Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2107

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
15/01408
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:5882, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Informatiebeschikking. Schending informatieplicht? Op de zaak betrekking hebbende stukken. Herstelmogelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/30.4
V-N Vandaag 2017/685
NTFRB 2018/2 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
NTFR 2017/979 met annotatie van E.P. Hageman FB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/01408

uitspraakdatum: 14 maart 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 september 2015, nummer AWB 14/1276, ECLI:NL:RBGEL:2015:5882, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) voor de op te leggen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2009 een informatiebeschikking vastgesteld ten name van belanghebbende.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de informatiebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden, gesteld om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016 te Arnhem. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. Tegelijk met de behandeling van deze zaak zijn ook de zaken met de nummers 16/00243, 16/00244 en 16/00245 ten name van [A] B.V. (hierna: [A] ) behandeld.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is directeur-grootaandeelhouder van [A] .

2.2.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 gedaan, waarin hij de volgende buitenlandse bankrekeningen heeft opgegeven:

“Omschrijving Bankrekeningnummer Waarde 1-1 Waarde 31-12

(…)

BES BANCO [B] 809 0

[00000]

(…)

[C] 0 7.970

[00001] ”

2.3.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 november 2013 om informatie verzocht (het informatieverzoek), waarbij belanghebbende erop is gewezen dat hij op grond van artikel 47 AWR verplicht is de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In de brief, gericht aan de gemachtigde van belanghebbende, is voorts onder meer het volgende vermeld:

" De Belastingdienst heeft al in eerdere jaren verzocht om inlichtingen te verstrekken ten aanzien van genoten inkoopkortingen die [A] B.V. heeft bedongen van haar buitenlandse leveranciers. Deze inkoopkortingen zijn rechtstreeks ten goede gekomen aan haar directeur aandeelhouder, de heer [X] . Deze inkoopkortingen zijn rechtstreeks op buitenlandse bankrekeningen ten gunste van haar directeur aandeelhouder gestort.

Uw cliënt heeft tot op heden niet voldaan aan haar verplichting tot het verstrekken van die inlichtingen. Inmiddels is uw cliënt bij arrest van 13 augustus 2013 in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (civiele kamer) veroordeeld tot het verstrekken van deze inlichtingen. Uw cliënt heeft tot op heden niet voldaan aan het vonnis. Daarmee zijn ook de gevraagde gegevens over het jaar 2009 niet verstrekt.

(…)

Mede in verband met de behandeling van dit bezwaarschrift verzoek ik u nogmaals om de volgende gegevens over de jaren 1997 tot en met heden per jaar te verstrekken.

- Een overzicht van alle bankrekeningen over de jaren 1997 tot en met heden inclusief die waarop deze bedragen door de buitenlandse leveranciers over de jaren 1997 tot en met heden zijn gestort.

- Een overzicht van alle saldi per jaar en het verloop van alle saldi van de bankrekeningen.

Ik verzoek u deze gegevens binnen 2 weken na dagtekening van deze brief aan mij toe te zenden."

2.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 5 december 2013 de Inspecteur medegedeeld dat reeds aan het informatieverzoek is voldaan en voorts dat hij pas de gevraagde bankafschriften zal overleggen als de Inspecteur een garantie afgeeft als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 (hierna: de gebruiksrestrictie). Hierbij verwijst de gemachtigde naar eerdere correspondentie met de Landsadvocaat.

2.5.

De Inspecteur heeft vervolgens op 17 december 2013 een informatiebeschikking afgegeven. Hierin heeft hij onder verwijzing naar de brief van 28 november 2013 gesteld, dat belanghebbende niet of niet geheel aan het informatieverzoek heeft voldaan. De Inspecteur heeft het volgende verzocht:

Sparen en beleggen/bezittingen

- Een overzicht van alle bankrekeningen over de jaren 1997 tot en met heden inclusief die waarop deze bedragen door de buitenlandse leveranciers over de jaren 1997 tot en met heden zijn gestort.

– Een overzicht van alle saldi per jaar en het verloop van alle saldi van de bankrekeningen.”

2.6.

De Inspecteur heeft een brief van 24 april 2006 aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende overgelegd, waarin het volgende staat vermeld over een gesprek tussen de Inspecteur en belanghebbende:

“In het gesprek van vorig jaar vertelde ik u dat de Belastingdienst over informatie beschikt waaruit blijkt dat u bankrekeningen in het buitenland aanhoudt en/of heeft aangehouden die u niet in uw aangiften inkomstenbelasting c.q. vermogensbelasting heeft aangegeven.

