Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2189

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
21-008958-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:383, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De artikelen 273f, lid 1, onder 1º, 4º en 6º (feit 1) en 225, lid 1, jo. 51 (feit 2 primair) Sr.

Uitbuiting gedurende een periode van ruim 7 maanden van (overwegend) Slowaakse seizoenwerknemers in de Nederlands aardbeienteelt

Het hof acht de uitbuiting en het oogmerk van uitbuiting bewezen op grond van (onder meer) de stelselmatige substantiële onderbetaling en de stelselmatige belabberde huisvesting van de seizoenwerknemers en het daardoor door verdachte (teler van de aardbeien) behaalde substantiële financiële voordeel. Verdachte wist heel goed dat zijn buitenlandse werknemers geen kant op konden, afhankelijk als zij waren van verdachte en gedreven als zij waren door de gebrekkige verdienmogelijkheden in eigen land. De grens van niet als uitbuiting aan te merken slecht werkgeverschap is hier beduidend overschreden.

Daarnaast heeft het bedrijf van verdachte gedurende een periode van 5 jaren valsheid in geschrift gepleegd door een groot aantal urenlijsten en loonstroken van haar seizoenwerknemers valselijk op te maken, waartoe verdachte opdracht heeft gegeven.

In beginsel dient een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd te worden. Daarvan ziet het hof af op grond van de bijzondere omstandigheden van dit geval (mildere vorm van uitbuiting in vergelijking met andere uitbuitingszaken), de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het hof legt op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-008958-13

Uitspraak d.d.: 16 maart 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van

19 november 2013 met parketnummer 07-996568-10 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan

4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. Y. van der Horst, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij het vonnis waarvan beroep ter zake van feit 1 (deels) en feit 2 veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente

[gemeente] , althans elders in Nederland,

A)

een ander of anderen, te weten [betrokkene 1] (G001) en/of [betrokkene 2] (G002) en/of [betrokkene 3] (G007) en/of [betrokkene 4] (G011) en/of [betrokkene 5] (G014) en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en),

(telkens) door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft geworven en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) (sub 1°) en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°),

immers heeft verdachte die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en)

- geworven en/of doen werven in Slowakije terwijl hij/zij in een zwakke economische en/of financiële positie verkeerde(n) en/of de Nederlandse en/of Engelse en/of Duitse taal onvoldoende machtig was/waren en/of niet op de hoogte was/waren van de in Nederland geldende wet- en regelgeving en/of zijn/haar/hun rechten en/of plichten en/of

- bij aanvaarding van het werk bemiddelingskosten in rekening gebracht en/of laten brengen en/of

- na de reis naar Nederland, die door hem/haar/hen zelf betaald moest worden, gehuisvest in een kantine en/of een schuur, waar hij/zij op (een) matras(sen) op de grond moest(en) slapen en/of waar geen en/of onvoldoende sanitaire voorzieningen aanwezig waren en/of (vervolgens)

- gehuisvest in (een) huurwoning(en), waar geen gebruik gemaakt mocht worden van het sanitair en/of (vervolgens)

- gehuisvest in een tent waar het 's nachts erg koud was en/of waar geen sanitaire voorzieningen aanwezig waren (behoudens twee verplaatsbare toiletten in de omgeving van de tent) en/of welke niet waterdicht was en/of waar gevaar was voor kortsluiting en/of brand in verband met elektriciteitssnoeren en haspels die (in bakken) op de grond lagen en/of

- gehuisvest in een portocabin waar geen sanitaire voorzieningen aanwezig waren en/of waar een verhoogd risico voor brand was in verband met de situering tussen houten pallets en/of

- met een groot aantal anderen gebruik laten maken van slechts vijf douches en/of twee toiletten en/of

- in vrijheid beperkt door te bepalen dat hij/zij tussen 07.00 uur en 19.00 uur, althans overdag, niet in de/het slaapvertrek(ken) en/of tent mocht(en) komen en/of

- ( een) contract(en) en/of (een) formulier(en) laten ondertekenen, terwijl dit/die contract(en) en/of formulier(en) waren opgesteld in een taal die hij/zij niet machtig was/waren en/of

- verzocht zijn/haar/hun identiteitsbewij(s)(zen) aan verdachte af te geven en/of

- zes dagen per week van 6.00 uur tot 18.00 uur/19.00 uur of langer, althans (een) lange

werkdag(en), laten werken/maken, terwijl het werk in de aardbeienteelt fysiek zwaar was en/of

- na aftrek van € 2,50 voor onder meer de huisvesting een (gemiddeld) netto uurloon van

€ 5,-- per uur uitbetaald, gekoppeld aan een dagelijks pas aan het einde van de dag door verdachte te bepalen prestatienorm, waardoor het uurloon lager uit kon vallen en/of minder uren uitbetaald dan er daadwerkelijk waren gewerkt en/of/aldus onder het minimumloon uitbetaald en/of

