Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2172

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
200.192.796/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele beloning mentor en proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.192.796

(zaaknummer rechtbank Overijssel 4750373)

beschikking van 14 maart 2017

inzake

[verzoeker] ,

handelend onder de naam [verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. L.A. Bettonvil te Zoetermeer,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: [verweerder] ,

advocaat: mr. A.L.N. Luigies te Zwolle.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbenden] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de bewindvoerders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, locatie Almelo) van 23 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 juni 2016;

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 30 augustus 2016;

- een journaalbericht van mr. Luigies van 28 december 2016.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 9 februari 2017 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. [verweerder] en zijn advocaat zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Ook de bewindvoerders zijn niet verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1

[verweerder] is geboren op [geboortedatum] 1979. [verzoeker] is de voormalig mentor van [verweerder] . De bewindvoerders, die vanaf 4 februari 2004 het bewind voeren over het vermogen van [verweerder] , zijn de ouders van [verweerder] .

3.2

Bij beschikking van 17 februari 2004 heeft de kantonrechter ten behoeve van [verweerder] een mentorschap ingesteld en is [verzoeker] tot mentor benoemd.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 15 januari 2016, heeft [verzoeker] verzocht machtiging te verlenen zijn werkzaamheden boven de forfaitair toegestane tijdsbesteding van 17 uur per jaar bij [verweerder] in rekening te brengen tegen een uurtarief van € 65,- exclusief bijkomende kosten en BTW.

3.4

Bij de bestreden beschikking van 23 maart 2016 heeft de kantonrechter het verzoek tot het verlenen van voormelde machtiging, erop neerkomend dat een bedrag van € 3.912,61 aanvullend als beloning ten laste van het vermogen van [verweerder] wordt gebracht, afgewezen.

3.5

Bij beschikking van 13 april 2016 heeft de kantonrechter op verzoek van de bewindvoerders [verzoeker] met ingang van de dag na de uitspraak van de beschikking als mentor ontslagen en is [A] , handelend onder de naam [A] , met ingang van de dag na de uitspraak tot opvolgend mentor benoemd.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoeker] is naar het hof begrijpt met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 maart 2016. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. [verzoeker] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat een vergoeding aan hem wordt toegekend van

€ 3.912,61 inclusief BTW, althans zodanig te beslissen als het hof juist acht en daarbij te bepalen dat de kosten, vallende op de behandeling van het beroepschrift, ten laste komen van de Staat.

4.2

[verweerder] voert verweer en verzoekt het hof bij beschikking, en zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden, de bestreden beschikking te bekrachtigen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van beide instanties en in de door [verweerder] gemaakte advocaatkosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Artikel 1:460 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

1. De mentor mag de bij de vervulling van zijn taak noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening brengen.

2. De mentor heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld.

5.2

Inmiddels is op alle werkzaamheden die zijn verricht vanaf 1 januari 2015 van toepassing de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. In deze regeling is een forfaitair beloningsstelsel opgenomen voor de vergoeding van de werkzaamheden van de bewindvoerder. De vergoeding bestaat uit een jaarbeloning en eventueel enkele incidentele vergoedingen voor in de regeling benoemde gevallen. Naast deze benoemde incidentele beloningen is nog slechts ruimte voor beloning van extra door de bewindvoerder gemaakte uren “in uitzonderlijke gevallen”. In de toelichting op deze regeling is hieromtrent het volgende opgenomen: “Met deze regeling wordt beoogd het overgrote deel van de gevallen van curatele, bewind en mentorschap te bestrijken. Niet uit te sluiten is echter dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarop deze regeling niet onverkort kan worden toegepast. […] Naar aanleiding van reacties op de conceptregeling is de formulering gewijzigd van ‘bijzondere omstandigheden‘ in ‘uitzonderlijke omstandigheden’, om te benadrukken dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de regeling kan worden afgeweken. […] Wat onder uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan, kan niet in een limitatieve opsomming in deze regeling worden vastgesteld. Deze omstandigheden zijn immers toegesneden op de omstandigheden die zich in een specifiek geval kunnen voordoen en zijn naar hun aard niet alle voorzienbaar. Als voorbeeld noem ik extra werkzaamheden vanwege het feit dat de betrokkene is vertrokken naar het buitenland en de vertegenwoordiger allerlei extra inspanningen moet doen om hem naar Nederland te laten brengen.”