In het gesprek dat wij donderdagochtend voerden, vertelde u mij dat u – tegen wil en dank – steekpenningen (hebt) moet(-en) betalen om opdrachtgevers te behouden dan om nieuwe opdrachten voor [A] c.s. te verwerven. Tijdens het gesprek is de naam van [D] gevallen, een bedrijf dat u in de gelegenheid stelde de steekpenningen aan bepaalde personen te betalen, zodat de geldstroom niet zichtbaar in de administratie van [A] zou komen. (…)

Sinds kort bent u de bedragen die u aan steekpenningen uit betaald in het kasboek van [A] gaan verwerken.”

2.7.

In een factuur van 13 december 2000 van [A] aan [D] GmbH (hierna: [D] GmbH) is onder meer het volgende vermeld:

“Commercial Promotion activities for the different [A] as agreed with you. For the period until 01 januari 2000 until 01-08-2000 Dfl 19969,95

Transfer this money in favour of [X] bankaccount nr [00003]

of Banco [B]

(...)

Portugal”

2.8.

In een samenwerkingsovereenkomst tussen belanghebbende en [E] S.p.A. van
20 juni 2001 is onder meer het volgende bepaald:

“Considering that:

□ [E] S.p.A. is a manufacturer of waterproofing membranes

□ [belanghebbende] is an expert, with many contacts in this sector

they state the following:

□ [belanghebbendes] or other delegated companies by him will promote the purchases of [E] products starting from 20th June 2001

□ He will arrange meetings and visits to support these purchases

□ He will technically assist the buyers of [A]

To cover the above [E] S.p.A. will grant a 5% (five) percentage on the net ex-works sales of waterproofing membranes invoiced to [A] and collected by [E] S.p.A.

This percentage will be settled at least twice in a year on presentation of [belanghebbende]’s or delegated companies’s invoices payable where he will indicate.

This agreement will be valid until [E] S.p.A. will supply the companies of [A] .”

2.9.

Bij brief van 22 januari 2004 heeft belanghebbende het volgende aan [E] S.p.A. geschreven:

“Dear Sirs,

I wish to inform you about my wish to terminate our “collaboration agreement” dated 2001 20th June since 2004 31st May.

I size this occasion to confirm you I have received and fully settled all matured amount on last 2003 31st December, according to our agreement, and I haven’t anything to claim.”

2.10.

Op de facturen die belanghebbende in de jaren 2002 tot en met 2004 aan [E] S.p.A. heeft gestuurd, is het volgende vermeld:

“Commercial and sales activities to the different [A] as agreed with Collaboration Agreement dated 20 june 2001

for the period (...) until (...) EURO (...)”

2.11.

[E] S.p.A. heeft bedragen overgeboekt naar bankrekening [00004] bij [F] Bank Luxembourg en bankrekening [00005] bij Banque [G] SA.

2.12.

De Inspecteur heeft een brief van 15 juli 2005 overgelegd tussen Oostenrijkse belastingautoriteiten waarin informatie over [D] GmbH wordt gedeeld. Verder heeft hij een mail van de Italiaanse belastingautoriteiten verstrekt, waarin informatie over [E] S.p.A. wordt gegeven.

3 Het geschil

In geschil is of de Inspecteur terecht een informatiebeschikking heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

4 Beoordeling van het geschil

Wettelijke regeling

4.1.

In artikel 47 AWR is, voor zover hier van belang, bepaald dat ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn, alsmede

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.

4.2.

Ingevolge artikel 48, lid 1, AWR geldt de hiervoor onder b. bedoelde verplichting onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers bevinden van degene die gehouden is deze, of de inhoud daarvan, aan de inspecteur voor raadpleging beschikbaar te stellen.

4.3.

Ingevolge artikel 49 AWR moeten de gegevens en inlichtingen binnen een door de inspecteur te stellen termijn duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze, zulks ter keuze van de inspecteur.

4.4.

In artikel 52a, lid 1, AWR is, voor zover van belang, bepaald dat als met betrekking tot een op te leggen belastingaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 49 AWR, de inspecteur dit kan vaststellen bij voor bezwaar vatbare (informatie)beschikking.

4.5.

Blijkens artikel 52a, lid 3, AWR vervalt de informatiebeschikking indien de inspecteur een belastingaanslag vaststelt of een beschikking neemt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.

Artikel 6 EVRM

4.6.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 bepaald:

“3.9 a) In een civielrechtelijk kort geding kan een belastingplichtige onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.

b) (…)

c) Wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.”

4.7.

Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 8 augustus 2014, nr. 13/00933, ECLI:NL:HR:2014:2144 geoordeeld:

“2.6 De beschikking waarbij de inspecteur op de voet van artikel 52a, lid 1, AWR vaststelt dat de betrokkene niet of niet volledig heeft voldaan aan een of meer van de daar genoemde informatieverplichtingen, vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, lid 3, AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Daarin onderscheidt de informatiebeschikking zich van dwangsommen die aan de orde waren in het arrest van 12 juli 2013. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke restrictie, gelet op het hiervoor in 2.5 overwogene, uit het EVRM voortvloeit. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.”

4.8.

Belanghebbende stelt dat hij zonder gebruiksrestrictie niet verplicht is de door de Inspecteur gevraagde informatie te verstrekken, nu de Inspecteur hem beticht van een strafbaar feit. Daarnaast vormen de bankafschriften wilsafhankelijk materiaal en handelt de Inspecteur onredelijk door zonder gebruiksrestrictie te verlangen dat belanghebbende wilsafhankelijk materiaal verstrekt.

4.9.

Naar het oordeel van het Hof volgt uit de hiervoor genoemde jurisprudentie dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Voorts dient belanghebbende al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal. Zou toch wilsafhankelijk materiaal aan de Inspecteur verstrekt worden en zou de Inspecteur dat materiaal gebruikt hebben voor fiscale beboeting, dan dient de belastingrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.

4.10.

Belanghebbende kan niet al met een beroep op artikel 6 EVRM weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Gedingstukken

4.11.

Bij de behandeling van bezwaar of (hoger) beroep tegen een op artikel 52a, lid 1, AWR gegronde beschikking behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van de artikelen 7:4 en 8:42 Awb: alle stukken die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot die informatiebeschikking (vgl. HR 18 december 2015, nr. 14/04143, ECLI:NL:HR:2015:3602). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur ten onrechte geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat voor het indienen van de aangifte uitstel is gevraagd en verleend. Voorts ontbreken volgens belanghebbende diverse in het verweerschrift in beroep genoemde stukken, zoals de creditfactuur van [D] GmbH, correspondentie met de landsadvocaat, brieven van tipgevers, informatie over handelingen of activiteiten in verband waarmee gelden in het buitenland zouden zijn gestald en de correspondentie met buitenlandse autoriteiten (de Oostenrijkse en de Italiaanse belastingdiensten). Het Hof stelt vast dat de meeste door belanghebbende genoemde stukken in hoger beroep door de Inspecteur zijn overgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende zich vooral wat betreft de tipgever (volgens belanghebbende een werknemer van [A] ) op het standpunt gesteld dat er meer stukken moeten zijn die op deze zaak betrekking hebben. Het Hof verwerpt dit standpunt. Gelet op de inhoud van de informatiebeschikking versus de rol van de tipgever bij het boekenonderzoek bij [A] ziet het Hof niet in hoe de identiteit van de tipgever of diens betrouwbaarheid een rol kan hebben gespeeld bij de besluitvorming van de Inspecteur met betrekking tot de onderhavige informatiebeschikking. Hetzelfde geldt voor hetgeen belanghebbende heeft opgemerkt over de (nog ontbrekende) correspondentie met de buitenlandse autoriteiten en de correspondentie met de landsadvocaat. Deze hebben een ander onderwerp dan de onderhavige informatiebeschikking, namelijk vermoedelijke inkoopkortingen en niet vermoedelijke buitenlandse bankrekeningen. Dat er andere stukken zouden zijn die in dezen wel een rol zouden hebben gespeeld, heeft belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt.

Motivering informatiebeschikking

4.12.

Belanghebbende klaagt over de ontoereikende motivering van de informatiebeschikking. Gelet op de uitgebreide motivering van het belang die in de brief van 28 november 2013 (zie 2.3) is opgenomen, waarnaar in de informatiebeschikking is verwezen (zie 2.5), acht het Hof deze beschikking voor wat betreft het belang voldoende gemotiveerd. Belanghebbende heeft geweigerd de bankafschriften te verstrekken, indien de Inspecteur geen gebruiksrestrictie zou geven. Dan is duidelijk dat belanghebbende de gevraagde bankafschriften niet heeft verstrekt, zodat de Inspecteur op dat punt de informatiebeschikking niet nader hoefde te motiveren of preciseren.

Van belang voor belastingheffing

4.13.

Artikel 47 van de AWR geeft de inspecteur ruime bevoegdheden aan een belastingplichtige informatie te vragen. Het is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (HR 8 januari 1986, nr. 23034, BNB 1986/128). Voor het antwoord op de vraag of voor een belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van deze belanghebbende (vgl. HR 18 april 2003, nr. 38122, ECLI:NL: HR:2003:AF7498; HR 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603). Inzake door de inspecteur gestelde vragen naar een buitenlandse bankrekening heeft de Hoge Raad overwogen dat de bevoegdheid van een inspecteur tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47 van de AWR niet vereist dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de belanghebbende in de desbetreffende jaren nog over de rekening beschikte; een redelijk vermoeden ter zake is voldoende (HR 1 november 2013, nr. 12/02792, ECLI:NL:HR:2013:1017).

