Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2198

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
WAHV 200.191.796
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Schending hoorplicht. 6:22 Awb. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.191.796

15 maart 2017

CJIB 187168012

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 24 mei 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

kantoorhoudende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 1 maart 2017. De betrokkene noch zijn gemachtigde is - zoals tevoren bericht - verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.E. Joha.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat het beroepschrift geen gronden bevatte en dat de gemachtigde niet heeft gereageerd op de hem geboden gelegenheid het verzuim te herstellen.

2. De gemachtigde van de betrokkene verzoekt de beslissing van de kantonrechter te vernietigen. Daartoe voert hij aan dat de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden, omdat bij faxbericht van 13 februari 2016 de gronden zijn ingediend. Ter onderbouwing daarvan heeft de gemachtigde een faxverzendbewijs overgelegd.

3. De advocaat-generaal heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het - gelet op de door de gemachtigde overgelegde stukken - aannemelijk is dat de gemachtigde de gronden tijdig heeft ingediend.

4. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de gemachtigde aannemelijk heeft gemaakt dat de gronden van het beroep op 19 augustus 2014 - en dus tijdig - zijn ingediend. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de bestreden beslissing vernietigen en - zoals ook door de gemachtigde van de betrokkene is verzocht - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

5. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de officier van justitie ten onrechte niet is overgegaan tot het horen van de betrokkene of zijn gemachtigde.

6. Ingevolge het te dezen toepasselijke artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in artikel 7:17 van de Awb worden afgezien, indien - voor zover hier van belang - het beroep kennelijk ongegrond is.

7. In administratief beroep heeft de gemachtigde de gedraging ontkend en aangevoerd dat sprake is van een foutieve waarneming van het gebeurde. Dit betreft een bezwaar waarvan niet reeds aanstonds, zonder onderzoek, duidelijk is dat deze geen doel kan treffen. Het beroep van de betrokkene was gelet op het voorgaande niet kennelijk ongegrond, zodat de officier van justitie niet kon afzien van het horen van de (gemachtigde van de) betrokkene.

8. Het hof is van oordeel dat de uitzondering van artikel 6:22 Awb – te weten dat een besluit, ondanks schending van een vormvoorschrift, in stand kan blijven als een betrokkene daardoor niet is benadeeld – zich hier niet voordoet. In onderhavige zaak kan niet worden geoordeeld dat voornoemde met het horen gediende belangen niet zijn geschaad en evenmin dat de gemachtigde door het niet horen niet is benadeeld. Anders dan de advocaat-generaal heeft opgemerkt ligt het, gezien de redactie van deze bepaling, niet op de weg van de gemachtigde om aannemelijk te maken dat hij is benadeeld.

9. Bovenstaande brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie daarom vernietigen. Gelet daarop behoeven de overige bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie geen bespreking meer.

10. Thans staat het beroep tegen de inleidende beschikking ter beoordeling van het hof.

11. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 23 januari 2015 om 13:55 uur op de Stationsdreef te Lelystad met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

12. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat de gedraging niet is geconstateerd door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Het besluit op grond waarvan de verbalisant was beëdigd is komen te vervallen en niet is gebleken dat aan de betrokken verbalisant een nieuwe akte van beëdiging is uitgereikt.

13. Met betrekking hiertoe overweegt het hof dat uit de akte van beëdiging, die door de gemachtigde van de betrokkene is overgelegd, blijkt dat verbalisant met nummer [nummer] , die de sanctie heeft opgelegd en de waarneming heeft gedaan, is beëdigd tot buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid wordt ontleend aan het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Flevoland 2007 van 9 juli 2007, laatstelijk gewijzigd op 12 mei 2010. Dit besluit is op 23 mei 2012 vervangen door het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar van de politieregio Flevoland 2012 (Staatscourant 14 mei 2012, nr. 5731210), welk besluit vervolgens op 28 april 2013 is vervangen door het ten tijde van de gedraging geldende Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale eenheid Midden-Nederland 2013 (Staatscourant 18 april 2013, nr. BOACAT2013/026 ). Artikel 9 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale eenheid Midden-Nederland 2013 bepaalt dat de op naam gestelde akten van beëdiging op basis van voorgaande besluit mede worden geacht te zijn afgegeven op basis van het thans geldende besluit. De verbalisant is derhalve op basis van voornoemde regeling bevoegd. Het hof verwerpt het verweer van de gemachtigde.

14. Met betrekking tot de gedraging heeft de gemachtigde van de betrokkene aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Er is sprake van een foutieve waarneming. De betrokkene heeft geen telefoon vastgehouden maar een dictafoon. In tegenstelling tot hetgeen in het zaakoverzicht staat vermeld is aan de betrokkene niet de cautie verleend. Tot slot heeft de gemachtigde van de betrokkene aangevoerd dat de hoogte van de sanctie niet in overeenstemming is met de ernst van de gedraging. De gemachtigde wijst naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland d.d. 30 oktober 2010.

15. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

16. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Gedragingsgegevens: Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Sony.”

17. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat het geen telefoon betrof maar een dictafoon, is daartoe onvoldoende. Nu namens de betrokkene, anders dan de ontkenning dat hij de verweten gedraging heeft verricht, geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

18. Met betrekking tot de klacht van de gemachtigde van de betrokkene over het niet geven van de cautie overweegt het hof dat de verklaring van de betrokkene niet gebruikt wordt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Zoals uit het voorgaande blijkt, biedt de verklaring van de verbalisant reeds op zichzelf voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Derhalve is niet relevant of de verbalisant aan de betrokkene de cautie heeft gegeven. Het hof verwerpt het verweer.

19. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde dat de hoogte van de verkeersboetes sneller is gestegen dan de inflatie, overweegt het hof dat ingevolge artikel 2, derde lid, van de WAHV de hoogte van de sanctie voor elke zogenoemde Muldergedraging is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze bijlage wordt elk jaar opnieuw vastgesteld. In WAHV-zaken staat het de rechter daarmee in het algemeen niet vrij zich een oordeel te vormen omtrent de hoogte van de door de regelgever vastgestelde tarieven. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van het vastgestelde tarief af te wijken. De opvatting van de gemachtigde dat het niet is toegestaan om de sanctietarieven te verhogen anders dan ter correctie op de inflatie, vindt geen steun in het recht. In dit verband wijst het hof op zijn arrest van 21 juni 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:4986.

20. Nu is komen vast te staan dat de gedraging is verricht en het hof geen aanleiding ziet voor het oordeel dat zich omstandigheden voordoen die meebrengen dat het opleggen van een sanctie achterwege dient te blijven of dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd, wordt het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

21. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De enkele omstandigheid dat de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om bij de kantonrechter of bij het hof te worden gehoord brengt, anders dan de gemachtigde van de advocaat-generaal ter zitting heeft betoogd, niet mee dat gezegd moet worden dat de gemachtigde door deze wijze van procederen niet redelijkerwijs het belang van de betrokkene dient.

22. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting op het beroep. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt € 496,- (voor zaken ingediend in 2016). Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 620,- (= 2,5 x € 496,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 620,-, over te maken op rekening [rekeningnummer] ten name van [gemachtigde] te [plaats] ;

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.