Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2103

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/00213
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Omvang rechtsstrijd bij rechtbank. Ondubbelzinnige intrekking grief? Dwangsom. Terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/29.16.2
V-N Vandaag 2017/684
FutD 2017-0748
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer: 16/00213

uitspraakdatum: 14 maart 2017

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 december 2015, nummer UTR 14/673, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zeist (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) de waarde van de woning [a-straat] 171 in [Z] (hierna: de woning) voor het belastingjaar 2013 per waardepeildatum 1 januari 2012 vastgesteld op € 288.000.

1.2

Tegen deze beschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, welk bezwaar gegrond is verklaard, waarbij de vastgestelde waarde van de woning is verminderd tot € 268.000.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. [A] als de gemachtigde van belanghebbende alsmede mr. [B] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 9 april 2013 (nader) bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 vermelde beschikking. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven dat de waarde van de woning niet hoger kan zijn dan € 201.000 en dat hij een hoorgesprek wenst.

2.2

De gemachtigde van belanghebbende is per brief van 18 november 2013 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 9 december 2013. Per e-mail van 9 december 2013 verzoekt de gemachtigde om uitstel van de hoorzitting. De gemachtigde van belanghebbende verzoekt daarbij het hoorgesprek telefonisch te laten plaatsvinden.

2.3

Bij brief met dagtekening 23 december 2013 laat de heffingsambtenaar weten dat hij de beslistermijn op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verdaagt voor zes weken. Het poststempel op de envelop waarin deze brief is verzonden vermeldt de datum 2 januari 2014.

2.4

Bij faxbericht met dagtekening 6 januari 2014, verzonden op 7 januari 2014, wordt de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen.

2.5

Per e-mail van 23 januari 2014 wordt afgesproken dat het hoorgesprek telefonisch plaats zal vinden op donderdag 29 januari 2014 om 14.15 uur. Op dat tijdstip krijgt de heffingsambtenaar geen gehoor op beide telefoonnummers van gemachtigde. Uiteindelijk vindt het hoorgesprek telefonisch plaats op 3 februari 2014. Diezelfde dag stuurt de heffingsambtenaar een verslag van het hoorgesprek per e-mail.

2.6

Op 3 februari 2014 stelt belanghebbende beroep in bij de Rechtbank wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. In het beroep wordt aangegeven dat de waarde van de woning volgens belanghebbende niet hoger kan zijn dan € 247.000.

2.7

Op 13 februari 2014 stuurt de gemachtigde van belanghebbende per e-mail zijn opmerkingen met betrekking tot het hoorverslag.

2.8

Op 17 februari 2014 doet de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar. De vastgestelde waarde van de woning wordt verlaagd tot € 268.000. Er wordt een vergoeding voor de kosten van de bezwaarprocedure toegekend van € 486. Met betrekking tot de dwangsom wordt niets beslist.

2.9

Bij brief van 17 oktober 2014 van de Rechtbank wordt aan belanghebbende gevraagd of hij het eens is met de nieuwe beslissing van de heffingsambtenaar. Indien dit niet het geval is, wordt verzocht binnen twee weken uit te leggen waarom dit niet het geval is. Bij brief van 3 november 2014 verzoekt de Rechtbank binnen een week te reageren op de brief van 17 oktober 2014.

2.10

Bij fax van 4 november 2014 schrijft de gemachtigde het volgende:

“In antwoord op uw schrijven, d.d. 17 oktober 2014, deel ik u mede het beroep niet in te trekken. De gemeente Zeist heeft inderdaad een brief verstuurd met de mededeling dat er een verlenging zou worden gehanteerd. Hoewel de dagtekening van de brief 23 december is, is de datum op het poststempel 2-1-2014. Dit schrijven is derhalve te laat verzonden. (…) We zijn dan ook wel degelijk van mening dat de ingebrekestelling juist is en het beroep inzake deze grond dan ook gegrond is.

Inzake de waarde zijn we van mening dat deze € 241.000 dient te zijn.”

2.11

In de “Zittingsaantekeningen van het verhandelde ter zitting op 1 september 2015 om 10.30 uur te Utrecht” is onder meer het volgende opgenomen:

“1. De rechter stelt de rechtbank en partijen voor.

2. Het beroep heeft betrekking op de woz-waarde van de [a-straat] 171 te [Z] . Het bezwaar is uiteindelijk op 17 februari 2014 gegrond verklaard en de waarde is vastgesteld op € 268.000. Eiser heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. Verweerder heeft pas nadien een uitspraak op bezwaar gedaan.

3. De rechter vraagt aan eiser wat de reden is voor zijn beroep.

4. Eiser stelt dat hij beroep heeft ingediend wegens het uitblijven van een beslissing en het niet beslissen op de ingebrekestelling. (…)

5. De rechter vat eiser samen dat het beroep betrekking heeft op het te laat beslissen en de dwangsom.

(…)

13. De rechter vraagt verweerder of zij de stelling van eiser bestrijdt dat de verdagingsbrief op 2 januari is verzonden.

