Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2281

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
16/00551
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:1800, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zvw. Etikettering woning. Ondernemings- of privévermogen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0879 met annotatie van Almer de Beer
V-N 2017/35.22.14
Belastingadvies 2017/9.2
V-N Vandaag 2017/748
FutD 2017-0796
NTFR 2017/1025 met annotatie van Drs. N.E. Vis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

Nummer: 16/00551

uitspraakdatum: 21 maart 2017

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 april 2016, nummer AWB 14/2370, in het geding tussen

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 20.086. Daarbij is bij beschikking € 48 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 24 februari 2014 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 5 april 2016 het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd naar een bijdrage-inkomen van € 6.038 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

De Inspecteur heeft bij brief van 11 mei 2016, ingekomen bij het Hof op 17 mei 2016, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 25 januari 2017 een nader stuk ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2016 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door drs. [A] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en mr. [C] . Het onderhavige beroep en het beroep van de echtgenote van belanghebbende, [D] , met nummer 16/00552, zijn met toestemming van partijen gelijktijdig ter zitting behandeld.

1.7.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende drijft sinds 1 november 2006 samen met zijn echtgenote de vennootschap onder firma “Bouwbedrijf [E] ” (hierna aangeduid als: de v.o.f.).

2.2.

Op 30 december 2009 zijn aan belanghebbende en zijn echtgenote voor een bedrag van € 650.000 geleverd de woning met bedrijfshal, garage, carport, weiland, erf, tuin, ondergrond en aan- en toebehoren, staande en gelegen aan de [a-straat] 123A te [Z] . De bedrijfshal is circa 10 meter achter de woning gelegen en is toegankelijk via een oprijlaan naast de woning.

2.3

Op 1 februari 2010 is de bedrijfshal in gebruik genomen door de v.o.f. In oktober 2010 hebben belanghebbende en zijn echtgenote de woning betrokken. In de woning dient één kamer, waarvan de oppervlakte circa 6% van de woning bedraagt, als kantoor voor de v.o.f. Na aankoop is de woning verbouwd, onder andere door het aanbrengen van dakkapellen op de eerste verdieping. De verbouwingskosten bedroegen € 77.298.

2.4.

Bij brief van 18 maart 2010 heeft de Inspecteur het verzoek van belanghebbende en zijn echtgenote om de woning voor de Wet IB 2001 aan te merken als keuzevermogen afgewezen.

2.5.

Op 22 september 2011 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en Zvw voor het jaar 2010 gedaan. De woning is als ondernemingsvermogen geactiveerd op de balans van de v.o.f. De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslagen hiervan afgeweken en heeft de woning aangemerkt als verplicht privévermogen. Dit heeft geleid tot de volgende correcties op de aangegeven belastbare winst:

Aangifte

Aanslag

Aangegeven belastbare winst

6.038

Correctie afschrijving en rente van schulden eigen woning

+ 14.421

Correctie zelfstandigenaftrek

+ 1.542

Correctie MKB-vrijstelling

-/- 1.915

Totale correctie

+ 14.048

Vastgestelde belastbare winst/ grondslag Zvw 2010

20.086

2.6.

De aanslag Zvw 2010 is opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 20.086.

2.7.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de woning kan worden aangemerkt als keuzevermogen en dat belanghebbende de grenzen der redelijkheid niet heeft overschreden door de woning als ondernemingsvermogen te etiketteren. De Rechtbank heeft belanghebbende derhalve in het gelijk gesteld.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de aanslag Zvw 2010. Evenals bij de Rechtbank ligt in hoger beroep de vraag voor of de woning van belanghebbende tot zijn ondernemingsvermogen kan worden gerekend of dat, zoals de Inspecteur meent, sprake is van verplicht privévermogen.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep dat door belanghebbende bij de Rechtbank is ingesteld.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Voor de vermogensetikettering is in het algemeen de wil van de belanghebbende zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen beslissend, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid worden overschreden (HR 20 juni 1962, nr. 14.819, BNB 1962/272). Van een woning van een ondernemer moet, behoudens bijzondere omstandigheden, worden aangenomen dat deze naar zijn aard in fiscale zin tot het privé-vermogen van een ondernemer behoort (HR 18 juni 1969, nr. 16.163, BNB 1969/166). Een uitsluitend als zodanig gebruikte woning kan evenwel binnen de grenzen der redelijkheid tot het ondernemingsvermogen worden gerekend indien de bewoning ervan mede dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening (HR 7 juli 1993, nr. 28.751, BNB 1993/276). Het gebruik van de woning zal op enigerlei wijze dienstbaar moeten zijn aan de onderneming (HR 17 september 2010, nr. 09/00332, BNB 2011/3). De ligging van de woning in de nabijheid van bedrijfsmatig gebruikte opstallen vormt in dit kader een duidelijke – maar niet zonder meer beslissende – aanwijzing (HR 7 juli 1993, nr. 28.751, BNB 1993/276).

