Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2185

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
200.203.375/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In eerste aanleg is een straatverbod opgelegd aan de ex-echtgenoot. Hij heeft hiertegen hoger beroep aangetekend. In appel is voldoende aannemelijk dat de ex-vrouw is verhuisd naar elders. Het hof oordeelt dat de ex-vrouw geen belang meer heeft bij het straatverbod, terwijl de ex-man belang heeft bij opheffing ervan zodat hij sociale contacten (waaronder zijn dochter) kan bezoeken in de straten waar hij thans niet mag komen. Het hof heft het straatverbod op met ingang van de dag na betekening van het arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.203.375/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/150602 / KG ZA 16-251)

arrest van 14 maart 2017 in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

De rolbeslissing van 3 januari 2017 wordt hier overgenomen.

1 De verdere loop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij exploot van 16 januari 2017 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] - die op dat moment in de gemeente [B] verbleef op een bij de deurwaarder bekend, maar geheim adres - een afschrift van de appeldagvaarding van 10 november 2016 betekend.

1.2

Ter rolle van 17 januari 2017 heeft [appellant] een akte genomen (H16-formulier met bijlagen).

1.3

[appellant] heeft vervolgens arrest gevraagd en daartoe de stukken overgelegd.

2 De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2.1

Het hof gaat in hoger beroep, voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil, uit van de volgende feiten die als vaststaand hebben te gelden.

2.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2012. [in] juli 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 17 augustus 2016 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.

2.3

[geïntimeerde] heeft diverse aangiften gedaan tegen [appellant] wegens overlast dan wel stalking.

2.4

[appellant] heeft [geïntimeerde] op 30 maart 2016 gedagvaard in kort geding en een straat- en contactverbod gevorderd. Ter zitting van dit kort geding op 29 juni 2016 hebben partijen overeenstemming bereikt, in die zin dat er een contactverbod over en weer is afgesproken op straffe van verbeurte van een dwangsom en dat is afgezien van het opleggen van een straatverbod over en weer.

2.5

[in] 2016 is [appellant] strafrechtelijk veroordeeld onder meer met oplegging van maatregelen om gedurende een periode van twee jaar op geen enkele wijze, direct of indirect, contact op te nemen, te zoeken of te hebben met [geïntimeerde] , alsmede om zich niet op te houden in de straten [a-straat] en de [b-straat] te [A] .

2.6

In eerste aanleg hebben partijen over en weer een straatverbod gevorderd.

2.7

In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter in conventie [geïntimeerde] verboden om gedurende een half jaar na betekening van het vonnis te verblijven althans zich op te houden in de straat [c-straat] te [A] , op straffe van verbeurte van een dwangsom. In reconventie heeft de voorzieningenrechter [appellant] verboden om op straffe van verbeurte van een dwangsom gedurende een half jaar na betekening van het vonnis te verblijven in de volgende straten in [A] : [b-straat] , [d-straat] , [e-straat] / [f-straat] , [g-straat] en [h-straat] . De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn zowel in conventie als in reconventie gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De verdere beoordeling

3.1

Uit de akte van 17 januari 2017 blijkt dat [geïntimeerde] op 10 november 2016, zijnde de datum van de betekening van het appelexploot, in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven stond op het adres [i-straat] 5C te [C] . De vraagtekens over de rechtsgeldigheid van de betekening van de appeldagvaarding zijn daarmee weggenomen, zodat terecht verstek is verleend tegen [geïntimeerde] .

3.2

Tegen het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in reconventie, heeft [appellant] twee genummerde grieven ontwikkeld, die zich lenen voor een gezamenlijke behandeling. Grief 1 komt erop neer dat [geïntimeerde] geen enkel belang heeft bij het aan [appellant] opgelegde straatverbod, omdat zij haar woning aan de [b-straat] heeft verlaten en met onbekende bestemming naar elders (buiten de provincie Fryslân) is vertrokken. [appellant] heeft echter sociale contacten (waaronder zijn dochter) in de straten waarnaar hij zich thans niet mag begeven. Grief 2 bouwt hierop voort met de klacht dat de voorzieningenrechter het straatverbod heeft versterkt met een dwangsom.

3.3

Het hof overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na weigering, hetzij na toewijzing daarvan, in hoger beroep voor toewijzing (dan wel bekrachtiging) in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661).

3.4

Uit de door [appellant] in het geding gebrachte gegevens, blijkt dat [geïntimeerde] sedert 17 oktober 2016 ingeschreven staat op het adres [i-straat] 5C te [C] en dat [geïntimeerde] thans (sedert 2 december 2016) in [B] verblijft op een geheim adres. Eén en ander geeft steun aan de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] haar woning aan de [b-straat] te [A] heeft verlaten en naar elders (buiten de provincie Fryslân) is vertrokken. Deze omstandigheden rechtvaardigen - bij gebreke van tegenspraak - naar het oordeel van het hof de conclusie dat [geïntimeerde] geen (spoedeisend) belang meer heeft bij het aan [appellant] opgelegde straatverbod, terwijl [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij belang heeft bij opheffing van het straatverbod in verband met een aantal aldaar woonachtige sociale contacten, waaronder zijn dochter.

3.5

Gesteld noch gebleken is echter dat [geïntimeerde] geen (spoedeisend) belang had bij het straatverbod toen het door de voorzieningenrechter in eerste aanleg is uitgesproken, zodat het hof het straatverbod zal opheffen met ingang van de dag na betekening van dit arrest. In zoverre slagen de grieven.

3.6

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten op na te melden wijze worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

heft op het straatverbod zoals opgelegd aan [appellant] bij vonnis van de voorzieningenrechter, gewezen in reconventie, van 19 oktober 2016 met ingang van de dag na betekening van dit arrest, en verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, gewezen in reconventie, van 19 oktober 2016 voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G.M. van der Meer en mr. G. Jonkman en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 maart 2017.