Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2261

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
21-000546-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994. Slachtoffer botst tegen stilstaande mobiele graafkraan. Verkeersgedrag van bestuurder van mobiele graafkraan aanmerkelijk onvoorzichtig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000546-15

Uitspraak d.d.: 17 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 januari 2015 met parketnummer 18-830068-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

Verdachte is bij het hiervoor genoemde vonnis ter zake van het primair ten laste gelegde (met bewezenverklaring van 'schuld' in de vorm van 'zeer onvoorzichtig') veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast is verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (met bewezenverklaring van 'schuld' in de vorm van 'zeer onvoorzichtig') en veroordeling ter zake van dit feit tot een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van 2 jaren.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. U. van Ophoven, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 21 september 2012 in de gemeente [gemeente]

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder/bedienaar van een motorrijtuig, te weten een mobiele (graaf)kraan (merk/type Atlas Terex 1305), zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, namelijk met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur (en ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen), in elk geval een motorrijtuig dat niet harder kan of mag rijden dan tenminste 60 km per uur,

in de hoedanigheid van beroepschauffeur,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

zich met dat motorrijtuig rijdend en/of (vervolgens) stilstaand te bevinden op de (toerit/vluchtstrook van) A7 (bij [naam] in de richting van [plaats] ) terwijl die (toerit/vluchtstrook van) A7 was aangeduid als autosnelweg met een bord overeenkomstig model G1 van bijlage 1 van het RVV 1990, en/of

terwijl dat motorrijtuig (dat toen gebruikt werd voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen) ter plaatse geen geel zwaai-, flits- of knipperlicht voerde (zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 RVV 1990 en/of artikel 6 lid 1 Regeling optische en geluidssignalen 2009, terwijl op die A7 ter hoogte van die toerit wegwerkzaamheden waren), en/of

niet, althans onvoldoende, zichtbaar was voor het overige verkeer ter plaatse immers was het ten tijde en/of ter plaatse van het ongeval (ongeveer 20.22 uur, zijnde toen ongeveer 40 minuten na zonsondergang) donker, althans schemerig, en/of

niet de minimale maatregelen ter beveiliging van de werkplek en/of aanrijroute(s)/oversteek (CROW-richtlijnen) in acht te nemen,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ), die met een motorrijtuig (personenauto) over genoemde toerit de A7 (in de richting van [plaats] ) wilde oprijden tegen dat motorrijtuig (mobiele kraan) is aangereden en/of aangebotst

waardoor aan die [slachtoffer] zodanig zwaar (inwendig) lichamelijk letsel werd toegebracht dat hij aan de gevolgen daarvan op 21 september 2012 is overleden;

subsidiair:
hij op of omstreeks 21 september 2012 in de gemeente [gemeente]

als bestuurder van een voertuig, te weten een mobiele (graaf)kraan (merk/type Atlas Terex 1305), zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, namelijk met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur (en ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen), in elk geval een motorrijtuig dat niet harder kan of mag rijden dan tenminste 60 km per uur,

in de hoedanigheid van beroepschauffeur,

zich met dat motorrijtuig rijdend en/of (vervolgens) stilstaand heeft bevonden op de (toerit/vluchtstrook van) A7 (bij [naam] in de richting van [plaats] ) terwijl die (toerit/vluchtstrook van) A7 was aangeduid als autosnelweg met een bord overeenkomstig model G1 van bijlage 1 van het RVV 1990, en/of

terwijl dat motorrijtuig (dat toen gebruikt werd voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen) ter plaatse geen geel zwaai-, flits- of knipperlicht voerde (zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 RVV 1990 en/of artikel 6 lid 1 Regeling optische en geluidssignalen 2009, terwijl op die A7 ter hoogte van die toerit wegwerkzaamheden waren), en/of

niet, althans onvoldoende, zichtbaar was voor het overige verkeer ter plaatse immers was het ten tijde en/of ter plaatse van het ongeval (ongeveer 20.22 uur, zijnde toen ongeveer 40 minuten na zonsondergang) donker, althans schemerig, en/of

niet de minimale maatregelen ter beveiliging van de werkplek en/of aanrijroute(s)/oversteek (CROW-richtlijnen) in acht heeft genomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

immers is tengevolge van bovenstaande gedraging(en) en/of omstandighe(i)d(en) een bestuurder ( [slachtoffer] ) met (hoge) snelheid achterop dat voertuig (mobiel kraan) gereden en/of gebotst en/of ten gevolge van dat ongeval overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren

