Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2063

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
21-000390-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:95, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in de bewezenverklaarde periode bij zijn zus, haar dochter en de partner van zijn zus ingewoond. De dochter was 13 jaar toen verdachte bij haar in huis kwam wonen en 14 jaar toen verdachte vertrok. Verdachte was destijds 42 jaar. In de bewezenverklaarde periode heeft verdachte vaak en vergaande seksuele handelingen verricht met de dochter met als gevolg dat de dochter reeds op haar veertiende jaar moeder is geworden van een zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000390-15

Uitspraak d.d.: 14 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 12 januari 2015 met parketnummer 08-950048-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [1958] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. P. Jeeninga, naar voren is gebracht.

Voorts heeft de raadsman verzocht om toevoeging aan het dossier van de dagboekaantekeningen van aangeefster [slachtoffer] om hierop een beroep te kunnen doen ter toelichting van de omstandigheden waaronder volgens verdachte de delictshandelingen zouden hebben plaats gevonden. Volgens verdachte zou er geen sprake zijn geweest van grooming.

Het hof zal dit verzoek afwijzen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en omdat de raadsman de beschikking heeft gehad over deze dagboekaantekeningen en hij ter zitting hieruit vrijelijk heeft kunnen citeren. De juistheid van deze citaten is, gelet op de reactie van de advocaat-generaal, niet in het geding.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is op 12 januari 2015 door de rechtbank Overijssel veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde feit, te weten: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, maar nog niet die van zestien, buiten echt, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze straf in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot het betalen aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag,

groot € 12.000,00 en tot betaling aan de Staat de Nederlanden van een bedrag van

€ 12.000,00 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 95 dagen zal worden toegepast.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, daaronder begrepen de beslissing van de rechtbank over de vordering benadeeelde partij, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en in zoverre zal het vonnis worden vernietigd omdat het hof tot een andere strafmotivering komt dan de rechtbank.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Overijssel heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van de tijd door de veroordeelde in voorarrest doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft het hof verzocht om bij zijn strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden dat de periode waarvoor vervolgd kan worden door het ontbreken van een klacht korter is geweest, dan de periode waarvan de advocaat-generaal in zijn requisitoir is uitgegaan en dat er sprake is van schending van de redelijke termijn in hoger beroep. De raadsman heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, al dan niet in combinatie met een werkstraf. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de in eerste aanleg opgelegde straf veel te hoog is en geen recht doet aan deze zaak.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft in de bewezenverklaarde periode bij zijn zus, haar dochter [slachtoffer] en de partner van zijn zus ingewoond. [slachtoffer] was 13 jaar toen verdachte bij haar in huis kwam wonen en 14 jaar toen verdachte vertrok. Verdachte was destijds 42 jaar. In de bewezenverklaarde periode heeft verdachte vaak en vergaande seksuele handelingen verricht met [slachtoffer] met als gevolg dat [slachtoffer] reeds op haar veertiende jaar moeder is geworden van een zoon.

Verdachte heeft zich in de periode laten leiden door zijn seksuele driften, onder meer uitend in onbeschermde seks, zonder stil te staan bij de gevolgen voor zijn nog jonge nichtje. Verdachte heeft [slachtoffer] de mogelijkheid ontnomen om zich op een veilige manier te ontwikkelen van kind naar volwassene. Naar bekend mag worden verondersteld worden ontuchtige handelingen als bewezenverklaard door slachtoffers (soms pas later) als zeer ingrijpend ervaren, hetgeen ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] , voorgelezen ter zitting van de rechtbank Overijssel van 29 december 2014. Zij ondervindt nog steeds de gevolgen van het handelen van verdachte. Het is nog maar de vraag of zij hiervan niet blijvend de gevolgen zal ondervinden. De advocaat-generaal heeft immers ter zitting van het hof meegedeeld dat [slachtoffer] is gestopt met de behandeling door een psycholoog, omdat zij die behandeling niet meer aankon en dat zij niet meer dan 16 uur per week kan werken.

Behalve dat [slachtoffer] slachtoffer is geworden van een zedendelict, werd zij al op zeer jonge leeftijd moeder met als gevolg dat zij een heel ander leven heeft moeten leiden dan haar leeftijdgenoten

Het handelen van verdachte heeft eveneens zeer ingrijpende gevolgen gehad voor de moeder van [slachtoffer] en haar partner. In verband met de jonge leeftijd van [slachtoffer] heeft de moeder veel van de zorg voor de zoon van [slachtoffer] op zich genomen. De moeder kwam er pas laat achter dat [slachtoffer] zwanger was en was zeer geschokt door het nieuws. [slachtoffer] was immers nog maar 14 jaar en zwanger gemaakt door de broer van de moeder, welke broer lange tijd had mogen verblijven in haar woning. Zij had dus niet alleen te maken met de problematiek van haar dochter, die zwanger was en slachtoffer was van een zedenmisdrijf, maar ook met sterke gevoelens van boosheid – in verband met het geschonden vertrouwen – en schaamte, vanwege hetgeen in haar familie had plaatsgevonden.

Na de ontdekking van de zwangerschap was er – zoals was te voorzien – geen contact meer tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer] en haar moeder anderzijds. De zoon van [slachtoffer] is dus zonder zijn biologische vader opgegroeid en geboren onder omstandigheden die niet bepaald ideaal te noemen zijn.

In het voordeel van verdachte houdt het hof er rekening mee dat verdachte niet vaker is veroordeeld voor een zedendelict en hij de feiten heeft bekend.

De feiten zijn weliswaar langere tijd geleden gepleegd, maar het hof ziet geen aanleiding om daar in sterk strafmatigende zin rekening mee te houden, onder meer nu [slachtoffer] nog steeds lijdt onder de gevolgen van de bewezenverklaarde feiten.

Gelet op de ernst van de feiten dient een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur te worden opgelegd.

De raadsman heeft ten aanzien van de op te leggen straf nog betoogd dat de redelijke termijn is geschonden, aangezien de einduitspraak in hoger beroep niet binnen twee jaar nadat hoger beroep is aangetekend, wordt gegeven. Het hof overweegt hieromtrent dat uit de stukken blijkt dat tussen de datum waarop het hoger beroep is ingesteld, te weten 23 januari 2015, en de datum waarop het hof uitspraak doet, 14 maart 2017, een periode van 25 maanden en ruim 2 weken is verstreken. Er kan derhalve worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn, maar deze overschrijding is zo gering, dat naar het oordeel van het hof kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Het hof zal derhalve aan deze geringe overschrijding geen consequenties verbinden voor de op te leggen straf.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is het hof, net als de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar moet worden opgelegd, onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Om te bevorderen dat de schade van de benadeelde partij door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek om de dagboekaantekeningen van [slachtoffer] , geboren 28 september 1988, aan het onderhavige strafdossier toe te voegen.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 12.000,-- (twaalfduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2002, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 95 (vijfennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. Y.A.J.M. van Kuijck, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Mientjes, griffier,

en op 14 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 14 maart 2017.

Tegenwoordig:

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J. van Spanje, advocaat-generaal,

mr. I.I.D. Mientjes, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.