- bij ziekte in de kantine laten zitten en/of niet doorbetaald en/of

- ( een) boete(s)/sanctie(s) opgelegd en/of gedreigd met de oplegging van (een) boete(s)/sanctie(s), te weten het afkeuren en/of niet meetellen van de hele krat/kist met aardbeien (zodat men minder uitbetaald kreeg) en/of een boete van € 50,-- wanneer er een rotte en/of niet rijpe aardbei was geplukt en/of een boete van € 50,-- wanneer niet goed was schoongemaakt en/of het wegsturen bij het niet naar behoren functioneren en/of

- ( uit eigen beweging) geen loonstro(o)k(en) verstrekt en/of in een situatie gebracht dat hij/zij niet in staat was/waren zijn/haar/hun loon op juistheid te controleren en/of

- geïnstrueerd wat hij/zij moest(en) zeggen bij controle van de Arbeidsinspectie,

door welke feiten en omstandigheden een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waartegen/waaraan zij zich niet hebben kunnen verzetten en/of onttrekken en/of ten gevolge waarvan hij/zij geen weerstand aan verdachte heeft/hebben kunnen bieden;

en/of

B)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) (sub 6°);

2 primair:

de vennootschap onder firma [bedrijf] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 19 juli 2010 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een groot aantal urenlijsten en/of (telkens) een groot aantal loonstroken, waarvan onder meer

A. Urenlijsten

1. urenlijst juni 2005 (D-005-037) en/of

2. urenlijst december 2005 (D-005-42) en/of

3. urenlijst april 2006 (D-005-43) en/of

4. urenlijst november 2006 (D-005-48) en/of

5. urenlijst mei 2007 (D-005-49) en/of

6. urenlijst april 2008 (D-005-54) en/of

7. urenlijst september 2008 (D-005-58) en/of

8. urenlijst maart 2009 (D-005-60) en/of

9. urenlijst oktober 2009 (D-005-66) en/of

10. urenlijst april 2010 (D-005-70)

en/of

B. Loonstroken

1. loonstrook [betrokkene 6] juli 2005 (D-025-03) en/of

2. loonstrook [betrokkene 7] juni 2006 (D-033-02) en/of

3. loonstrook [betrokkene 8] mei 2007 (D-013-11) en/of

4. loonstrook [betrokkene 8] augustus 2007 (D-013-14) en/of

5. loonstrook [betrokkene 9] mei 2008 (D-011-14) en/of

6. loonstrook [betrokkene 10] november 2008 (D-012-20) en/of

7. loonstrook [betrokkene 11] april 2009 (D-008-07) en/of

8. loonstrook [betrokkene 1] juni 2009 (D-007-07) en/of

9. loonstrook [betrokkene 12] april 2010 (D-028-04) en/of

10. loonstrook [betrokkene 12] week 18 t/m 21 2010 (D-028-05),

zijnde (telkens) een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen laten opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen laten vervalsen, met het oogmerk om die urenlijst(en) en/of loonstro(o)k(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers heeft de vennootschap onder firma [bedrijf] en/of haar medeverdachte(n),

ten aanzien van de urenlijsten,

- de daadwerkelijk door de arbeider(s) gewerkte uren omgerekend naar een aantal uren gebaseerd op prestaties, waardoor uiteindelijk de uitbetaalde uren feitelijk lager uitkwamen en deze op de urenlijst(en) vermeld en/of

- ( overige) uren afgeroomd waardoor de arbeider(s) minder uitbetaald kre(e)g(en) dan waarop hij/zij recht zou(den) hebben en deze uren op de urenlijst(en) vermeld,

althans

- minder dan de feitelijk gewerkte uren op de urenlijsten vermeld;

ten aanzien van de loonstroken,

- één of meer loonstro(o)k(en) opgemaakt en/of laten opmaken op basis van deze onjuist opgemaakte urenlijsten en/of met hierop vermeld een onjuist bedrag aan huisvestingskosten,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet

tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2 subsidiair:

verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 19 juli 2010 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een groot aantal urenlijsten en/of (telkens) een groot aantal loonstroken, waarvan onder meer

A. Urenlijsten

1. urenlijst juni 2005 (D-005-037) en/of

2. urenlijst december 2005 (D-005-42) en/of

3. urenlijst april 2006 (D-005-43) en/of

4. urenlijst november 2006 (D-005-48) en/of

5. urenlijst mei 2007 (D-005-49) en/of

6. urenlijst april 2008 (D-005-54) en/of

7. urenlijst september 2008 (D-005-58) en/of

8. urenlijst maart 2009 (D-005-60) en/of

9. urenlijst oktober 2009 (D-005-66) en/of

10. urenlijst april 2010 (D-005-70)