Culpa

De raadsman heeft aangevoerd dat het ongeval verdachte niet verweten kan worden omdat een voldoende mate van verwijtbaarheid ontbreekt. Het feit dat er ter plaatse onvoldoende veiligheidsmaatregelen waren genomen, kan verdachte niet worden verweten omdat dit niet onder de verantwoordelijkheid van verdachte viel, maar onder de verantwoordelijkheid van de uitvoerders. Omdat verdachte aanwijzingen van de uitvoerders behoorde te krijgen, kon en mocht hij - als klein radertje in het grotere geheel van de wegwerkzaamheden - erop vertrouwen dat de route naar het wegvak waar hij zijn werkzaamheden moest verrichten veilig was gemaakt door anderen. Daarvan uitgaande hoefde verdachte ook geen rekening te houden met ander verkeer dan werkverkeer op de toerit naar de A7. Toen verdachte eenmaal onderaan de toerit stond en erachter kwam dat het erg druk was op de A7, had hij weliswaar zelfstandig de keuze kunnen maken om al dan niet over te steken. Die gelegenheid heeft hij echter niet gekregen, want vrijwel meteen daarop vond het ongeval plaats.

Het voorgaande dient er volgens de raadsman toe te leiden dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het hof begrijpt de raadsman aldus dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat het bestanddeel schuld niet kan worden bewezen en dat inzake het subsidiair tenlastegelegde sprake is van het ontbreken van alle schuld zodat verdachte ten aanzien van dat feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de culpa, zoals ten laste gelegd in het primaire feit, bewezen kan worden en dat het rijgedrag van verdachte als 'zeer onvoorzichtig' moet worden gekwalificeerd. Verdachte heeft bewust verkeersregels genegeerd en een gevaarlijke verkeerssituatie in het leven geroepen. Verdachte is met een voertuig de autosnelweg opgereden, waarvan hij wist dat hij daarmee de autosnelweg niet op mocht. Hij heeft aan het einde van de toerit zijn voertuig op de rijbaan van de toerit tot stilstand gebracht om de rechter rijbaan over te kunnen steken, hetgeen een manoeuvre is die op zichzelf al als gevaarlijk moet worden aangemerkt. Verdachte voerde daarbij geen zwaailicht, en het was op z'n minst schemerig.

De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat anderen (in casu degenen die verantwoordelijk waren voor het veilig uitvoeren van het werk) mogelijk medeverantwoordelijk moeten worden gehouden voor het ontstaan van het ongeval, de schuld bij verdachte niet wegneemt.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Op de autosnelweg A7 van Leek richting [plaats] , ter hoogte van het viaduct [naam] , werden op 21 september 2012 wegwerkzaamheden verricht. Er werd een nieuwe vangrail in de middenberm geplaatst. De linker rijstrook van de A7 was daarom ter hoogte van het viaduct [naam] afgezet voor het wegverkeer en het verkeer werd met aangepaste snelheid over de rechter rijstrook geleid. Verdachte zou die avond met zijn mobiele kraan werkzaamheden uitvoeren in het afgezette deel.

Het hof stelt voorop dat verdachte al jaren lang kraanmachinist van beroep is en wordt geacht ervaring te hebben bij het verrichten van werkzaamheden aan en langs de wegen. Verdachte bezit ook veiligheidscertificaten om deze werkzaamheden te mogen uitvoeren. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, maken deze omstandigheden dat voor verdachte een verhoogde zorgplicht gold.

