Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2348

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
16/00209
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:8137, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:3247
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. Omgevingsvergunning. Vertrouwensbeginsel. Toezegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/756
Belastingblad 2017/226 met annotatie van L.J. Boone
FutD 2017-0878
Viditax (FutD), 22-12-2017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer: 16/00209

uitspraakdatum: 21 maart 2017

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 december 2015, nummer AWB 14/7076, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zevenaar (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende een legesnota gestuurd in verband met het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.

1.2

Tegen deze legesnota heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, welk bezwaar ongegrond is verklaard.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak aan de [a-straat] 4 te [Z] . Ingevolge het bestemmingsplan Zevenaar Centrum, dat onherroepelijk is komen vast te staan in 2000, rustte op de onroerende zaak de bestemming ‘kantoor’.

2.2

Bij brief van 12 februari 2004 is aan de bouwkundig adviseur van belanghebbende het volgende geschreven:

“(…)

De voor het in procedure brengen van een bestemmingsplanherziening verschuldigde leges bedragen € 4.075,00. Zodra wij dit bedrag hebben ontvangen zullen wij de bestemmingsplanherziening in procedure brengen.

Zoals op 14 januari jl. met de heer [A] besproken is het de bedoeling om medio dit jaar te starten met een algehele herziening van het bestemmingsplan Zevenaar Centrum. Wanneer u toch niet van plan bent om op korte termijn op dit perceel nieuwbouw te realiseren dan zouden wij de herziening van de bestemming op het onderhavige perceel bij de algehele herziening van het centrumplan mee kunnen nemen. In dat geval zullen wij geen leges in rekening brengen. Graag vernemen wij van u of u van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken.”

2.3

Bij brief van 2 juni 2004 schrijven burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar het volgende aan belanghebbende:

“Overeenkomstig uw verzoek zullen wij de herziening van de bestemming van het perceel [a-straat] 4 meenemen bij de eerstvolgende algehele herziening van het centrumplan waarbij wij u geen leges in rekening brengen. Wij verwachten in de loop van dit jaar met de voorbereidingen te zullen gaan starten.”

2.4

Belanghebbende heeft op 21 december 2011 een conceptaanvraag omgevingsvergunning ingediend. De heffingsambtenaar heeft in een schrijven aan belanghebbende, gedateerd 29 mei 2012, gereageerd op de conceptaanvraag en aangegeven dat belanghebbende in aanmerking komt voor een teruggaaf van de kosten voor de conceptaanvraag ten bedrage van € 100 mits de definitieve aanvraag binnen zes maanden na 29 mei 2012 ingediend wordt.

2.5

Op 5 februari 2013 heeft belanghebbende een aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning ingediend.

2.6

Aan belanghebbende is per brief van 28 oktober 2013 een door de burgemeester en secretaris namens het college van B&W ondertekende “kennisgeving definitief besluit” gezonden. In deze brief is met betrekking tot de leges onder meer het volgende opgenomen:

Leges

Volgens de legesverordening 2013 bent u voor het in behandeling nemen van uw aanvraag voor een omgevingsvergunning leges verschuldigd. In dit geval bedragen de leges € 7.066,54. Voor de betaling wordt u na het verlenen van de definitieve vergunning een gespecificeerde factuur toegezonden.(…)”

2.7

Aan belanghebbende is bij brief van 31 oktober 2013 een hernieuwde “kennisgeving definitief besluit” gezonden. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“Op 28 oktober 2013 hebben wij per abuis een foutief exemplaar van het definitief besluit naar u gestuurd. U kunt dat exemplaar als niet verzonden beschouwen. Hierbij ontvangt u het correcte exemplaar met de bijbehorende stukken.”