en/of

B. Loonstroken

1. loonstrook [betrokkene 6] juli 2005 (D-025-03) en/of

2. loonstrook [betrokkene 7] juni 2006 (D-033-02) en/of

3. loonstrook [betrokkene 8] mei 2007 (D-013-11) en/of

4. loonstrook [betrokkene 8] augustus 2007 (D-013-14) en/of

5. loonstrook [betrokkene 9] mei 2008 (D-011-14) en/of

6. loonstrook [betrokkene 10] november 2008 (D-012-20) en/of

7. loonstrook [betrokkene 11] april 2009 (D-008-07) en/of

8. loonstrook [betrokkene 1] juni 2009 (D-007-07) en/of

9. loonstrook [betrokkene 12] april 2010 (D-028-04) en/of

10. loonstrook [betrokkene 12] week 18 t/m 21 2010 (D-028-05),

zijnde (telkens) een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen laten opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen laten vervalsen, met het oogmerk om die urenlijst(en) en/of loonstro(o)k(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers heeft verdachte en/of zijn medeverdachte(n),

ten aanzien van de urenlijsten,

- de daadwerkelijk door de arbeider(s) gewerkte uren omgerekend naar een aantal uren gebaseerd op prestaties, waardoor uiteindelijk de uitbetaalde uren feitelijk lager uitkwamen en deze op de urenlijst(en) vermeld en/of

- ( overige) uren afgeroomd waardoor de arbeider(s) minder uitbetaald kre(e)g(en) dan waarop hij/zij recht zou(den) hebben en deze uren op de urenlijst(en) vermeld,

althans

- minder dan de feitelijk gewerkte uren op de urenlijsten vermeld;

ten aanzien van de loonstroken,

- één of meer loonstro(o)k(en) opgemaakt en/of laten opmaken op basis van bovenvermelde onjuist opgemaakte urenlijsten en/of met hierop vermeld een onjuist bedrag aan huisvestingskosten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd.

Het hof leest de zinsnede "2. urenlijst december 2005 (D-005-42)" in het onder 2 onder A telkens primair en subsidiair ten laste gelegde verbeterd in "2. urenlijst november 2005

(D-005-42)".

Hier is telkens sprake van een kennelijke misslag. Door de verbeterde lezingen wordt verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

Bewijsmotivering

Feit 2

Advocaat-generaal noch verdediging hebben bezwaren ontwikkeld tegen de bewezenverklaring van feit 2 (valsheid in geschrift met betrekking tot urenlijsten en loonstroken). Ambtshalve bestaan tegen die bewezenverklaring evenmin bezwaren.

Op dat punt zal daarom worden beslist conform de beslissing van de rechtbank.

Feit 1

Inleiding

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde oogmerk van uitbuiting, zoals vermeld in artikel 273f lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht (Sr). In de visie van de officier van justitie - en in diens voetspoor: de advocaat-generaal - is dat oogmerk wel degelijk bewijsbaar. Om die reden is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld.

Door verdachte is geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank omdat, zo is ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht, de destijds geldende stand van de jurisprudentie daartoe onvoldoende aanleiding gaf. Inmiddels is echter nieuwe jurisprudentie beschikbaar gekomen. Daaruit volgt dat bewezenverklaring van hetgeen ten laste is gelegd op basis van artikel 273f lid 1 onder 4° Sr slechts mogelijk is indien het feit gepleegd is onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. In hoger beroep is met een beroep daarop verdedigd dat niet slechts het oogmerk van uitbuiting ontbrak (waarvan de rechtbank dan ook terecht heeft vrijgesproken), maar ook de uitbuiting zelf, zodat van alle onderdelen van het onder 1 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken.

Beide aspecten (uitbuiting en oogmerk van uitbuiting) worden hieronder besproken.

Artikel 273f Sr, waarop de tenlastelegging is toegesneden, luidde in de tenlastegelegde periode, voor zover hier van belang (en met door het hof aangebrachte cursivering), als volgt:

"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt gestraft (…):

1° degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie (…) werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander (…);

4°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (…) dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten (…);

6°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander."

Blijkens de tenlastelegging, zoals in hoger beroep gewijzigd, maakt het openbaar ministerie aan verdachte het verwijt te hebben gehandeld in strijd met de hiervoor geciteerde onderdelen van artikel 273f lid 1 Sr. De verdediging heeft terecht erop gewezen dat een bewezenverklaring van artikel 273f lid 1 onder 4°, waarin het woord "uitbuiting" niet voorkomt, slechts mogelijk is indien het omschreven feit is begaan onder omstandigheden die uitbuiting veronderstellen1. Deze vaststelling maakt dat voor bewezenverklaring van alle onderdelen van de tenlastelegging in deze zaak bewijs van uitbuiting noodzakelijk is en voor het onderdeel dat is toegesneden op artikel 273f lid 1 onder 1° bovendien dat het oogmerk daarop gericht was.

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f lid 1 Sr is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald2. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Op basis van dit, breed geformuleerde, criterium zal onderzocht worden of de feiten in deze zaak de conclusie van uitbuiting rechtvaardigen.