4.14.

Uit de onder 2.7, 2.10 en 2.11 genoemde feiten volgt, dat belanghebbende buitenlandse bankrekeningen heeft gehad dan wel dat hij bedragen die voor hem bestemd waren, op buitenlandse bankrekeningen bij de Banco [B] , de Banque [G] en de [F] Bank Luxemburg heeft laten storten. Verder blijkt uit de aangifte dat belanghebbende een rekening heeft bij de Banco [B] , maar dat het nummer van die rekening niet overeenkomt met dat op de onder 2.7 genoemde factuur. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met de verwijzing naar deze stukken voldoende onderbouwd dat hij een redelijk vermoeden heeft dat belanghebbende in het buitenland over vermogen beschikt en dat hij dit vermogen niet in zijn aangifte heeft aangegeven. Hij heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de gevraagde gegevens voor de belastingheffing van belanghebbende van belang zouden kunnen zijn. De vraag of de Inspecteur ook een redelijk vermoeden kon hebben dat uitdelingen door [A] aan belanghebbende zijn gedaan in 2009 in de vorm van door [A] van haar leveranciers bedongen inkoopkortingen, die aan belanghebbende ten goede zijn gekomen, hetgeen belanghebbende betwist onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 18 november 2014, nrs. 13/01178 en 13/01179, ECLI:NL:GHARL:2014:8845, en de gevolgen die de Inspecteur daaraan voor een later jaar heeft verbonden ter zake van die inkoopkortingen, kan dan onbeantwoord blijven.

4.15.

Belanghebbende brengt hier nog tegen in dat de Inspecteur geen aanslag meer kan opleggen, omdat hij niet aannemelijk kan maken dat uitstel is genoten voor de indiening van de aangifte IB/PVV 2009. Daargelaten of de Inspecteur het uitstel aannemelijk heeft gemaakt, staat hem ook nog de mogelijkheid open een navorderingsaanslag op te leggen, aangezien op het moment van verzending van de informatiebeschikking de termijn van vijf jaar nog niet was verstreken. Belanghebbendes tegenwerping dat de Inspecteur geen navorderingsaanslag kan opleggen, omdat de Inspecteur eerst een aanslag dient op te leggen vindt geen steun in het recht (vgl. HR 4 oktober 2002, nr. 37 403, ECLI:NL:HR:2002:AE8369).

Gegevens redelijkerwijs van belanghebbenden te verlangen

4.16.

Partijen zijn ter zitting tot overeenstemming gekomen dat de gevraagde informatie ziet op de jaren 1997 tot en met 2009. Belanghebbende dient derhalve de vragen te beantwoorden en de gegevens te verstrekken voor deze periode. Het Hof heeft onder 4.13 en verder al geoordeeld dat de gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende.

4.17.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de informatie en de gegevens niet van hem verlangd kunnen worden zonder dat de gebruiksrestrictie is afgegeven. Zoals het Hof onder 4.9 al heeft geoordeeld, volgt uit de door belanghebbende aangehaalde rechtspraak niet dat aan belanghebbende eerst de gevraagde garantie moet worden gegeven, voordat hij kan worden verplicht de gevraagde gegevens te verstrekken. Het is aan de rechter die het geschil over een eventueel op te leggen boete voor het jaar 2009 zal behandelen, om aan het gebruik van wilsafhankelijke gegevens door belanghebbende verstrekt ten behoeve van de belastingheffing, voor de beboeting de gevolgen te verbinden dien hem geraden voorkomen.

4.18.

In artikel 27e, lid 2, AWR is bepaald dat als een rechter het beroep tegen een informatiebeschikking ongegrond verklaart, hij een nieuwe termijn stelt voor het voldoen aan de in die beschikking bedoelde verplichtingen, in situaties waarin daaraan nog gevolg kan worden gegeven, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

4.19.

De Rechtbank heeft belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden, gesteld om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken. Niet is gesteld of gebleken dat de gevraagde gegevens en informatie niet meer kunnen worden verstrekt, zodat het Hof aanneemt dat belanghebbende alsnog gevolg kan geven aan de bedoelde verplichtingen. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat een termijn van zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een adequate termijn is. Ook op dit punt dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog de in de informatiebeschikking verzochte informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 14 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 14 maart 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.