4.2.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de woning tot het ondernemingsvermogen dient te worden gerekend heeft belanghebbende gewezen op vier aspecten die betrekking hebben op de aanwending van zowel de woning als het terrein waarop de woning en de bedrijfshal zijn gelegen. Deze aspecten behelzen (i) de aanwezigheid van een kantoorruimte in de woning alwaar de administratie van de onderneming wordt gevoerd, (ii) het toezicht vanuit de woning op de bedrijfsactiviteiten in en rondom de bedrijfshal, (iii) de ontvangst van goederen van leveranciers (ook buiten de reguliere werktijden), en (iv) het contact met de werknemers gedurende de werkdag. Deze aspecten tezamen maken, aldus belanghebbende, dat sprake is van een op enigerlei wijze dienstbaar zijn van de woning aan de onderneming. Belanghebbende heeft verder betoogd dat het vanaf de aankoop van de woning de bedoeling is geweest die deels aan te wenden ten behoeve van de onderneming, getuige ook het door belanghebbende in dezen gedane verzoek en de ingediende aangifte (zie hiervoor 2.4 en 2.5).

4.3.

Vast staat dat de wil van belanghebbende tot etikettering van de woning als zijnde ondernemingsvermogen vroegtijdig en herhaaldelijk tot uitdrukking is gekomen, te weten bij de brief van 18 maart 2010 en bij de aangifte van 22 september 2011 (zie hiervoor 2.4 en 2.5).

4.4.

Het Hof is van oordeel dat met de door belanghebbende naar voren gebrachte aspecten de woning in het jaar 2010 op enigerlei wijze dienstbaar is geweest aan de onderneming. Hierbij is van doorslaggevend belang dat de kantoorruimte in de woning vanaf het moment van de aankoop van de woning ten behoeve van de v.o.f. is aangewend, en dat gegeven de ligging van de woning en de bedrijfshal op één perceel door belanghebbende sinds de aankoop toezicht kan worden gehouden op de bedrijfsmiddelen, -activiteiten en het personeel aldaar. Dat in het kantoor mogelijk af en toe andere (gezinsgerelateerde) activiteiten plaatsvinden, is van onvoldoende gewicht om die ruimte niet (meer) als dienstbaar aan de onderneming aan te merken. En zo al sprake is van een slecht zicht vanuit de woning op de bedrijfsactiviteiten, doet dit niet af aan de efficiënte ligging van de woning tegenover de bedrijfshal met alle mogelijkheid tot een versterkt toezicht.

4.5.

Het Hof neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat sprake is geweest van een zogenaamde koppelaankoop verbonden aan de ligging van de woning en de bedrijfshal op hetzelfde perceel met slechts één toegangsweg, zoals door belanghebbende ter zitting gemotiveerd is gesteld en hetgeen door de Inspecteur niet is betwist. Belanghebbende heeft naar eigen zeggen al eens eerder geprobeerd enkel de bedrijfshal te kopen, welke aankoop uiteindelijk niet doorging. Dit had, zoals door belanghebbende is uiteengezet, alles te maken met de oprijlaan gelegen naast de woning. De toenmalige eigenaar wilde hierop namelijk geen recht van overpad verlenen.

4.6.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende de grenzen der redelijkheid niet heeft overschreden door de woning als ondernemingsvermogen te etiketteren. Al wat de Inspecteur voor het overige heeft betoogd, maakt dit niet anders. Hierbij zij opgemerkt dat het door de Inspecteur aangevoerde arrest HR 29 september 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2945, toepassing mist. Anders dan in genoemd arrest, is in de onderhavige situatie, gelet op de ouderdom en de staat van onderhoud van de woning ten tijde van de aankoop, die de Inspecteur niet heeft betwist, met de verbouwingskosten ten bedrage van € 77.298 geen sprake van een zodanig luxueus verbouwen van de voor privégebruik bestemde ruimten dat de woning niet in zijn geheel tot het ondernemingsvermogen zou mogen worden gerekend.

Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

5 Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 punten (indienen verweerschrift in hoger beroep en bijwonen zitting) x € 495 x 1 (gewicht van de zaak) x 1 (minder dan vier samenhangende zaken) = € 990. Hiervan wordt in de onderhavige procedure de helft toegekend, te weten
€ 495, en in de samenhangende procedure van de echtgenote van belanghebbende, nummer 16/00552, de andere helft.

6 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 495;

  • -

    bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk komt vast te staan een griffierecht wordt geheven van € 503.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Djebali, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en
mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 21 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (N. Djebali)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 maart 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.