Loon

Verdachte had, ook in de tenlastegelegde periode (1 januari tot en met 9 augustus 2010), een aardbeienkwekerij. In het plukseizoen trok hij arbeidskrachten uit den vreemde aan. Zo ook in 2010. Het betrof in hoofdzaak Slowaakse arbeidskrachten. Met hen werd de afspraak gemaakt dat zij € 7,50 per uur zouden verdienen en dat zij daarvan € 2,50 per uur aan huisvesting zouden betalen. De Slowaakse arbeidskrachten maakten deze afspraak graag omdat zij aldus aanmerkelijk meer konden verdienen dan in hun eigen land. Zij hadden allen het geld nodig, bijvoorbeeld om een voorgenomen studie te kunnen betalen of te kunnen sparen om verwacht inkomstenverlies in Slowakije op te vangen.

Eenmaal in Nederland bleek het uitbetaalde salaris veelal niet overeen te komen met deze afspraak en voldeed het uitbetaalde salaris ook niet aan het in Nederland geldende minimumloon. De werknemers werden deels wel en deels niet op uurbasis betaald. Voor het plukwerk van de volle grond hanteerde verdachte een vorm van prestatieloon. Daarbij bepaalde de plukprestatie hoeveel uren van de daadwerkelijk gewerkte uren werden uitbetaald. Wie op een dag, bijvoorbeeld, tien uur had gewerkt en dus in beginsel recht had op € 50,- moest, indien zijn of haar plukprestatie onder de door verdachte berekende dagnorm lag, met aanmerkelijk minder genoegen nemen. Zo moest, om een enkel voorbeeld

te noemen en daarbij ervan uitgaande dat deels op uurbasis is betaald en deels op basis van de genoemde pluknorm, [betrokkene 1] uiteindelijk genoegen nemen met (ongeveer) € 4,- per uur, [betrokkene 3] met € 3,25 per uur en [betrokkene 4] met € 4,20 per uur. Gemiddeld is dat 37% minder dan afgesproken. Het hof noemt dat percentage substantieel.

Daarbij komt dat verdachte ook niet betaalde conform het in Nederland geldende minimumloon. Verdachte voerde een witte en een zwarte boekhouding. In de zwarte boekhouding hield hij bij het aantal kilo's geplukte aardbeien en de door de werknemers daadwerkelijk gemaakte uren. Op basis van die boekhouding berekende hij hetgeen door hem, mede ingevolge zijn zelf bepaalde dagnorm, aan de werknemers moest worden betaald. De uitbetaalde bedragen werden vervolgens in de witte boekhouding ingevoerd. Dat aantal gedeeld door het toepasselijke wettelijke minimumloon leverde vervolgens op het aantal "witte" werkuren. Volgens de witte boekhouding was dus keurig telkens het minimumloon betaald, maar feitelijk was dat niet het geval. De betrokken administratieve medewerksters van verdachte spreken in dit verband over het terugbrengen van het aantal uren met 30 tot 40%, derhalve gemiddeld 35%. Als dat percentage nodig was om uit te komen op een aantal uren dat correspondeerde met het wettelijk minimumloon is derhalve telkens tot dat percentage te weinig uitbetaald aan de werknemers in kwestie. Die 35% noemt het hof eveneens substantieel.

De keerzijde van de medaille van de, in strijd met de gemaakte afspraken en in strijd met het toepasselijke minimumloon, gerealiseerde te lage uitbetaling van het personeel is geweest dat verdachte zich substantieel kosten heeft bespaard en aldus financieel voordeel heeft behaald.

De tussenconclusie is dat verdachte zijn personeel substantieel te weinig heeft betaald, zowel uitgaande van de gemaakte afspraak van € 7,50 per uur als uitgaande van het geldende minimumloon. Gevolg daarvan is geweest dat verdachte een substantieel financieel voordeel heeft behaald.

Huisvesting

De werknemers werden door verdachte gehuisvest. Het aantal werknemers varieerde van 5 aan het begin van het seizoen (april) tot 40 in het hoogseizoen. In de kantine van het bedrijf waren 5 douches beschikbaar en 2 toiletten. Het personeel werd gehuisvest in of boven die kantine (matrassen op de grond), in zogenaamde portocabins (stapelbedden) zonder sanitaire voorzieningen, in twee woonhuizen zonder gebruik van sanitair en in een tent zonder sanitaire voorzieningen (stapelbedden), maar met twee verplaatsbare toiletten daarnaast geplaatst. In de tent lekte het, was het koud en was de elektriciteitsvoorziening beperkt en zelfs gevaarlijk. Privacy ontbrak geheel. Mannen en vrouwen waren aangewezen op één ruimte. Enige privacy kon feitelijk slechts gevonden worden in een van de, afsluitbare, douchecellen in de kantine. Ruimte om eigen spullen op te slaan was niet aanwezig.

Deze huisvesting was, beoordeeld naar de kwaliteit ervan, verre van voldoende. De praktijk laat zien dat in situaties van seizoensarbeid het personeel vaak gehuisvest wordt in eenvoudige pensions of huisjes op een camping/vakantiepark. In die situaties is sprake van sobere, maar kwalitatief en kwantitatief adequate, sanitaire voorzieningen, goede bedden, enige opbergruimte voor eigen spullen en kamers waarin slechts een beperkt aantal mensen slaapt. Aan die norm voldeed de huisvesting niet.

