidende beschikking is immers op 18 juni 2013 door de CVOM ontvangen. Verder is op 11 februari 2015 tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

stelt vast dat de aan de betrokkene opgelegde eerste en tweede verhoging van de sanctie ten onrechte is toegepast en dat ten onrechte een dwangbevel is uitgevaardigd.

Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.