5.3

[verzoeker] voert aan dat hij sinds 2004 mentor is van [verweerder] . In 2015 was sprake van uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hadden dat de omvang van de werkzaamheden zodanig fors was dat deze in geen enkele verhouding meer stond tot de forfaitaire vergoeding voor 16 à 17 uur per jaar voor een dossier. [verzoeker] heeft als productie 2 bij zijn inleidend verzoek een onderbouwing gegeven van de vele door hem verrichte extra werkzaamheden in 2015. De extra werkzaamheden zagen onder meer op diverse gesprekken met de betrokkenen naar aanleiding van het agressie-incident tussen de bewindvoerders en zorgverleners van [verweerder] op 9 maart 2015 en de daardoor ontstane situatie in de zorg van [verweerder] (o.a. gesprekken op 10 maart, 26 maart en 2 juni 2015) en de correspondentie die als gevolg daarvan moest plaatsvinden. Ook de interne verhuizing van [verweerder] en de daarvoor benodigde machtiging leidden tot extra werkzaamheden. Daarnaast heeft [verzoeker] in 2015, gezien de verhouding tussen de bewindvoerders en de begeleiders van de J.P. van den Bent Stichting, in het belang van [verweerder] aanzienlijk meer tijd dan voorheen aan dit mentorschap moeten besteden om alles in goede banen te leiden. [verzoeker] meent dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat hij voor een aanvullende vergoeding voor de extra geleverde inspanningen in de uitvoering van het mentoraat in aanmerking komt.

5.4

[verweerder] voert verweer en stelt dat bij de forfaitaire regeling ermee rekening is gehouden dat sommige zaken meer tijd en sommige zaken minder tijd nodig hebben. [verweerder] betwist dat zijn zaak als een zwaardere moet worden gezien. Volgens [verweerder] is de wijze van declareren door [verzoeker] van de uren en BTW in strijd met de (onder 5.2 genoemde) regeling en zijn er geen uitzonderlijke werkzaamheden verricht zoals in die regeling bedoeld.

5.5

Het hof stelt vast dat [verzoeker] in 2015 omvangrijke werkzaamheden heeft verricht in het kader van het mentorschap van [verweerder] . Uit productie 2, ook overgelegd in eerste aanleg, blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en hoeveel tijd dat heeft gekost. Het hof is met [verzoeker] van oordeel dat in de brief van de kantonrechter van 23 maart 2016 (zijnde de bestreden beschikking) niet is gemotiveerd waarom de door [verzoeker] onderbouwde extra werkzaamheden in 2015 niet vallen onder de in de regeling genoemde incidentele extra werkzaamheden die voor vergoeding in aanmerking komen.

Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling besproken blijkt onweersproken dat het mentorschap in de afgelopen twaalf jaar gemiddeld 28,80 uren per jaar kostte. In 2015 zijn die uren ruim overschreden, met name door de (gevolgen van) het incident op 9 maart 2015. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van extra werkzaamheden die voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof zal daarom het verzoek van [verzoeker] tot vergoeding van zijn daardoor gemaakte extra kosten van € 3.912,61 inclusief BTW toewijzen.

5.6

[verzoeker] heeft voorts, onder verwijzing naar de zaak met nummer 107.005.003 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 19 november 2008, verzocht de proceskosten ten laste van de Staat te laten komen. Hiertoe voert [verzoeker] aan dat hij zonder voldoende gehoord te zijn, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, door de kantonrechter in het ongelijk is gesteld. [verzoeker] zag zich daarom genoodzaakt om hoger beroep in te stellen en extra kosten voor procesvertegenwoordiging en griffierecht te maken.

Het hof is met [verzoeker] van oordeel dat hij in eerste aanleg een uitgebreid, onderbouwd en gemotiveerd verzoek heeft ingediend. Aan [verzoeker] zijn in eerste aanleg door de kantonrechter geen nadere vragen gesteld noch is hem om een toelichting verzocht op de overgelegde stukken. De kantonrechter heeft het verzoek vervolgens zonder in te gaan op de door [verzoeker] gestelde omstandigheden en werkzaamheden afgewezen. [verzoeker] restte daarom niets anders dan om hoger beroep in te stellen om gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord en op die wijze zijn verzoek alsnog nader toe lichten. Het hof ziet in deze gang van zaken aanleiding om de proceskosten ten laste van de Staat te laten komen.

[verzoeker] heeft de kosten voor procesvertegenwoordiging niet nader gespecificeerd. Het hof begroot daarom de kosten in hoger beroep voor salaris van de advocaat overeenkomstig het forfaitaire liquidatietarief op € 1.264,- (2 punten, tarief I, € 632,- per punt). In deze zaak is geen griffierecht geheven zodat het verzoek tot vergoeding daarvan wordt afgewezen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, sector kanton, locatie Almelo) van 23 maart 2016;

verleent machtiging voor toekenning van een aanvullende vergoeding ten behoeve van de mentorwerkzaamheden over 2015 ten laste van het vermogen van [verweerder] ten bedrage van

€ 3.912,61 inclusief BTW;

bepaalt dat de kosten van deze procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verzoeker] tot heden begroot op € 1.264,- voor salaris van zijn advocaat, ten laste zullen komen van 's Rijks kas en zullen worden uitbetaald op rekeningnummer NL92ABNA0541775235 (Stichting Derdengelden) van Bos van der Brug advocaten te Zoetermeer;

wijst het meer of anders af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, E.H. Schulten en

K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 14 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.