Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2341

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
200.196.956
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:4426
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:876, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in hoger beroep; appelgrens.

Geen grond voor doorbreking van de appelgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.196.956

(zaaknummer rechtbank Gelderland 303248)

arrest in kort geding van 21 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [plaatsnaam] ,

advocaat: mr. D.I.N. Levinson-Arps,

tegen:

1 [bedrijf 1] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 2] ,

krachtens fusie per 1 juli 2016 rechtsopvolgster onder algemene titel van:

[bedrijf 3] , tevens handelende onder de naam [bedrijf 4],

statutair gevestigd te [plaatsnaam] , kantoorhoudende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. E.P.C. Duinkerke.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 oktober 2016 hier over. Naar aanleiding daarvan heeft op 18 januari 2017 een meervoudige comparitie van partijen plaatsgevonden. Van deze comparitie van partijen heeft de griffier aantekening gehouden. Bij deze gelegenheid is akte verleend van de zijdens [plaatsnaam] door mr. Levinson-Arps aan het hof toegestuurde nadere producties 19-26.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof in overleg met partijen arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.4 van het kortgedingvonnis van 8 juli 2016. In de kern genomen gaat het om het volgende.

2.2

[plaatsnaam] is een aantal jaren voor zorg verzekerd geweest bij [bedrijf 1] . Nadat [plaatsnaam] de verzekering had opgezegd, was hij nog € 233,76 aan [bedrijf 1] verschuldigd. [plaatsnaam] heeft dit bedrag niet betaald en is vervolgens daartoe bij verstekvonnis van de rechtbank Middelburg van 8 augustus 2011 veroordeeld, met rente en kosten. [bedrijf 1] heeft getracht het verstekvonnis te executeren, allereerst door het doen leggen van executoriaal derdenbeslag onder het UWV op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [plaatsnaam] . Dit beslag is gelegd door [geïntimeerde] (thans [geïntimeerde] ). Op die uitkering lag op dat moment al beslag; de eerste beslaglegger heeft op basis van de door hem gehanteerde beslagvrije voet het door het beslag getroffen vakantiegeld van [plaatsnaam] verdeeld, uit welke verdeling [bedrijf 1] € 317,17 heeft ontvangen. Nadat dit beslag was opgeheven, heeft [geïntimeerde] (thans [geïntimeerde] ) in opdracht van [bedrijf 1] op 4 april 2016 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Belastingdienst, op de zorgtoeslag van [plaatsnaam] , voor het resterende deel van haar vordering ad € 790,80, met rente en kosten. [plaatsnaam] heeft de ontvangst van zorgtoeslag vervolgens stopgezet.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[plaatsnaam] heeft in eerste aanleg - samengevat - veroordeling gevorderd van [geïntimeerden] tot opheffing van het beslag op zijn zorgtoeslag, onder de bepaling dat alle rente en kosten voor [geïntimeerden] blijven. Ook heeft hij, subsidiair, restitutie van ten onrechte geïncasseerde zorgtoeslagen gevorderd, alsmede een verbod opnieuw beslag te leggen voor de vordering uit het verstekvonnis, dan wel een gebod om dit niet te doen dan na overleg met de deurwaarder van de eerste beslaglegger, althans met bepaling van een beslagvrije voet rekening houdend met zorgpremie minus normpremie en zorgtoeslag, met veroordeling tot betaling van een bedrag ad € 500 als voorschot op door [plaatsnaam] te vorderen schadevergoeding, alsmede veroordeling in de gedingkosten.

[geïntimeerden] hebben daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [plaatsnaam] afgewezen en [plaatsnaam] - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 1.673 aan proceskosten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[plaatsnaam] heeft tegen het vonnis van 8 juli 2016 een aantal (ongenummerde) grieven gericht. Deze grieven behelzen onder meer de klacht (i) dat het in artikel 45 van de Awir neergelegde beslagverbod van toepassing is, (ii) dat ten onrechte geen beslagvrije voet in aanmerking is genomen en (iii) dat bij het beslag op de arbeidsongeschiktheidsuitkering een te lage beslagvrije voet in aanmerking is genomen. Voorts heeft [plaatsnaam] zijn eis gewijzigd, aldus dat hij in hoger beroep - naast de vorderingen genoemd in r.o. 3.1 - heeft gevorderd:

- restitutie van het middels het eerste beslag geïncasseerde vakantiegeld ad € 317,17;

- een dwangsomveroordeling ten aanzien van de in r.o. 3.1 genoemde geboden;

- vergoeding van de door [plaatsnaam] verschuldigde en betaalde eigen bijdragen voor gefinancierde rechtsbijstand in eerste aanleg en in hoger beroep,

een en ander met veroordeling in de proceskosten en nakosten, met wettelijke rente.