Daarbij komt ook het financiële aspect. Het personeel betaalde € 2,50 per uur voor de huisvesting. Er werd, zeker in het hoogseizoen, veelal gedurende 6 dagen per week en

10 uur per dag gewerkt. Dat was dus 60 uur. Rekening houdend met de hiervoor genoemde onderbetaling van 35% werd dan al snel 40 x € 2,50 = € 100,- per week betaald voor de huisvesting. Door de accountant van verdachte wordt als gebruikelijk in de branche genoemd een bedrag van € 30,- tot € 40,- per week. Door het personeel werd dus, gemeten aan die norm, veel te veel betaald voor de huisvesting. Verdachte heeft nog wel aangevoerd dat in het bedrag van € 2,50 per uur ook begrepen waren andere voorzieningen, zoals het wekelijks gebruik van de bedrijfsauto om boodschappen te doen en het gebruik van ter beschikking gestelde fietsen, maar niet aannemelijk is geworden dat die kosten een relevante component waren binnen dat bedrag van € 2,50. Hetgeen werkelijk door verdachte

aan huisvesting is uitgegeven is berekend3. Over de periode van 2005 tot en met 2010 is door hem, volgens die berekening, € 174.560,- winst gemaakt op de huisvesting. Daargelaten of dat bedrag nu exact klopt geldt dat in ieder geval vastgesteld kan worden dat verdachte een substantieel financieel voordeel heeft behaald met de huisvestingsbetalingen door het personeel.

De tussenconclusie is dat de huisvesting verre van voldeed aan de daaraan redelijkerwijs te stellen norm, veel te duur was en substantieel financieel voordeel heeft opgeleverd voor verdachte.

Overige aspecten

Om te kunnen werken bij verdachte moesten de werknemers aan de Slowaakse bemiddelaar in Slowakije € 100,- betalen. Ze moesten ook hun reis naar Nederland zelf betalen. Van de Nederlandse wetgeving zijn ze niet op de hoogte gebracht en contracten zijn opgesteld en getekend in het Nederlands, welke taal geen van de werknemers machtig was. Loonstroken kregen de werknemers niet. Op het niet schoonhouden van de verblijfsruimte stond een boete en als sanctie op het aanleveren van een kistje aardbeien met een enkele rotte aardbei daarin stond het niet meerekenen van dat kistje voor de dagprestatie van de werknemer in kwestie.

Uitbuiting en oogmerk

De onderbetaling is hiervoor substantieel en de huisvesting verre van voldoende genoemd. Zowel het een als het ander heeft geleid tot substantieel financieel voordeel voor verdachte. De werknemers hebben zich de onderbetaling en belabberde huisvesting laten welgevallen. Ze hadden geen andere keus, gedreven als zij waren door de financiële noodzaak geld te verdienen en de afhankelijke positie waarin zij zich bevonden. De overige (buiten het loon en de huisvesting) genoemde aspecten hebben die afhankelijkheid mede inkleuring gegeven. De conclusie hieruit is dat de werknemers in kwestie door het aanwenden van dwangmiddelen een ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid hebben moeten ondergaan en derhalve zijn uitgebuit. De grens van niet als uitbuiting aan te merken slecht werkgeverschap is beduidend overschreden. Niet alle aspecten wegen daarbij even zwaar, maar het zijn vooral de stelselmatige substantiële onderbetaling, de stelselmatig belabberde huisvesting en het daardoor behaalde substantiële financiële voordeel die maken dat niet meer gesproken kan worden van een werkgever die een paar steken laat vallen en daardoor als niet meer dan een slecht werkgever moet worden aangemerkt.

De verdachte dient op de uitbuiting ook het oogmerk te hebben gehad. Voor het bewijs daarvan is vereist dat het handelen van de verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en derhalve het door hem gewilde gevolg meebracht dat de werknemers door hem werden uitgebuit. De uitbuiting werd in casu door verdachte ook beoogd. Dat wordt afgeleid in het bijzonder uit het systeem van de witte en zwarte boekhouding. Verdachte wist dat hij zijn personeel onderbetaalde, riep daaraan geen halt toe, maar bouwde die onderbetaling systematisch in in zijn bedrijfsvoering. Hij wist ook heel goed dat het personeel geen kant op kon, afhankelijk als het was van verdachte en gedreven als het was door de gebrekkige verdienmogelijkheden in eigen land. Ook het oogmerk van uitbuiting blijkt dus uit het feitelijk handelen van verdachte, zoals hiervoor beschreven. Naar het oordeel van het hof brengt die wijze van handelen noodzakelijkerwijs met zich dat de werknemers werden uitgebuit en kan het niet anders zijn dan dat de verdachte dit heeft beseft en ook heeft gewild.

