Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2335

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
200.187.294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; advocatendeclaratie; wie was in verband met tussenpersoon opdrachtgever? bevoegdheid burgerlijke rechter sedert 1 januari 2015; bezwaartermijn van veertien dagen na factuurdatum hier niet onredelijk bezwarend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.187.294

(zaaknummer rechtbank Gelderland, kantonrechter, zittingsplaats Apeldoorn , 4081586)

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaatsnaam] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. G.J.B.C. Maton,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 2] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: [naam] .

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 29 juli 2015 en 4 november 2015 (verder: het eindvonnis) die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn , heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 februari 2016,

- de memorie van grieven (met een productie),

- de memorie van antwoord (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 2.1 tot en met 2.7 van het eindvonnis.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

Deze zaak gaat over de vraag of [appellant] aan [geïntimeerde] betaling is verschuldigd wegens door deze laatste ten behoeve van [appellant] ’s achterman, [bedrijf 3] verrichte advocatenwerkzaamheden.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, samengevat, wegens advocatenwerkzaamheden veroordeling gevorderd van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van (€ 2.351,82 wegens hoofdsom + € 352,77 wegens buitengerechtelijke kosten =) € 2.704,59, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 27 maart 2015 en de proces- en nakosten.

Na een conclusie van antwoord en een comparitie van partijen heeft de kantonrechter bij haar eindvonnis [appellant] veroordeeld tot betaling van het gevorderde. Daartoe heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld dat [geïntimeerde] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met [appellant] (en niet met haar achterman [bedrijf 3] ), dat de kantonrechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen en dat de bezwaartermijn van 14 dagen tegen de gefactureerde bedragen niet onredelijk bezwarend is, maar wel overschreden, zodat het gevorderde toewijsbaar is.

Daartegen richt [appellant] achtereenvolgens haar grieven 1, 2 en 3, terwijl grief 4 betrekking heeft op haar proceskostenveroordeling.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

de wederpartij van [geïntimeerde]

5.1

[appellant] voert het verweer dat zij niet zichzelf heeft verbonden maar de opdracht heeft gegeven namens [bedrijf 3]

Hierover oordeelt het hof als volgt. Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander - is opgetreden (zoals [appellant] ten verwere aanvoert), hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden; een bevestigend antwoord op deze vraag wordt niet uitgesloten door de omstandigheid dat die ander wist dat degene met wie hij handelde, dit ten behoeve van een opdrachtgever deed, aldus vaste rechtspraak, ingezet met HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877.

[geïntimeerde] heeft haar opdracht per e-mail van 30 januari 2015 met het onderwerp “ [naam] ” aan [appellant] als volgt bevestigd:

“De opdracht luidt om [bedrijf 3] , voor wie u als tussenpersoon optreedt, met raad en daad bij te staan in het kort geding tegen dhr. Terlouw.

(…)

Het reguliere uurtarief bedraagt € 295,-- (2014). U ontvangt een rebate van 15% op mijn gedeclareerde salaris.

(…)

Ter dekking van het onderhanden werk verzoek ik u vandaag of morgen een voorschot van € 5.000,-- te storten (…) ”.

Dat [appellant] als tussenpersoon optrad voor [bedrijf 3] is niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag wie als contractuele wederpartij van [geïntimeerde] heeft te gelden, omdat het optreden van [appellant] als tussenpersoon niet zonder meer impliceert dat zij handelde in naam van [bedrijf 3] Aan [appellant] kan worden toegegeven dat [geïntimeerde] , advocaat, dit beter had kunnen en moeten opschrijven, maar anderzijds kan er ook niet aan voorbij worden gezien dat het scheppen van duidelijkheid op dit punt ook van [advocaat] van [appellant] mocht worden verwacht, nu deze in het verleden advocaat was geweest. [appellant] heeft het voorschot van € 5.000 aan [geïntimeerde] voldaan. [geïntimeerde] heeft haar vervolgens facturen toegezonden van 6 februari 2015 ad aanvullend € 1.976,85, van 6 maart 2015 ad € 1.597,05 en van 13 maart 2015 ad € 754,77, alle gericht aan [appellant] , handelend onder de [bedrijf 4] , ter attentie van [advocaat] . Tegen die tenaamstelling en de omvang van deze facturen heeft [appellant] niet aanstonds bezwaar gemaakt. De tenaamstelling bestrijdt zij pas voor het eerst in deze procedure.