[geïntimeerden] hebben de grieven gemotiveerd bestreden en verweer gevoerd tegen hetgeen [plaatsnaam] bij wijze van vermeerdering van eis heeft gevorderd.

4.2

Het hof dient allereerst - zo nodig ambtshalve - te beoordelen of [plaatsnaam] in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Volgens artikel 332 lid 1 Rechtervordering kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1750 of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1750, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. Voor de toepassing van de eerste zin wordt de tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente bij de vordering inbegrepen. Indien de zaak meer dan één vordering tussen dezelfde partijen betreft, is volgens het tweede lid voor de toepassing van het eerste lid beslissend het totale beloop of de totale waarde van deze vorderingen.

4.3

[plaatsnaam] heeft in eerste aanleg opheffing van een beslag gevorderd dat gelegd is voor een vordering van € 790,80. Met partijen gaat het hof ervan uit dat de vorderingen tot opheffing van dit beslag, tot restitutie en tot verbod van verdere beslagen tezamen diezelfde waarde vertegenwoordigen. Daarnaast heeft [plaatsnaam] in eerste aanleg schadevergoeding gevorderd ter hoogte van € 500.

4.4

[plaatsnaam] heeft zich voorts beroepen op een in eerste aanleg bij pleidooi ingestelde restitutievordering ad € 317,17. Deze eiswijziging is echter door de voorzieningenrechter in strijd geacht met de eisen van de goede procesorde, zodat de restitutievordering niet inhoudelijk ter beoordeling heeft voorgelegen. In zijn grief tegen die afwijzing van deze eisvermeerdering is [plaatsnaam] ingevolge artikel 130 lid 2 Rechtsvordering niet-ontvankelijk. Voor het bepalen van het totale beloop van de vordering in verband met de appelgrens ex artikel 332 Rechtsvordering moet die vordering dan ook buiten beschouwing blijven. Overigens zou ook met inachtneming van deze (in hoger beroep alsnog ingestelde) vordering het totale beloop van de vordering de appelgrens van € 1.750 niet overschrijden.

4.5

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het hof [plaatsnaam] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door het hof ambtshalve in acht te nemen appelgrens. Toen is van de zijde van [plaatsnaam] aangevoerd dat in het totale beloop van de vordering voorts moet worden betrokken de eigen bijdrage die hij in eerste aanleg en hoger beroep heeft betaald ad in totaal € 286, alsmede het griffierecht in beide instanties ad in totaal € 158. Voor het bepalen van het beloop van de vordering in eerste aanleg tellen deze proceskosten echter niet mee; slechts de tot de dag van de dagvaarding in eerste aanleg verschuldigde rente en kosten worden meegeteld waar het de onderhavige ontvankelijkheidsvraag betreft.

Nu aldus de voorzieningenrechter had te beslissen over een vordering met een totale waarde van € 1.290,80, staat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen hoger beroep tegen het bestreden vonnis open. Hetgeen overigens door [plaatsnaam] is aangevoerd maakt dat niet anders.

4.6

Voor zover [plaatsnaam] zich bij gelegenheid van de mondelinge behandeling nog op doorbreking van de appelgrens heeft beroepen, stelt het hof voorop dat de ratio van de appelgrens in artikel 332 Rechtsvordering is dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep. De uitsluiting van hoger beroep wordt in dit soort zaken niet doorbroken door, kort gezegd, de doorbrekingsgronden die hoger beroep wel mogelijk maken daar waar dat in bijzondere wetsbepalingen is uitgesloten.

Voor zover [plaatsnaam] heeft bedoeld zich te beroepen op schending van fundamentele rechtsbeginselen, is dat geen grond voor doorbreking van de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rechtsvordering. Omdat in een cassatieberoep op de voet van art. 80 lid 1 RO ruimte wordt geboden voor klachten over schending van fundamentele rechtsbeginselen acht de Hoge Raad in een geval als het onderhavige niet onaanvaardbaar dat tegen een beslissing in een zaak met een waarde gelegen onder de appelgrens geen hoger beroep kan worden ingesteld (vgl. Hoge Raad 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490).

[plaatsnaam] kan dus niet in zijn hoger beroep worden ontvangen.

5 De slotsom

5.1

Op grond van het vorenstaande zal [plaatsnaam] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [plaatsnaam] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 718

- salaris advocaat € 1.264 (2 punten x tarief I)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

verklaart [plaatsnaam] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem , van 8 juli 2016;

veroordeelt [plaatsnaam] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 718 voor verschotten en op € 1.264 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [plaatsnaam] in de nakosten, begroot op € 131 of, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval [plaatsnaam] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden,

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, A.W. Steeg en Chr.H. van Dijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.