2.8

De heffingsambtenaar heeft een factuur met dagtekening 12 november 2013 aan belanghebbende uitgereikt met betrekking tot de door hem verschuldigde leges, welke in totaal € 12.546,20 bedragen. Hiervan heeft een bedrag van € 4.550 betrekking op de procedure van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

2.9

Een (algehele) herziening van het bestemmingsplan van het centrum heeft na 1 juli 2013 plaatsgevonden.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of terecht en tot een juist bedrag leges in rekening zijn gebracht voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat geen leges kunnen worden geheven in verband met de in 2004 gedane toezeggingen. Subsidiair stelt belanghebbende dat zijn aanvraag niet in strijd was met het bestemmingsplan, zodat ten onrechte artikel 2.3.3.3. van de tarieventabel is toegepast, hetgeen ook blijkt uit de brief van 28 oktober 2013. Meer subsidiair stelt hij dat een bedrag ter grootte van € 4.550 aan leges niet kan worden geheven in verband met de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Nog meer subsidiair stelt belanghebbende dat hij recht heeft op een teruggaaf van de kosten voor de conceptaanvraag ten bedrage van € 100.

3.2

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Vertrouwensbeginsel toezegging 2004

4.1

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij er welbewust voor heeft gekozen een (algehele) herziening van het bestemmingsplan niet af te wachten en dat hij een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft gedaan in de wetenschap dat hij voor die aanvraag een legesnota zou krijgen. Gelet op deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor de in 2004 gedane toezeggingen, te weten dat geen leges in rekening zouden worden gebracht indien belanghebbende zou wachten op een algehele herziening van het bestemmingsplan Zevenaar Centrum. De omstandigheid dat deze (algehele) herziening veel langer op zich heeft laten wachten dan gepland, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Strijd met bestemmingsplan

4.2

Op de onroerende zaak van belanghebbende rustte de bestemming ‘kantoor’. In de onderhavige omgevingsvergunning is een afwijking van het geldende bestemmingsplan goedgekeurd (de bestemming ‘wonen’). Derhalve zijn terecht leges voor de buitenplanse afwijking aan belanghebbende in rekening gebracht. De omstandigheid dat na het verlenen van de omgevingsvergunning het bestemmingsplan bij de (algehele) herziening daarvan is aangepast aan deze nieuwe bestemming, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat in de brief van 28 oktober 2013 niet wordt gerept van leges in verband met een buitenplanse afwijking, doet niet af aan het feit dat in de verleende omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan.

Legessanctie

4.3

Het (oude) bestemmingsplan Zevenaar Centrum is onherroepelijk komen vast te staan in 2000. Op grond van artikel 9.1.4, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.1, vierde lid, Wro moest de gemeenteraad vóór 1 juli 2013 opnieuw een bestemmingsplan vaststellen, dan wel een verlengingsbesluit nemen. Nu dit niet is geschied, is de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan vervallen tot het moment waarop de gemeenteraad alsnog heeft voldaan aan de verplichting een nieuw bestemmingsplan vast te stellen.

4.4

Naar ’s Hofs oordeel ziet de legessanctie op belastbare feiten die hebben plaatsgevonden tussen 1 juli 2013 en het moment waarop de legessanctie is komen te vervallen, omdat de gemeenteraad alsnog heeft voldaan aan de verplichting een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Het Hof acht, anders dan belanghebbende, het moment waarop de vergunning is verleend, dan wel het moment waarop de legesnota bekend is gemaakt, niet doorslaggevend voor de vraag of de legessanctie van toepassing is. Een andersluidend oordeel zou het ongewenste effect meebrengen dat het recht om leges in te vorderen zou kunnen herleven met betrekking tot belastbare feiten die hebben plaatsgevonden in een periode dat de legessanctie van toepassing was. Nu niet in geschil is dat het belastbare feit in het onderhavige geschil heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2013, is de legessanctie niet van toepassing.

Teruggaaf kosten conceptaanvraag

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de definitieve aanvraag meer dan zes maanden na de conceptaanvraag is ingediend. Gelet hierop heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf van de kosten van de conceptaanvraag. Het feit dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, niemand hem zou hebben geattendeerd op het verstrijken van deze termijn, dan wel het feit dat de termijn van zes maanden niet (spontaan) is verlengd, brengen het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 21 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 maart 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.