Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2187

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
15/01490
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6669, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking. Schending informatieplicht? Buitenlandse bankrekening. Schending hoorplicht. Toepassing bestuurlijke lus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/29.3 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/617
FutD 2017-0681
NTFR 2017/1053 met annotatie van Mr. M. Akhloufi
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/01490

uitspraakdatum: 7 maart 2017

Tussenuitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 november 2015, nummer AWB 15/368, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft ten name van belanghebbende een informatiebeschikking vastgesteld met betrekking tot de voor het jaar 2010 op te leggen aanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn gesteld van zes weken voor het voldoen aan de in de informatiebeschikking genoemde verplichtingen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft bericht geen conclusie van dupliek in te zenden.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze tussenuitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Bij brief van 11 november 2014 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende gevraagd op grond van artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen informatie te verstrekken over door belanghebbende in het buitenland aangehouden vermogen. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

Feiten

Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat uw cliënt en/of zijn partner tenminste één bankrekening aanhoud(t)en) of hebben aangehouden in het buitenland. Ik heb u hier al eerder schriftelijk over geïnformeerd.

Rekeningnummer: [00000]

Bank: Kredietbank Luxemburg

Saldo per 31-01-1994: Fl. 412.187 (€ 187.042) positief

De FIOD heeft de gegevens, vermeld op het microfiche over de rekeninghouder, vergeleken met onder andere gegevens van de Belastingdienst welke gebaseerd zijn op het bevolkingsregister. Uit die analyse komt uw cliënt naar voren als rekeninghouder(s).

Vragen

1. Is deze bankrekening in 2010 nog steeds door uw cliënt aangehouden?

2. Zo ja, wat was het saldo, inclusief onderliggende sub- en beleggingsrekeningen, op 1 januari en 31 december 2010?

3. Zo nee, waar wordt het eerder op de KBL-rekening gestalde vermogen in 2010 aangehouden?

4. Wat was het saldo van die andere rekeningen op 1 januari en 31 december 2010?

5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en)(in kopie) voor deze jaren te overleggen.”

2.2.

Met dagtekening 13 november 2014 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur:

“U vraagt naar de bekende weg.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan.

Belanghebbende heeft volledig en juist aangifte gedaan van zijn inkomen en vermogen.

Belanghebbende beschikt niet over enige rekening, anders dan in zijn aangifte vermeld.”

2.3.

De Inspecteur is van oordeel dat belanghebbende niet adequaat op het verzoek heeft gereageerd en heeft met dagtekening 25 november 2014 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking vastgesteld met betrekking tot de voor het jaar 2010 op te leggen aanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen.

2.4.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking en daarbij verzocht te worden gehoord voordat uitspraak op het bezwaar werd gedaan.

2.5.

In de uitspraak op bezwaar staat dat de Inspecteur van mening is dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is en dat hij daarom ervan heeft afgezien belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.

3 Het geschil

In geschil is welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de Inspecteur ten onrechte ervan heeft afgezien belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Voorts is in geschil of de informatiebeschikking terecht is vastgesteld.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In het bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht te worden gehoord voordat uitspraak op bezwaar werd gedaan. De Inspecteur heeft niettemin ervan afgezien belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, omdat het bezwaar naar zijn mening kennelijk ongegrond was.

4.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was, dat de Inspecteur ten onrechte belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord en dat de uitspraak op bezwaar aldus in strijd is met artikel 7:2, eerste lid, in samenhang met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit oordeel is in hoger beroep niet bestreden.

4.3.

De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld:

“Eiser heeft gesteld dat hij door het niet naleven van de regels inzake de hoorplicht is benadeeld. Tijdens de zitting van de rechtbank heeft eiser in dit verband aangevoerd dat hij, ondanks de vele procedures die hij in de afgelopen jaren heeft gevoerd over min of meer hetzelfde onderwerp, misschien een ambtenaar van de Belastingdienst tegenkomt die een andersluidend standpunt inneemt dan tot dusver is gedaan in de zaken van eiser.

Dit standpunt van eiser in combinatie met de omstandigheid dat hij tijdens de zitting van de rechtbank heeft kunnen aanvoeren wat hij wenste aan te voeren, is voor de rechtbank aanleiding om, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, de bestreden beslissing niet vanwege de schending van de vormvoorschriften te vernietigen.”

4.4.

De Inspecteur stelt en belanghebbende betwist dat belanghebbende op 31 juli 1994 houder was van een of meer buitenlandse bankrekeningen met een gezamenlijk saldo van (ten minste) f 412.187. Voorts stelt de Inspecteur en betwist belanghebbende dat aan die omstandigheid redelijkerwijs het vermoeden kan worden ontleend dat belanghebbende in het onderhavige jaar nog beschikte over dat vermogen. Derhalve verschilden de Inspecteur en belanghebbende van mening omtrent de van belang zijnde feiten en omtrent de waardering daarvan. In zodanig geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraak op het bezwaar niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 Awb (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37.790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, en HR 29 januari 2016, nr. 15/02441, ECLI:NL:HR:2016:114). Naar het oordeel van het Hof zal de Inspecteur belanghebbende alsnog in de gelegenheid moeten stellen te worden gehoord.

4.5.

Het Hof zal met toepassing van artikel 8:51a van de Awb (bestuurlijke lus) de Inspecteur in de gelegenheid stellen dat gebrek in de uitspraak op bezwaar te herstellen. Het Hof zal hiervoor een termijn stellen van acht weken na dagtekening van deze tussenuitspraak. De Inspecteur dient het Hof te berichten of hij alsnog overgaat tot het horen van belanghebbende en, bij bevestigende beantwoording, of het hoorgesprek reden is voor wijziging van de uitspraak op bezwaar.

5 Beslissing

Het Hof:

– stelt de Inspecteur in de gelegenheid om belanghebbende te horen en het Hof binnen acht weken na de dagtekening van deze uitspraak te berichten of en, zo ja, in hoeverre het hoorgesprek reden is voor wijziging van de uitspraak op bezwaar en

– houdt verder iedere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 7 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 maart 2017