[geïntimeerde] had met [appellant] afgesproken dat haar een korting toekwam van 15% over het uurtarief, aangeduid als: rebate. Om voor [appellant] ’s achterman [bedrijf 3] die provisie niet helder te maken, heeft [geïntimeerde] op haar voorstel de facturen gericht aan [appellant] . [appellant] heeft op eigen facturen haar opdrachtgever [bedrijf 3] doorbelast.

Onder deze gegeven omstandigheden mocht [geïntimeerde] erop vertrouwen dat [appellant] , al handelde zij als tussenpersoon in opdracht en ten behoeve van haar achterman [bedrijf 3] , zelf jegens [geïntimeerde] als opdrachtgever wilde optreden en niet heeft beoogd te handelen in naam van haar achterman. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat [geïntimeerde] in het kader van de voorbereiding van het kort geding rechtstreeks aan [bedrijf 3] inlichtingen heeft gevraagd en van haar heeft ontvangen.

De conclusie moet dan ook zijn dat [appellant] geldt als opdrachtgever van [geïntimeerde] , zodat grief 1 wordt verworpen.

de bevoegdheid van de burgerlijke rechter

5.2

Van de op de opdracht toepasselijk verklaarde algemene voorwaarden van [geïntimeerde] , aan [appellant] meegezonden bij de e-mail van 30 januari 2015, luiden de artikelen:

16. Bezwaren tegen de hoogte van de declaratie dienen schriftelijk gemotiveerd binnen veertien dagen na factuurdatum bij [geïntimeerde] te zijn ingediend, bij gebreke waarvan de declaratie definitief zonder protest is aanvaard. Indien de opdrachtgever en [geïntimeerde] geen overeenstemming bereiken m.b.t. de desbetreffende declaratie, zal de opdrachtgever het desbetreffende bedrag bij de deken deponeren, waarna [geïntimeerde] het dossier ter begroting van de declaratie aan de Raad van Toezicht zal voorleggen. De opdrachtgever stemt er te dezen mee in dat, na vaststelling van de begroting, de deken het depot ter hoogte van het begrote bedrag op rekening van [geïntimeerde] stort.

Diversen

17. Overige geschillen zullen uitsluitend worden beslecht door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, sector kanton locatie (…)”.

Aldus waren deze algemene voorwaarden afgestemd op de in de artikelen 29-40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken voorziene begrotingsprocedure. Maar toen de opdracht in januari 2015 werd verstrekt, was die wet net ingetrokken bij artikel III van de op 1 januari 2015 in werking getreden Wet positie en toezicht advocatuur (het geval als bedoeld in de overgangsregeling van artikel IV doet zich hier niet voor). De algemene voorwaarden verwezen dus in januari 2015 naar de toen inmiddels afgeschafte wettelijke begrotingsprocedure die niet meer kon worden gevolgd. Het op artikel 28 lid 2, aanhef en onder b. van de Advocatenwet gebaseerde artikel 6.29 van de eveneens per 1 januari 2015 geldende Verordening op de advocatuur bevat voor declaratiegeschillen in lid 1 een forumkeuzeverplichting en bepaalt in lid 2 dat indien een declaratiegeschil ter beslechting wordt voorgelegd aan een ander dan de bevoegde rechter, deze geschilbeslechting dan in ieder geval plaatsvindt door middel van een overeenkomst tot arbitrage of een vaststellingsovereenkomst. Uit dit geheel moet worden afgeleid dat de burgerlijke rechter met ingang van 1 januari 2015 (behoudens uitzonderingen) bevoegd is om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot de hoogte van advocatendeclaraties (vergelijk hof ‘s-Hertogenbosch 16 augustus 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3688 en verdere in rov. 3.2 van dat arrest opgenomen rechtspraak). Nu de begrotingsprocedure niet meer kan worden gevolgd, brengt ook artikel 17 van de algemene voorwaarden mee dat de burgerlijke rechter bevoegd is.

