Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2319

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
200.160.737
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

cessie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.160.737

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 3106344)

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf]

gevestigd te [plaatsnaam] , gemeente [plaatsnaam] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. H.J. Kastein,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam] , gemeente [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 28 mei 2014 en 13 augustus 2014, die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 november 2014,

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek,

- de memorie van grieven met producties.

2.2

Vervolgens hebben heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Doordat tegen de vaststelling van de feiten in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.5. van het bestreden vonnis van 13 augustus 2014 geen grief is gericht en [appellant] in hoger beroep aanvullend feiten heeft gesteld, die uiteraard [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen onweersproken zijn gebleven, staat het volgende tussen partijen vast:

3.1

Op het vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaatsnaam] staan onder meer particuliere vakantiebungalows. Er zijn op het park onder meer ten behoeve van die bungalows wegen, een rioolinstallatie en andere gemeenschappelijke voorzieningen aangelegd. De Vereniging van bungaloweigenaren [naam vakantiepark] (hierna: [naam] ) behartigt blijkens artikel 2 van de versie d.d. 29 april 2003 van in hoger beroep overgelegde statuten van die vereniging (hierna: Statuten) gemeenschappelijke belangen van de ‘eigenaren’ het gaat kennelijk om ondererfpacht- en -opstalrechten, maar hierna zal het hof spreken over ‘eigenaren’. [naam] mag blijkens bedoeld artikel 2 Statuten overeenkomsten sluiten met de exploitant van het park met betrekking tot het parkbeheer en -onderhoud. In artikel 4 Statuten is bepaald dat de leden een bungalowcontributie verschuldigd zijn aan de penningmeester van [naam] .

3.2

Gedurende de in deze zaak aan de orde zijnde jaren 2008 tot en met 2012 was Vakantiepark [naam vakantiepark] (hierna: [naam vakantiepark] ) de parkexploitant en was [geïntimeerde] niet alleen eigenaar van één van deze bungalows, maar ook lid van [naam] . [geïntimeerde] heeft zijn lidmaatschap van [naam] tegen 1 januari 2013 opgezegd, maar is (voor zover in de processtukken bekend) nog steeds eigenaar van een bungalow.

3.3

[naam vakantiepark] is op 25 september 2012 in staat van faillissement verklaard. Een ‘Koopovereenkomst tevens Akte van Cessie’ van 12 maart 2013 productie 11 bij memorie van grieven houdt in dat de curator in (onder meer) het faillissement van [naam vakantiepark] ‘de debiteuren’ van [naam vakantiepark] verkoopt en cedeert aan [appellant] . Bij brief van 18 maart 2013 productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg heeft dezelfde curator [geïntimeerde] mededeling gedaan van deze cessie.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie van [geïntimeerde] betaling gevorderd van een totaalbedrag van € 5.431,16, vermeerderd met rente en kosten, en heeft daartoe gesteld dat [geïntimeerde] de aan haar geleverde vorderingen onbetaald heeft gelaten. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd, waarbij hij zich onder meer erop heeft beroepen dat er door eigenaren (waaronder hijzelf) betaalde parkbijdragen verdwijnen. [appellant] heeft hierop ter comparitie gereageerd en heeft onder meer (bij monde van mr. Damme) toegelicht dat het gaat om vorderingen van vóór 25 september 2012 ter zake van de kosten van het parkbeheer dat [naam vakantiepark] heeft uitgevoerd, en dat de desbetreffende vorderingen aan haar zijn gecedeerd.

4.2

[geïntimeerde] heeft in reconventie terugbetaling gevorderd van een deel van de door hem sinds 2008 betaalde bijdragen in de parkkosten, welke tegenvordering bij het bestreden eindvonnis is afgewezen. Tegen het vonnis in reconventie is geen hoger beroep ingesteld.

4.3

In conventie heeft de kantonrechter in haar eindvonnis geoordeeld dat de betwisting van de door [appellant] gestelde cessie aan toewijzing van de vorderingen in conventie in de weg staat. Volgens de kantonrechter heeft [appellant] niet aan haar stelplicht voldaan. De vorderingen in conventie zijn in het bestreden vonnis dan ook afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft tegen het vonnis vijf genummerde grieven aangevoerd, waarmee zij klaagt over het honoreren van het verweer van [geïntimeerde] . Zij beroept zich in haar memorie van grieven op arresten van het hof ’s‑Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2011: BQ2225) en Den Haag (ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2904), maar ziet daarbij over het hoofd dat in die arresten de vraag aan de orde was of een eigenaar van een vakantiebungalow, die geen lid is van de parkvereniging, verplicht is om bij te dragen in de parkkosten. [geïntimeerde] heeft weliswaar als verweer aangevoerd dat hij geen lid meer is van [naam] , maar dat verweer is niet gehonoreerd omdat de vorderingen dateren uit de periode waarin [geïntimeerde] nog wel lid van [naam] was. Bij de beoordeling van de grieven gaat het daarentegen om de vraag of [appellant] recht heeft op ontvangst van de bijdragen, die [geïntimeerde] al of niet op grond van zijn lidmaatschap van [naam] verschuldigd is.