14. Verweerder geeft aan dat zij er vanuit gaat dat een ambtenaar een brief die verstuurd wordt op 2 januari 2014 niet dateert op 23 december 2013.

15. De rechter vraagt of het mogelijk is dat de brief is blijven liggen.

16. Verweerder heeft dat aan de behandelend ambtenaar (dhr. [C] ) gevraagd. Hij stelt dat hij de brief gewoon op 23 december 2013 heeft verstuurd. Hij stelt dat de verdagingsbrief op tijd de deur is uitgegaan, te weten op 23 december 2013.

17. De rechter vat samen dat het geschil ziet op het niet tijdig verdagen van de beslistermijn.

(…)”

2.12

In haar uitspraak overweegt de Rechtbank met betrekking tot de omvang van het geschil het volgende:

“1. Het geschil beperkt zich tot de vraag of eiser recht heeft op een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 28 februari 2013. Het beroep richt zich niet tegen de vastgestelde waarde van de woning voor het belastingjaar 2013, zoals neergelegd in de uitspraak op bezwaar van 17 februari 2014.”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de waarde van de woning niet langer in geschil was en het geschil terecht heeft beperkt tot de vraag of de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd. Verder is in geschil of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zulks niet het geval is.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende heeft in het faxbericht van 4 november 2014 – derhalve binnen de daartoe door de Rechtbank gestelde termijn – op vragen van de Rechtbank expliciet aangegeven dat de waarde ook na de uitspraak op bezwaar nog immer in geschil is en dat deze zijns inziens € 241.000 dient te bedragen. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende deze beroepsgrond toen heeft aangevoerd in strijd met de goede procesorde.

4.2

Ook is gesteld noch gebleken dat (de gemachtigde van) belanghebbende deze beroepsgrond nadien uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft ingetrokken. Weliswaar heeft de Rechtbank het geschil ter zitting enige malen omschreven zonder expliciet te benoemen dat de waarde (nog) in geschil zou zijn, maar dit brengt niet mee dat een beroepsgrond die niet door de Rechtbank expliciet is genoemd daarmee zou zijn ingetrokken, nu uit niets blijkt dat de gemachtigde heeft begrepen dat de door de Rechtbank geformuleerde geschilomschrijving uitputtend was, dan wel dat de gemachtigde met deze uitputtende geschilomschrijving zou hebben ingestemd. De omstandigheid dat de gemachtigde geen opmerkingen heeft gemaakt met betrekking tot de door de Rechtbank geformuleerde geschilomschrijving, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

4.3

De heffingsambtenaar heeft niet op de voet van artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb, schriftelijk mededeling gedaan van de omstandigheid dat hij de beslistermijn zou hebben verdaagd omdat dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften (artikel 7:10, vierde lid, onder c, van de Awb). Het oordeel van de Rechtbank dat de beslistermijn op deze grond zou zijn verdaagd, kan reeds om deze reden niet juist zijn.

4.4

De heffingsambtenaar heeft de beslistermijn verdaagd op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb. De envelop waarin deze brief zat, vermeldt een poststempel met de datum 2 januari 2014. Terpostbezorging vindt plaats op het moment waarop een poststuk in de brievenbus wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging wordt aangeboden. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd. Dat neemt niet weg dat het datumstempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd (vgl. Hoge Raad 28 januari 2011, nummer 10/02285; ECLI:NL:HR:2011:BP2138).

4.5

Naar het oordeel van het Hof is de omstandigheid dat de verdagingsbrief de dagtekening 23 december 2013 bevat, alsmede de omstandigheid dat de Kerst- en Nieuwjaarsperiode voor wat betreft de postbezorging een drukke periode is, onvoldoende om aannemelijk te achten dat het poststuk ter post is bezorgd op 23 december 2013, dan wel vóór 2 januari 2014. Ook de omstandigheid dat ter zitting van de Rechtbank is verklaard dat de behandelend ambtenaar, te weten [C] , zou hebben verklaard dat de brief op 23 december 2013 ter post is bezorgd, is daarvoor onvoldoende, mede gelet op de omstandigheid dat de verdagingsbrief is ondertekend door [D] en niet door [C] . Ook bovenbedoelde omstandigheden bezien in onderlinge samenhang kunnen het oordeel niet dragen dat de brief op 23 december 2013, dan wel vóór 2 januari 2014 ter post is bezorgd.

slotsom

Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep gegrond. Het Hof zal de zaak terugwijzen naar de Rechtbank, ter verdere behandeling van het geschil, daaronder begrepen een oordeel over een eventuele proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht, met inachtneming van deze uitspraak.

5 Kosten

Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze conform het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 2 punten (1 punten voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting bij het Hof) maal € 495 maal wegingsfactor 1 maakt € 990.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    bepaalt dat de Rechtbank opnieuw uitspraak doet met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 990,

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in verband met het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 124.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J.P. Boer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 14 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 14 maart 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.