Ook het beroep van [appellant] op het ontbreken van een door artikel 6.28 Verordening op de advocatuur vereiste kantoorklachtenregeling gaat niet op, omdat dit niet uitsluit dat de desbetreffende advocaat zelf de klacht behandelt, zoals [geïntimeerde] heeft gedaan blijkens de in productie 5 bij inleidende dagvaarding overgelegde e-mailwisseling.

Grief 2 wordt daarom verworpen.

de bezwaartermijn van veertien dagen

5.3

Zowel in artikel 16 van de algemene voorwaarden als op iedere afzonderlijke factuur staat met zoveel woorden vermeld dat bezwaren tegen de hoogte van de declaratie schriftelijk gemotiveerd binnen veertien dagen na factuurdatum bij [geïntimeerde] moeten zijn ingediend, bij gebreke waarvan de declaratie definitief zonder protest is aanvaard. Tegen de onbetaald gelaten facturen van 6 en 13 maart 2015 heeft [appellant] pas, en dan nog uitsluitend tegen de hoogte ervan, bezwaar gemaakt op 30 en 31 maart 2015, dus in beginsel te laat. Daarmee wordt de vraag van belang of dit beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a. BW. Het gaat hier om een overeenkomst van opdracht tot het verrichten van advocatenwerkzaamheden tussen professionele partijen: [geïntimeerde] , advocaat, als opdrachtnemer en [appellant] , gericht op rechtshulp en incasso, als opdrachtgever met voormalig advocaat [advocaat] als aanspreekpunt, dus partijen met een min of meer gelijkwaardige maatschappelijke positie. De algemene voorwaarden zijn tot stand gekomen door verwijzing in en toezending bij de schriftelijke opdrachtbevestiging per e-mail van 30 januari 2015, terwijl dit duidelijk en begrijpelijk geformuleerde beding op elke afzonderlijke factuur met zoveel woorden is herhaald. Met de facturen heeft [geïntimeerde] tijdspecificaties meegezonden, zodat [appellant] direct bij ontvangst van de facturen inzicht kon verkrijgen in de aard en de omvang van de gefactureerde werkzaamheden. [appellant] heeft niet uiteengezet waarom zij niet binnen de veertiendagentermijn bezwaar heeft gemaakt. Dat de beide facturen op een vrijdag zijn verzonden, is vanwege de e-mailverzending ervan en voor de lengte van de bezwaartermijn niet van wezenlijk belang. Indien het betrekkelijk uitgebreide dossier en de bijbehorende urenspecificatie vanwege complexiteit meer tijd hadden gevergd om die bezwaren te concretiseren en te onderbouwen, zoals [appellant] aanvoert, dan had het op haar weg gelegen - het gaat hier immers om een juridisch deskundige opdrachtgever - om de termijn desnoods veilig te stellen met een bezwaar op nader aan te voeren gronden, maar ook dit ontbreekt. Naarmate er meer tijd verstrijkt, wordt het nu eenmaal lastiger om met elkaar te reconstrueren of een declaratie wel of niet is gebaseerd op een loon dat voldoet aan de vereisten van artikel 7:405 BW. Hoewel dit op haar weg lag, heeft [appellant] verder geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van haar beroep op vernietiging. Al met al kan daarom niet worden geoordeeld dat dit beding onredelijk bezwarend is voor [appellant] , juist en vooral omdat een voormalig advocaat haar aanspreekpunt was en aan deze de strekking van het beding niet kan zijn ontgaan. Haar beroep op vernietiging van dit beding gaat dan ook niet op. Nu [appellant] te laat heeft geklaagd, heeft zij ingevolge het beding de facturen definitief zonder protest aanvaard, zodat zij deze om die reden verschuldigd is geworden.

Grief 3 treft dus geen doel.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, zodat het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd en de restitutievordering zal worden afgewezen.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Grief 4 wordt verworpen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 718

subtotaal verschotten € 718

- salaris advocaat € 632 (1 punt x appeltarief I)

totaal € 1.350.

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met rente toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats [plaatsnaam] , van 4 november 2015;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 718 voor verschotten en op € 632 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, M.B. Beekhoven van den Boezem en Chr. van Dijk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.