De verdediging heeft bepleit deze conclusie niet te trekken omdat er veel aanwijzingen zijn die aan de conclusie van (oogmerk van) uitbuiting in de weg staan. Samengevat komen de argumenten van de verdediging op het volgende neer:

- in het merendeel van de gevallen werd wel degelijk het minimumloon en zelfs meer betaald;

- de huisvesting was merendeels wél op orde;

- het personeel kwam vrijwillig, wist waaraan het begon, was vrij te gaan en staan waar het wilde, maakte vrijwillig schoon, verzorgde vrijwillig de eigen maaltijden, kreeg voor de inkoop daarvan zo nodig een voorschot van verdachte, kon terug gaan naar Slowakije wanneer het wilde en kwam, jaar op jaar, graag werken bij verdachte, zelfs onder medeneming van kennissen en vrienden die dat ook wilden.

Wat het loon betreft kan het zeker in een aantal individuele gevallen (topplukkers) zijn voorgekomen dat uiteindelijk meer werd verdiend dan het minimumloon. In zijn totaliteit bezien was dat echter niet zo; dat gold om te beginnen voor de vijf in de tenlastelegging met name genoemde werknemers, maar ook voor veel anderen.

Wat de huisvesting betreft geldt dat in de tenlastegelegde periode niet sprake is geweest van één vorm van huisvesting. Beoordeeld is daarom of die huisvesting in zijn diversiteit en totaliteit van voldoende niveau was. Dat was niet het geval. Daaraan doet niet af dat de ene vorm van huisvesting (de beide huurhuizen, bijvoorbeeld) relatief beter was dan de andere (de tent).

Voor alle overige factoren geldt dat het personeel vrijwillig bij verdachte aan het werk is gegaan en gebleven en dat verdachte het verblijf en de werksfeer op onderdelen zo goed mogelijk faciliteerde. Hoewel enigszins stijl en soms streng in zijn optreden wist verdachte kennelijk - dat blijkt ook wel uit meerdere verklaringen van het personeel - een redelijke, wellicht zelfs goede, verstandhouding op te bouwen met het merendeel van dat personeel. Vrijwilligheid en subjectief welbevinden van slachtoffers in uitbuitingszaken is echter niet van belang voor beoordeling van de vraag of die slachtoffers zijn uitgebuit in de zin der wet.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd tast de getrokken conclusie van uitbuiting en oogmerk daarop dus niet aan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente [gemeente]

A)

anderen, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en

[betrokkene 4] en [betrokkene 5] en andere personen,

telkens door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft geworven en gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en die andere personen

en/of

- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid,

immers heeft verdachte die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en die andere personen

- geworven of doen werven in Slowakije terwijl zij in een zwakke economische en financiële positie verkeerden en de Nederlandse en Engelse taal onvoldoende machtig waren en niet op de hoogte waren van de in Nederland geldende wet- en regelgeving en hun rechten en plichten en/of

- bij aanvaarding van het werk bemiddelingskosten in rekening gebracht of laten brengen en/of

- na de reis naar Nederland, die door hen zelf betaald moest worden, gehuisvest in een kantine en/of een schuur, waar zij op een matras op de grond moesten slapen en waar onvoldoende sanitaire voorzieningen aanwezig waren en/of

- gehuisvest in (een) huurwoning(en), waar geen gebruik gemaakt mocht worden van de douche en/of

- gehuisvest in een tent waar het 's nachts koud was en waar geen sanitaire voorzieningen aanwezig waren (behoudens twee verplaatsbare toiletten in de omgeving van de tent) en welke niet waterdicht was en waar gevaar was voor kortsluiting en brand in verband met elektriciteitssnoeren en haspels die (in bakken) op de grond lagen en/of

- gehuisvest in een portocabin waar geen sanitaire voorzieningen aanwezig waren en/of

- met een groot aantal anderen gebruik laten maken van slechts vijf douches en twee toiletten en/of

- in vrijheid beperkt door te bepalen dat zij tussen 07.00 uur en 19.00 uur, althans overdag, niet in de slaapvertrekken en tent mochten komen en/of

- na aftrek van € 2,50 voor onder meer de huisvesting een (gemiddeld) netto uurloon van

€ 5,-- per uur uitbetaald, gekoppeld aan een dagelijks pas aan het einde van de dag door verdachte te bepalen prestatienorm, waardoor het uurloon lager uit kon vallen en minder uren uitbetaald dan er daadwerkelijk waren gewerkt en aldus onder het minimumloon uitbetaald en/of

- bij ziekte in de kantine laten zitten en niet doorbetaald en/of

- sancties opgelegd en/of gedreigd met de oplegging van sancties, te weten het afkeuren en/of niet meetellen van de hele krat/kist met aardbeien (zodat men minder uitbetaald kreeg) wanneer er een rotte en/of niet rijpe aardbei was geplukt en/of een boete van € 50,-- wanneer niet goed was schoongemaakt en/of

- uit eigen beweging geen loonstroken verstrekt en in een situatie gebracht dat zij niet in staat waren hun loon op juistheid te controleren en/of

door welke feiten en omstandigheden een afhankelijkheidssituatie is ontstaan waartegen zij zich niet hebben kunnen verzetten

en

B)

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en die andere personen;

2 primair:

de vennootschap onder firma [bedrijf] op tijdstippen in de periode van 1 juli 2005 tot en met 19 juli 2010 in de gemeente [gemeente] telkens een groot aantal urenlijsten en loonstroken, waarvan onder meer

