Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2268

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
200.193.876/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling wegens problematische schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.193.876

(zaaknummer rechtbank 4369317 VO VERZ 15-1586)

beschikking van 14 maart 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. M.W.J.M. de Man te Bolsward,

en

[de bewindvoerster] B.V.,

kantoorhoudende te [B] ,

verder te noemen: de bewindvoerster,

advocaat: mr. M.A.E. Dekens te Odoorn.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de levensgezel of de partner of [belanghebbende].

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 18 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 17 juni 2016;

- de brief van mr. Dekens van 12 augustus 2016 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 februari 2017 plaatsgevonden. Namens betrokkene is mr. M.W.J.M. de Man verschenen. Namens de bewindvoerster is verschenen de heer [C] en de heer [D] . Met bericht van verhindering is mr. Dekens niet verschenen. [belanghebbende] is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Betrokkene is geboren [in] 1966. Betrokkene is de inleidend verzoeker.

3.2

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kantonrechter - voor zover thans van belang - een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan betrokkene wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden en heeft de kantonrechter Houkes Bewindvoering B.V. tot bewindvoerder benoemd.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Betrokkene klaagt erover dat de behandeling bij de rechtbank aangehouden had moeten worden nu hij had aangegeven dat hij niet kon komen in verband met zijn medische toestand.

4.2

Betrokkene heeft in eerste aanleg niet verzocht om een aanhouding van de behandeling van de zaak. Overigens ook los daarvan blijft de klacht zonder gevolg. Voor zover betrokkene over de wijze van tot stand komen van de bestreden beschikking klaagt - in het bijzonder over het niet in acht nemen van de beginselen van hoor en wederhoor - daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtbank bij de totstandkoming van voornoemde beschikking heeft gehandeld in strijd met voornoemd beginsel - heeft betrokkene geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, betrokkene heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 18 maart 2016 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.

4.3

Betrokkene verzoekt in hoger beroep het verzoek tot onderbewindstelling niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, subsidiair een andere professionele bewindvoerder te benoemen. Betrokkene ontkent dat hij verkwist of problematische schulden heeft. De bewindvoerder refereert zich aan het oordeel van het hof.

4.4

Het hof komt op grond van het verhandelde ter zitting en de stukken tot het oordeel dat het in de bestreden beschikking uitgesproken beschermingsbewind van betrokkene in stand dient te blijven. Het hof neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

4.5

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

4.6

Het inleidend verzoekschrift is op 10 augustus 2015 ingediend bij de rechtbank. In de bij dat verzoekschrift ingebrachte eigen verklaring heeft betrokkene aangegeven dat hij zijn financiële administratie in de soep heeft laten lopen en niet in staat is om dat weer op orde te krijgen. Betrokkene erkent ook in zijn beroepschrift dat hij voor het verzoekschrift het overzicht deels was kwijtgeraakt.

De ingebrachte schuldenlijst van betrokkene en [belanghebbende] , die niet bestreden is door betrokkene, beloopt een bedrag van ruim € 31.000,-. Betrokkene heeft gesteld dat het merendeel van de schulden niet van hem is, zoals de schuld aan het LBIO, en dat hij daaraan niet wil en hoeft mee te betalen. Het had op de weg van betrokkene gelegen om (onderbouwd) aan te geven welke schulden van betrokkene zijn en welke van zijn partner zijn. Uit de stukken noch anderszins kan het hof dat evenwel opmaken. Ook als het hof uit de stukken had kunnen opmaken dat de schuld aan het LBIO van [belanghebbende] is - zoals betrokkene heeft aangevoerd - dan nog blijft er een bedrag van ongeveer € 15.000,- aan schulden over. De schuldenlast in zijn geheel of tezamen, is door de bewindvoerster terecht aangeduid als problematisch. Het betreft het niet voldoen van de zorgverzekering, het niet voldoen van betaling van (de eigen bijdrage aan) het CAK, het niet voldoen van betalingen aan de energieleverancier, het niet voldoen van betalingen aan de belastingdienst, een (kleine) huurachterstand, en het niet voldoen van andere vaste maandelijkse financiële verplichtingen.

Betrokkene woont samen met zijn partner [belanghebbende] . De bewindvoerster heeft onbestreden laten weten dat [belanghebbende] geen eigen inkomen heeft en betrokkene en [belanghebbende] samen van de uitkering van betrokkene leven. Betrokkene en [belanghebbende] vormen aldus samen een economische eenheid. Over de goederen van [belanghebbende] is - evenals over die van betrokkene - op 18 maart 2016 een bewind uitgesproken, dat nog steeds van toepassing is.

Betrokkene heeft geen oplossing aangedragen voor de schulden, dan wel een plan uitgewerkt hoe de schulden te verminderen of in te lossen. Betrokkene heeft ter zitting laten weten dat zijn buurvrouw hem helpt maar hij heeft dat niet onderbouwd en het hof kan dat dan ook niet toetsen, laat staan beoordelen of rechthebbende met hulp van deze buurvrouw in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Weliswaar is daarnaast ter zitting duidelijk geworden dat betrokkene en [belanghebbende] bezig zijn met het aanvragen van een wettelijke schuldsaneringstraject maar het hof is er gelet op de schuldenlijst niet op voorhand van overtuigd dat zij tot het schuldsaneringstraject zullen worden toegelaten. Derhalve ziet het hof niet in dat er zonder het bestaan van het bewind een oplossing voor de schulden komt.

4.7

Daaruit volgt dat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene als gevolg van het hebben van problematische schulden tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en dat daarom de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene onder bewind moeten worden gesteld.

4.8

Voor zover betrokkene (subsidiair) verzoekt een andere bewindvoerder te benoemen, omdat hij geen vertrouwen heeft in de bewindvoerster, dan wel de bewindvoerster dat heeft verzocht omdat zij geen belang heeft om bewindvoerster te zijn tegen de wil van betrokkene, overweegt het hof het volgende.

4.9

Het hof is van oordeel dat geen gewichtige redenen zijn aangevoerd en dat evenmin ambtshalve gewichtige redenen zijn gebleken om de bewindvoerster ontslag te verlenen noch is aangevoerd of ambtshalve gebleken dat de bewindvoerster niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerster te kunnen worden of dat het bewind op een onzorgvuldige wijze jegens betrokkene is uitgeoefend. Ook is niet gebleken dat de verhouding tussen betrokkene en de bewindvoerster zodanig is verstoord dat genoegzame communicatie niet meer mogelijk is. Ook indien juist is, dat betrokkene de bewindvoerster niet meer vertrouwt of dat betrokkene het bewind niet wil, rechtvaardigt dit naar het oordeel van het hof onvoldoende om te komen tot een wijziging van de bewindvoerster. Het verzoek om de bewindvoerster te wijzigen is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 18 maart 2016;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, Z.J. Oosting en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 14 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.