Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:213

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/00002 tm 16/00006
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2339
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inspecteur moet voor 2010 alsnog bij voor bezwaar vatbare uitspraak doen op verzoek om ambtshalve vermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/149
FutD 2017-0272
Viditax (FutD), 15-09-2017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummers 16/00002, 16/00003, 16/00004, 16/00005 en 16/00006

uitspraakdatum: 19 januari 2017

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (België) (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 8 oktober 2015, nummers LEE 14/4261 en LEE 14/4262 en van 19 november 2015, nummers LEE 14/4263, 14/4264 en 14/4265, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.613 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.541. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 150.

1.2

Op het (eerste) bezwaarschrift van belanghebbende, door de Inspecteur ontvangen op 28 december 2009, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de bestreden aanslag gehandhaafd.

1.3

Op het (tweede) bezwaarschrift van belanghebbende van 31 december 2013, heeft de Inspecteur belanghebbende bij uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4

Belanghebbende is tegen die laatste – onder 1.3 bedoelde - uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 8 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard.

1.5

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.043 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.913. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 159.

1.6

Op het (eerste) bezwaarschrift van belanghebbende, door de Inspecteur ontvangen op 28 december 2009, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de bestreden aanslag en beschikking gehandhaafd.

1.7

Op het (tweede) bezwaarschrift van belanghebbende van 31 december 2013, heeft de Inspecteur belanghebbende bij uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.8

Belanghebbende is tegen die laatste – onder 1.7 bedoelde - uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 8 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard.

1.9

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.718 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.993. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 304. Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 226.

1.10

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.173. Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 984.

1.11

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.337. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 12. Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 226.

1.12

Op de – in één geschrift vervatte – bezwaren van belanghebbende tegen de hiervoor – onder 1.9, 1.10 en 1.11 – vermelde aanslagen, door de Inspecteur ontvangen op 31 december 2013, heeft de Inspecteur belanghebbende bij uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.13

Belanghebbende is tegen de onder 1.12 vermelde uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 19 november 2015 ongegrond verklaard.

1.14

Belanghebbende heeft tegen de hiervoor – onder 1.4, 1.8 en 1.13 – bedoelde uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.15

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.16

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door [B] . Belanghebbende is met bericht van verhindering aan het Hof niet verschenen.

1.17

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

2.1

In geschil is of de Rechtbank de beroepen (voor de jaren 2006 en 2007) en de bezwaren (voor de jaren 2008, 2009 en 2010) terecht niet-ontvankelijk heeft geacht.

2.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, en stelt zich op het standpunt dat de brieven die door de Inspecteur als (tweede) bezwaarschriften zijn opgevat, verzoeken waren om herziening, naar het Hof begrijpt, in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de bestreden aanslagen en beschikkingen.

2.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor - onder 3.1 - vermelde vraag bevestigend, en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

2.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3 Beoordeling van het geschil

3.1

Het Hof verstaat belanghebbendes grief in hoger beroep aldus dat hij stelt dat de Inspecteur zijn brieven gericht tegen de hiervoor – onder 1.1, 1.5, 1.9, 1.10 en 1.11 – bedoelde aanslagen en beschikkingen ten onrechte heeft opgevat als daartegen gericht (tweede) bezwaarschrift en ten onrechte niet als verzoek om herziening in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

3.2

Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt: “1 De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.”.

3.3

Een verzoek als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan slechts worden gedaan als sprake is van een eerdere (onherroepelijk geworden) uitspraak van de desbetreffende bestuursrechter, in dit geval: de Rechtbank. Aangezien de Inspecteur geen bestuursrechter is, kan een dergelijk verzoek niet aan hem worden gedaan. Ook heeft de Inspecteur niet de verplichting om de desbetreffende brieven op de voet van artikel 6:15 van de Awb door te sturen naar de Rechtbank, aangezien ten aanzien van de bedoelde aanslagen op dat moment nog geen uitspraken door de Rechtbank waren gedaan, welke voor herziening vatbaar konden zijn. De Inspecteur had, naar het oordeel van het Hof, de desbetreffende geschriften gericht tegen de hiervoor bedoelde aanslagen en beschikkingen dan ook moeten opvatten als beroepschriften tegen de reeds gedane uitspraken op bezwaar (2006 en 2007) respectievelijk (te laat ingediende) bezwaarschriften (2008, 2009 en 2010), gelijk door de Rechtbank is beslist.

3.4

Ambtshalve is het Hof niet gebleken van onjuistheden in de uitspraken van de Rechtbank, waartegen hoger beroep is ingesteld.

3.5

Voor zover de grieven van belanghebbende zijn gericht tegen het optreden van de Ontvanger, kan het Hof in de beoordeling daarvan niet treden, aangezien het daartoe niet bevoegd is.

3.6

Belanghebbende heeft zich in hoger beroep – wat betreft een aantal procedurele klachten – nog beroepen op het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Dit beroep faalt voor zover het de belastingaanslagen en beschikkingen heffingsrente betreft evenwel reeds omdat die belastingaanslagen en beschikkingen buiten het toepassingsbereik van artikel 6 EVRM vallen (vgl. EHRM 12 juli 2001, nr. 44 759/98, ECLI:NL:XX:AP0818, (Ferrazzini), BNB 2005/222). Voor zover het de opgelegde verzuimboetes betreft, is het Hof niet gebleken dat de Inspecteur dan wel de Rechtbank in strijd heeft gehandeld met het bedoelde artikel.

3.7

Met betrekking tot het jaar 2010 overweegt het Hof nog dat op grond van het met ingang van dat jaar geldende artikel 9.6 van de Wet IB 2001 bezwaren tegen een opgelegde aanslag in de IB/PVV ook kenbaar kunnen worden gemaakt door een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen. De afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering dient bij voor bezwaar vatbare beschikking te geschieden. Het Hof is van oordeel dat de door de Inspecteur op 31 december 2013 ontvangen brief van belanghebbende niet alleen als een (te laat ingediend) bezwaarschrift tegen de aanslag voor het jaar 2010, maar ook als verzoek om ambtshalve vermindering van die aanslag moet worden opgevat. De Inspecteur diende op dat verzoek om ambtshalve vermindering bij voor bezwaar vatbare beschikking te beslissen. Nu de Inspecteur, naar blijkt uit de stukken van het geding, niet op dit bezwaar heeft beslist, maar het bezwaar uitsluitend heeft doorgestuurd naar de ontvanger, oordeelt het Hof dat de Inspecteur voor het jaar 2010 jaar alsnog bij voor bezwaar vatbare beschikking moet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

4 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 19 januari 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 januari 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.