A. Urenlijsten

1. urenlijst juni 2005 (D-005-037) en

2. urenlijst november 2005 (D-005-42) en

3. urenlijst april 2006 (D-005-43) en

4. urenlijst november 2006 (D-005-48) en

5. urenlijst mei 2007 (D-005-49) en

6. urenlijst april 2008 (D-005-54) en

7. urenlijst september 2008 (D-005-58) en

8. urenlijst maart 2009 (D-005-60) en

9. urenlijst oktober 2009 (D-005-66) en

10. urenlijst april 2010 (D-005-70)

en

B. Loonstroken

1. loonstrook [betrokkene 6] juli 2005 (D-025-03) en

2. loonstrook [betrokkene 7] juni 2006 (D-033-02) en

3. loonstrook [betrokkene 8] mei 2007 (D-013-11) en

4. loonstrook [betrokkene 8] augustus 2007 (D-013-14) en

5. loonstrook [betrokkene 9] mei 2008 (D-011-14) en

6. loonstrook [betrokkene 10] november 2008 (D-012-20) en

7. loonstrook [betrokkene 11] april 2009 (D-008-07) en

8. loonstrook [betrokkene 1] juni 2009 (D-007-07) en

9. loonstrook [betrokkene 12] april 2010 (D-028-04) en

10. loonstrook [betrokkene 12] week 18 t/m 21 2010 (D-028-05),

zijnde telkens een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die urenlijsten en loonstroken als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers heeft de vennootschap onder firma [bedrijf]

ten aanzien van de urenlijsten,

- de daadwerkelijk door de arbeiders gewerkte uren omgerekend naar een aantal uren gebaseerd op prestaties, waardoor uiteindelijk de uitbetaalde uren feitelijk lager uitkwamen en deze op de urenlijst(en) vermeld en

- overige uren afgeroomd waardoor de arbeiders minder uitbetaald kregen dan waarop zij recht zouden hebben en deze uren op de urenlijsten vermeld,

ten aanzien van de loonstroken,

- loonstroken opgemaakt op basis van deze onjuist opgemaakte urenlijsten en met hierop vermeld een onjuist bedrag aan huisvestingskosten,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte opdracht heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in het jaar 2010 schuldig gemaakt aan uitbuiting van een groot aantal (seizoen)werknemers door hen substantieel minder te betalen dan het minimumloon en dan was afgesproken. Ook heeft hij hen in dat jaar gehuisvest op een wijze die als verre van voldoende moet worden aangemerkt. Daarnaast heeft hij gedurende een reeks van jaren valsheid in geschrift gepleegd door urenlijsten en loonstroken valselijk op te maken.

De wet beoogt met de strafbaarstelling van uitbuiting, toegesneden op het onderhavige geval, bescherming te bieden aan hen die vanuit een kwetsbare positie al te gemakkelijk ertoe gebracht kunnen worden in Nederland te komen werken tegen voorwaarden die ver onder het niveau van de in Nederland gebruikelijke voorwaarden liggen. De (overwegend) Slowaakse seizoenwerknemers gingen maar al te graag bij verdachte aan het werk omdat ze in eigen land bij lange na niet konden verdienen wat ze bij verdachte konden verdienen, zelfs uitgaande van de, naar Nederlandse maatstaven gemeten, onderbetaling door verdachte. Zij kwamen ook niet uit luxe hier werken, maar gedreven door bittere noodzaak: geld voor studie kon slechts hier verdiend worden of een financiële buffer voor de winter kon slechts hier worden aangelegd. Gedreven door die noodzaak namen de werknemers de belabberde huisvesting op de koop toe, gelijk ze de lange werkdagen en het zware werk aanvaarden als een vanzelfsprekendheid. Verdachte had zijn boekhouding helemaal erop ingericht de onderbetaling te verhullen door er een zwarte en een witte boekhouding op na te houden. Die onderbetaling leverde hem substantieel financieel voordeel op terwijl hij zelfs van de belabberde huisvesting financieel voordeel genoot doordat de werknemers daarvoor substantieel meer betaalden dan hij eraan uitgaf. Door aldus op te treden heeft verdachte precies dat gedaan wat de wetgever nu juist door strafbaarstelling heeft willen voorkomen. De wetgever heeft uitbuiting aangemerkt als een ernstig strafbaar feit, getuige de (in de bewezenverklaarde periode) daarop gestelde maximumstraf van acht jaren.

De valsheid in geschrift heeft voorts niet slechts de uitbuiting gefaciliteerd en is om die reden als zeer strafwaardig aan te merken, maar is ook strafwaardig omdat verdachte, aldus handelend, het vertrouwen dat in urenlijsten en loonstroken door derden (boekhouders, werknemers, fiscus) gesteld moet kunnen worden heeft aangetast.

Gelet op de bedoeling van de wetgever, het nadeel dat de werknemers in kwestie hebben geleden, het voordeel dat verdachte over hun rug heeft genoten en het door beide feiten geschade algemeen belang (dat geen uitbuiting plaats vindt en dat geen zwarte boekhouding gevoerd wordt), is oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf de voor de hand liggende, de meest passende en daarom onvermijdelijke vorm van straftoemeting.