5.2

[appellant] heeft in haar processtukken de onderhavige vorderingen gespecificeerd door te verwijzen naar facturen, die volgens haar door [naam vakantiepark] aan [geïntimeerde] zijn verzonden voordat [naam vakantiepark] failleerde. Uit de tekst van de facturen blijkt dat van [geïntimeerde] betaling wordt gevorderd van een parkbijdrage en van (kosten van) het ‘ [naam] lidmaatschap’, de ondererfpacht en de opstal/inboedelverzekering. Verder zijn er volgens de overgelegde producties nog aanmaningskosten in rekening gebracht.
In artikel 3 van het Huishoudelijk Reglement van [naam] (hierna: HR) wordt een overzicht gegeven van ‘Ledenbijdragen’. Daaronder vallen de in de gestelde facturen genoemde kosten van het lidmaatschap en de ondererfpacht, alsmede de parkbijdrage, die op haar beurt onder meer ziet op kosten van verschillende verzekeringen (zie artikel 3 lid f en lid h HR). Volgens artikel 3 lid i HR wordt er ook voor ondererfpacht een rekening gestuurd. In artikel 3 lid e HR staat dat het parkbeheer bevoegd is om tot incasso van achterstallige ledenbijdragen over te gaan en daarbij ook kosten en rente in rekening te brengen.

5.3

Zoals onder de vaststaande feiten al vermeld houdt artikel 4 Statuten in dat de leden een ‘bungalow-contributie’ zijn verschuldigd aan de penningmeester van [naam] . In artikel 3 HR gaat het kennelijk om dezelfde contributie. Hieruit moet bij gebreke van een nadere toelichting opgemaakt worden dat de in eerste aanleg ingestelde vorderingen oorspronkelijk aan [naam] toekwamen. In het licht van de betwisting door [geïntimeerde] dat de vorderingen door de curator in het faillissement van [naam vakantiepark] aan [appellant] zijn geleverd [geïntimeerde] heeft zich bij antwoord beroepen op een uitspraak in een zaak van [appellant] tegen een andere bungaloweigenaar waarin is geoordeeld dat die levering niet heeft plaatsgevonden had het op de weg van [appellant] gelegen om feitelijk te onderbouwen dat [naam vakantiepark] ten tijde van het sluiten van de Koopovereenkomst (tevens akte van cessie) de crediteur van de vorderingen was. Een dergelijke onderbouwing ziet het hof niet. In § 27 van de memorie van grieven staat weliswaar dat er naar aanleiding van een eerder faillissement dat blijkens § 9 van die memorie in januari 2001 werd uitgesproken, na overleg met een delegatie van de bungaloweigenaren voor is gekozen om alle financiën en de (omslag van) kosten via [naam vakantiepark] te laten ‘lopen’, maar nu de overgelegde statuten, die dateren van ná dat besluit, inhouden dat [naam] de crediteur van deze ‘financiën’ is, gaat het daarbij kennelijk niet om een verenigingsbesluit. Niet duidelijk is of er met de delegatie van bungaloweigenaren afspraken zijn gemaakt, welke inhoud die afspraken of de daarop gebaseerde besluiten hadden, in hoeverre [naam] daaraan is gebonden en in hoeverre de afspraken / besluiten tegen [geïntimeerde] kunnen worden ingeroepen. Dat er destijds een overeenkomst is gesloten, op grond waarvan [naam] haar vorderingen op haar leden aan [naam vakantiepark] moest of kon cederen (en dat ook heeft gedaan), is daarom niet voldoende feitelijk toegelicht, indien [appellant] zich al op een verenigingsbesluit heeft willen beroepen.

5.4

[naam vakantiepark] was blijkens artikel 3 lid e HR weliswaar belast met de incasso, maar daarmee nog niet bevoegd tot overdracht van de vorderingen, anders dan ter incasso. Een andere titel tot cessie van de onderhavige vorderingen aan [naam vakantiepark] heeft [appellant] evenmin voldoende onderbouwd gesteld, net zomin als zij heeft onderbouwd dat de vorderingen geldig aan [naam vakantiepark] zijn geleverd. Van beschikkingsbevoegdheid van de curator in het faillissement van [naam vakantiepark] tot cessie van de vorderingen aan [appellant] is daarom niet gebleken.

5.5

In § 44 en volgende van haar memorie van grieven heeft [appellant] een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. Hierbij heeft zij de door haar in het kader van de toelichting op grief 2 gestelde erkenning van de vorderingen betrokken. Volgens [appellant] heeft de deurwaarder in een als productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde brief van 3 juni 2013 aan [geïntimeerde] bevestigd dat [geïntimeerde] de vorderingen heeft erkend en is daarvoor later een betalingsregeling aangeboden (productie 5 bij dagvaarding). Uit de tekst van deze documenten blijkt echter niet dat [geïntimeerde] ook heeft erkend dat [appellant] zijn crediteur is. Dat [geïntimeerde] het verweer, dat [appellant] niet zijn crediteur is, voor het eerst bij conclusie van antwoord heeft gevoerd, nadat hij het bestaan van de vordering (van [naam] ) had erkend, hoefde hem niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van dit verweer af te houden.

5.6

[geïntimeerde] betwijfelt of betaling aan [appellant] wel ten goede zou komen aan [naam] en heeft onder meer daarom ook reden om te betwijfelen of betaling hem ten opzichte van [naam] zou bevrijden. Zijn belang bij dit verweer wordt niet weggenomen indien het aanbod van [appellant] , om [geïntimeerde] te vrijwaren voor bepaalde aanspraken van [naam] , wordt aanvaard. Welke zekerheid de garantie biedt, is immers niet toegelicht.

5.7

[geïntimeerde] heeft volgens [appellant] een ‘lege bankrekening’ en behoort daarom tot de gedaagden die argumenten zoeken om onder betaling uit te komen, maar aan deze (dis)kwalificatie verbindt het hof geen ander oordeel dan hierboven is gegeven. Bewijslevering kan niet tot andere beslissingen leiden nu daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld. Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie, heeft de kantonrechter [appellant] terecht als de in het ongelijk gestelde partij aangemerkt.

6 Slotsom

6.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op nihil.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 13 augustus 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, S.B. Boorsma en O.E. Mulder en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.