Met betrekking tot de feitelijke toedracht is onbetwist dat verdachte op 21 september 2012 met zijn mobiele kraan vanaf de Westpoortboulevard en over het viaduct, de toerit naar de autosnelweg A7 richting [plaats] op is gereden. Onderaan de toerit ter hoogte van het convergentiepunt, deels op het puntstuk en deels op de invoegstrook, heeft de kraan stilgestaan. Verdachte moest namelijk wachten op het op de A7 rijdende verkeer om over te kunnen steken naar het werkvak. Op deze plek is [slachtoffer] tegen de kraan van verdachte gereden.

Verdachte reed op de toerit van de A7 met een voertuig met beperkte snelheid, namelijk met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur. Dit terwijl de toerit van de A7 met een bord (overeenkomstig model G1 van bijlage 1 van het Regeling verkeersregels en verkeerstekens 1990, hierna te noemen: RVV1990) was aangeduid als autosnelweg. Het gebruik van de autosnelweg is (op grond van het bepaalde in artikel 42 RVV1990) slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat verdachte niet wist of de toerit naar de A7 al dan niet (tijdelijk) was afgesloten voor het verkeer. Hoewel bij het benaderen van die toerit uit niets kon blijken dat zodanige maatregelen waren getroffen, en anders - dan gebruikelijk - over veiligheidsrisico's en -maatregelen geen zogenaamde toolboxmeeting had plaatsgevonden, heeft verdachte nagelaten hierover informatie in te winnen op het moment dat hij de opdracht kreeg om naar het werkvak te rijden.

Daar komt bij dat het verdachte - als beroepschauffeur - bekend was dat in situaties als de onderhavige een mobiele kraan in het geheel niet op eigen gelegenheid naar het werkvak mag rijden, maar daar naartoe moet worden gebracht met een dieplader.

Verdachte heeft vervolgens de kraan beneden aan de toerit gevaarlijk, immers deels op de voor [slachtoffer] bedoelde rijbaan, opgesteld terwijl er voor verdachte alternatieven waren, zoals plaatsing op de naast de rijbaan van de A28 gelegen vluchtstrook, zodanig dat de rijbaan van de toerit berijdbaar bleef.

Verdachte voerde op dat moment bovendien geen zwaailichten, terwijl het gebruik daarvan op grond van de artikelen 30 lid 1 RVV1990 en 6 lid 1 Regeling optische en geluidssignalen 2009 dwingend was voorgeschreven. Ter zitting van het hof heeft verdachte daarover nog verklaard dat het zwaailicht niet op de kraan was bevestigd, maar in de gereedschapsbak zat. Na het ongeval heeft verdachte de zwaailamp alsnog uit de gereedschapsbak gehaald, op de kraan bevestigd en ingeschakeld. Verdachte voerde wel de standaardverlichting.

De hiervoor genoemde omstandigheden, in samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat de verdachte zich als verkeersdeelnemer 'aanmerkelijk onvoorzichtig' heeft gedragen. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Culpa slachtoffer

De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat het ongeval verdachte niet verweten kan worden omdat het voor het slachtoffer zichtbaar moest zijn geweest dat sprake was van wegwerkzaamheden. Hij kon en moest daarom rekening houden met stilstaand verkeer ter plaatse en zijn rijgedrag daaraan aanpassen. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat de voornaamste aanleiding van het ongeval is geweest het onvoldoende houden van afstand door het slachtoffer. Daarnaast kan ook de gezondheidstoestand van het destijds 88-jarige slachtoffer niet uit het oog verloren worden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat zelfs als de kraan voor het slachtoffer waarneembaar was en het slachtoffer in staat had moeten zijn om tijdig te stoppen, dit de schuld bij verdachte niet wegneemt.