Verdachte is, blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 2 februari 2017 niet helemaal een onbeschreven blad, maar in de aard van de daarop voorkomende delicten wordt geen aanleiding gevonden van voornoemd uitgangspunt af te wijken dan wel bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf daarmee op enigerlei wijze rekening te houden.

Voor inbreuk op het geformuleerde uitgangspunt bestaat niettemin wel aanleiding op basis van een drietal factoren: de bijzondere omstandigheden van dit geval, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

De ene uitbuiting is de andere niet. Dat geldt altijd en overal, maar in deze zaak klemt dat gegeven meer dan in andere zaken. Voorop staat dat aan het uitgangspunt dat sprake is geweest van misbruik door verdachte van de kwetsbare positie van de werknemers in kwestie in het hierna volgende geen afbreuk wordt gedaan. Dat neemt echter niet weg dat in vergelijking met andere uitbuitingszaken sprake was van een mildere vorm van uitbuiting. De werknemers werden in hun bewegingsvrijheid niet beperkt. Paspoorten waren weliswaar "ingenomen", maar voldoende aannemelijk is dat dit primair geschiedde om die ergens veilig te kunnen bewaren (de werknemers hadden immers geen enkele opbergfaciliteit voor eigen spullen). Desgevraagd kon iedere werknemer dat paspoort ook onmiddellijk terug krijgen. Van dwang om bij verdachte te blijven werken was geen sprake. Wie daarmee liever stopte kon vrijelijk huiswaarts keren. Er was weliswaar (op papier) een boetestelsel voor schoonmaak van gebruikte faciliteiten, maar daarvan is nooit gebruik gemaakt. De werksfeer was, mede door de inbreng van verdachte, over het algemeen goed te noemen.

Verdachte heeft zich doen kennen als een hard werkende ondernemer. Zijn werknemers werden onderbetaald, maar voor verdachte zelf ligt het eigenlijk niet veel anders. In het seizoen was hij van 's morgens 04:00 uur tot 's avonds 23:00 uur bezig, maar zijn bedrijf is desondanks en niettegenstaande de bewezen verklaarde uitbuiting jarenlang verliesgevend geweest. Verdachte beschrijft zichzelf als iemand die in soberheid is opgevoed, maar tot veel meer dan soberheid is hij vervolgens in zijn ondernemersbestaan niet kunnen komen. Het beeld van de uitbuiter die zelf rijk wordt dankzij die uitbuiting is in zijn geval dus bepaaldelijk niet van toepassing. Als gevolg van deze zaak heeft de bank het bedrijfskrediet opgezegd met gedwongen verkoop van het bedrijf tot gevolg. Aan die verkoop heeft verdachte, thans 53 jaar oud, niets overgehouden. Hij woont in een huurhuisje en zijn vermogen is nihil. Daarbij komt dat verdachte, ook als gevolg van deze zaak, zijn huwelijk op de klippen heeft zien lopen en het contact met zijn kinderen nagenoeg is verloren. De hele zaak is dus uiteindelijk voor verdachte uitgelopen op één groot persoonlijk drama.

Verdachte is op 10 augustus 2010 aangehouden en in verzekering gesteld. In hoger beroep wordt heden uitspraak gedaan. Dat is 6 jaar en ruim zeven maanden na die aanhouding. Al die tijd heeft verdachte in onzekerheid moeten verkeren over de afloop van zijn zaak. Waar afdoening in twee instanties binnen, in totaal vier jaar, maximaal zou dienen te zijn is die termijn dus wel zeer fors overschreden. Redelijkerwijs behoort dat niet voor rekening en risico van verdachte te komen omdat deze geen bijzondere activiteiten heeft ontplooid die de vertraging in de hand hebben gewerkt. Hooguit kan gezegd worden dat de laatste zeven maanden voor zijn risico komen omdat de voor 1 augustus 2016 voorziene behandeling van deze zaak door het hof geen doorgang heeft kunnen vinden als gevolg van ziekte van verdachte.

Het voorgaande in onderling verband overziende maakt dat de ernst van normschending tot uiting gebracht moet blijven worden in gevangenisstraf, maar dat de overige aspecten van de zaak maken dat met oplegging daarvan in voorwaardelijke vorm kan worden volstaan onder gelijktijdige oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uur. Bij dat laatste wordt nog aangetekend dat verdachte een jaar de gelegenheid heeft die taakstraf te voltooien en dat dit jaar hem voldoende flexibiliteit biedt om in overleg met de reclassering te komen tot een tenuitvoerlegging op momenten (bijvoorbeeld de winter van 2017) die verdachte niet verhinderen zijn dagelijks brood te verdienen. Zo nodig is verlenging van de termijn met maximaal één jaar zelfs mogelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, 63, 225 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. L.G. Wijma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 16 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 24-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3309

2 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 alsmede het in de vorige noot genoemde arrest

3 Dossierpagina 1280