Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2102

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/00467
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:1177, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Aftrek ziektekosten? Negatief loon?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/29.16.16
V-N Vandaag 2017/688
FutD 2017-0738
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 16/00467

uitspraakdatum: 14 maart 2017

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A 1] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 maart 2016, nummer AWB 15/4560, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.536. Daarbij is een bedrag van € 24 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van
17 juni 2015 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 3 maart 2016 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 13 april 2016, ingekomen bij het Hof op
14 april 2016, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. [A 2] , advocate te [B] , en [C] als tolk. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [D] ,
mr. [E] en mr. [F] .

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd en heeft meerdere kinderen, waaronder [G] , geboren [in] 1995 (hierna: de zoon). De zoon woonde in 2012 op het woonadres van belanghebbende te [Z] .

2.2.

De kantonrechter heeft op 15 november 1995 beslist dat de gemeente Enschede een bedrag van fl. 31.135 (€ 14.128) mag terugvorderen van belanghebbende. Het betreft uitkeringen krachtens de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (http://www.mijnrecht.net/uitkeringen/rijksgroepsregeling-werkloze-werknemers/) (hierna: RWW-uitkering) – een bijzondere vorm van bijstand –- die belanghebbende ten onrechte heeft genoten in de periode van 1 september 1990 tot en met 31 januari 1993.

2.3.

In 2012 heeft de gemeente Enschede een aan belanghebbende te betalen bijstandsuitkering voor een bedrag van € 2.169 verrekend met de terug te betalen RWW-uitkering.

2.4.

Blijkens een jaaropgave van de gemeente Enschede heeft belanghebbende in 2012 een bijstandsuitkering genoten van € 7.205.

2.5.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2012 de door belanghebbende in aanmerking genomen zorgkosten gecorrigeerd, in het bijzonder de kosten voor medicijnen en de uitgaven voor vervoer. De aanslag is als volgt vastgesteld:

Bijstandsuitkering gemeente Enschede € 7.205

Bijstandsuitkering gemeente Enschede -/- 960

Totaal 6.245

Zorgkosten

Kosten medicijnen -/- 1.138

Correctie Inspecteur 1.138

Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit -/- 5.831

Correctie Inspecteur 5.831

Genees- en heelkundige hulp -/- 568

Verhoging specifieke zorgkosten (40%) -/- 228

Totaal -/- 796

Drempel 288

Aftrekbare zorgkosten -/- 508

Aftrekbare giften -/- 201

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 5.536

2.6.

De Rechtbank heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld en de aanslag IB/PVV 2012 gehandhaafd.

3 Geschil

3.1

In geschil is of de aanslag tot een juist bedrag is vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende betoogt dat vanwege de terugbetaling aan de gemeente Enschede ten bedrage van € 2.169 niet een negatief loon van € 960 maar van € 2.169 in aanmerking moet worden genomen.

3.3.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd nadrukkelijk verklaard dat de correctie ter zake van de medicijnkosten ad € 1.138 niet langer in geschil is. Verder heeft belanghebbende verklaard dat ter zake van de opgevoerde vervoerskosten ad € 5.831 terecht een bedrag van € 2.331 is gecorrigeerd en dat mitsdien alleen nog een aftrekpost van € 3.500 in geschil is.

3.4.

De Inspecteur beroept zich op interne compensatie. Hij betoogt dat een eventuele aftrekbare uitgave voor zorgkosten tot een bedrag van € 960 niet leidt tot een vermindering van de aanslag, nu bij wijze van interne compensatie alsnog de bij de aanslagregeling niet gecorrigeerde aftrekpost van € 960 wegens negatief loon, wordt geweigerd.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2012. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Overwegingen

Negatief loon

4.1.

In artikel 32c van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) - welke bepaling van overeenkomstige toepassing is in de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) - is geregeld dat als een sociale uitkering wordt verrekend met een terug te betalen sociale uitkering, de terugbetaling tot het verrekende bedrag niet in aanmerking wordt genomen als negatief loon. Bovendien behoort de uitkering die met de terug te betalen uitkering wordt verrekend, tot het bedrag van die verrekening niet tot het loon.

4.2.

Gelet op het bepaalde in artikel 32c Wet LB is er geen aanleiding om het door de gemeente Enschede verrekende bedrag van € 2.169 als negatief loon in aanmerking te nemen. Het gelijk is in zoverre aan de Inspecteur.

Zorgkosten; vervoer

4.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB komen uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit voor aftrek in aanmerking.

4.4.

Belanghebbende betoogt dat hij voor het jaar 2012 recht heeft op aftrek van vervoerskosten ten bedrage van € 3.500. Deze aftrek wordt door de Inspecteur betwist, zodat daarvoor de bewijslast op belanghebbende komt te rusten. Belanghebbende is in deze bewijslast niet geslaagd.

4.5.

De vervoerskosten hebben voor € 2.628 betrekking op de zoon die sinds 2009 tweemaal per jaar naar Marokko zou moeten afreizen voor een bezoek aan een psychiater. Deze kosten komen niet voor aftrek in aanmerking, nu niet aannemelijk is geworden dat de zoon in 2012 in Marokko een medisch noodzakelijke psychiatrische behandeling heeft ondergaan. De verklaring van de Nederlandse huisarts van 10 februari 2009 dat de zoon naar Marokko gaat voor psychiatrische behandeling, alsmede het zogenoemde “certificat medical” van de neuropsychiater in [H] te Marokko van 24 februari 2009, acht het Hof daarvoor ontoereikend.

4.6.

De vervoerskosten hebben voor € 650 betrekking op de busreis die belanghebbende zelf naar Marokko heeft gemaakt vanwege boompollenallergie en voor € 222 op het binnenlandse vervoer in Marokko. Deze vervoerskosten komen evenmin voor aftrek in aanmerking. Belanghebbende heeft immers niet het bewijs geleverd dat deze kosten op hem drukken. Bovendien acht het hof niet aannemelijk dat belanghebbende in Marokko een medisch noodzakelijke behandeling heeft ondergaan ter zake van deze allergie.

Vertrouwensbeginsel

4.7.

Aan de omstandigheid dat de Inspecteur voor de jaren 2009, 2010, 2011 en 2013 wel specifieke zorgkosten in aanmerking heeft genomen, kan belanghebbende niet een in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. Een vertrouwen kan gerechtvaardigd zijn indien een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur is voorgelegd en daarnaast op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen (vgl. HR 14 juni 2000, nr. 35.549, ECLI:NL:HR:2000:AA6516; HR 13 februari 2015, nr. 14/02082, ECLI:NL:HR:2015:278).

4.8.

Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt, dat de aangelegenheid van de zorgkosten in die jaren uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd en hij bovendien geen bijkomende omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de Inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen, faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel. De door belanghebbende ter zitting genoemde uitspraak van Hof
Den Haag 22 april 2004, nr. 03/00847, ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9508, doet daaraan niet af nu daarin, anders dan in het onderhavige geval, de aard en de omvang van de ziektekosten uitvoerig met de desbetreffende inspecteur was besproken.

Belastingrente

4.9.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Nu de aanslag niet wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte rente.

Slotsom
4.10. Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R. den Ouden en
mr. A.O. Lubbers, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 14 maart 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.