Het hof overweegt dat de omstandigheid dat het ongeval mede zou kunnen zijn veroorzaakt door het slachtoffer, niet afdoet aan de schuld van verdachte. Het verweer wordt reeds om die reden verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 21 september 2012 in de gemeente [gemeente]

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder/bedienaar van een motorrijtuig, te weten een mobiele (graaf)kraan (merk/type Atlas Terex 1305), zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, namelijk met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur (en ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen),

in de hoedanigheid van beroepschauffeur,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig

zich met dat motorrijtuig rijdend en vervolgens stilstaand te bevinden op de toerit van de A7 bij [naam] in de richting van [plaats] , terwijl die toerit van de A7 was aangeduid als autosnelweg met een bord overeenkomstig model G1 van bijlage 1 van het RVV1990, en

terwijl dat motorrijtuig (dat toen gebruikt werd voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen) ter plaatse geen geel zwaailicht voerde zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 RVV1990 en artikel 6 lid 1 Regeling optische en geluidssignalen 2009, terwijl op die A7 ter hoogte van die toerit wegwerkzaamheden waren, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ), die met een motorrijtuig (personenauto) over genoemde toerit de A7 in de richting van [plaats] wilde oprijden tegen dat motorrijtuig (mobiele kraan) is aangereden,

waardoor aan die [slachtoffer] zodanig zwaar (inwendig) lichamelijk letsel werd toegebracht dat hij aan de gevolgen daarvan op 21 september 2012 is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In plaats van - zoals de veiligheidsvoorschriften voorschrijven - de kraan met een dieplader naar het werkvak te (laten) vervoeren, is verdachte met zijn kraan over de toerit naar de A7 gereden. Toen verdachte vanaf de toerit de rechter rijstrook van de A7 wilde oversteken, bleek het druk op de A7 te zijn. Verdachte heeft zijn kraan tot stilstand gebracht om te wachten op een gunstig moment om over te steken. Hij heeft daarbij niet de in die situatie vereiste verlichting gevoerd. Zijn kraan stond daarbij deels op de toerit naar de A7. Kort daarna reed de 88-jarige [slachtoffer] , die met zijn auto op de toerit naar de A7 reed, met zijn auto tegen de kraan van verdachte. Deppe is even later aan inwendige verwondingen overleden.

Verdachte, ervaren beroepschauffeur, heeft door zijn handelen zijn zorgplicht, de verkeersvoorschriften en veiligheidsvoorschriften onvoldoende in ogenschouw genomen, met fatale gevolgen van dien.

Met het overlijden van [slachtoffer] ten gevolge van het hiervoor beschreven ongeval is de nabestaanden onherstelbaar leed berokkend. Het grote verdriet is door één van zijn dochters en een kleindochter ter zitting van het hof indringend verwoord. Uit hun verklaringen volgt dat zijn overlijden de nabestaanden nog dagelijks bezighoudt en dat zij allen grote moeite hebben het verlies te verwerken. Het hof heeft begrip voor het feit dat de lange duur van de procedure de verwerking voor de nabestaanden extra moeilijk heeft gemaakt.

Het hof neemt bij de straftoemeting een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 februari 2017 in aanmerking. Daaruit blijkt ten gunste van verdachte dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het ongeval ook gevolgen heeft gehad voor verdachte. Hij heeft de ernstige gevolgen van zijn handelen niet gewild en is onder behandeling geweest bij een psychiater. Het hof twijfelt er niet aan dat verdachte oprechte spijt van zijn handelen heeft, ook al is hij ter zitting niet goed in staat geweest dat adequaat te verwoorden.

Hoewel het hof een lichtere schuldgradatie dan de rechtbank bewezen verklaart, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf passend bij het geheel van de gedragingen.

Op grond van het vorenstaande is hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is.

Daarnaast zal het hof, evenals de rechtbank, verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar ontzeggen. Deze ontzegging wordt echter geheel voorwaardelijk opgelegd omdat verdachte als beroepschauffeur zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk te kunnen uitvoeren.

Het hof stelt vast dat zowel de procedure in eerste aanleg alsmede de procedure in hoger beroep niet binnen de als redelijk te achten termijn van berechting van telkens twee jaren zijn afgedaan. In eerste aanleg is de termijn met 4 maanden overschreden en in hoger beroep bedraagt de overschrijding anderhalve maand. Gelet op de geringe overschrijding van de termijn in beide procedures volstaat het hof met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid van het EVRM.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. P.W.J. Sekeris, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 17 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J. Beswerda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.