Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2005

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
21-001127-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Peseta. Notaris. Valsheid in geschrift. A-B-C-akte. B is niet meer dan een stroman. Geen valsheid in geschrift nu akten telkens materieel juist zijn. Witwassen. Handelen in strijd met beleid woningbouwvereniging is geen strafbaar feit. Grondmisdrijf voor witwassen ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001127-15

Uitspraak d.d.: 13 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 februari 2015 met parketnummer 07-662356-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 februari 2016, 21 april 2016, 11 november 2016 en 27 februari 2017, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake de hem onder 1, 2, 3A en 3B ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.J. van Oosten, naar voren is gebracht.

In eerste aanleg is verdachte door de rechtbank ter zake de feiten 1, 2 en 3A veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1

hij in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of [gemeente 3] en/of [gemeente 4] en/of [gemeente 5] , althans in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van valsheid in geschrift ten behoeve van hypotheekfraude en/of vastgoedfraude en/of het verschaffen van verblijf/woonruimte aan illegale vreemdelingen in Nederland en/of het plegen van witwassen en/of het plegen van geweldsdelicten en/of bedreigen met geweldsdelicten.

2

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 4] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, (van) onderstaande voorwerp(en)

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is/was en/of

- heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt gemaakt, te weten

- (een) onroerende za(a)k(en)/woning(en) gelegen aan de [adres 1] (zaak 56) en/of [adres 2] (zaak 45) en [adres 3] (zaak 49) en/of [adres 4] (zaak 119) en/of

- (een) (totaal) geldbedrag(en) van (ongeveer) 9.126,85 Euro en/of 128.423,73 (zaak 56 en/of 49) en/of 138.363,16 Euro (zaak 45) en/of 140.606,04 Euro (zaak 119), althans enig geldbedrag,

terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerpen) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3

A.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer geschrift(en) bestemd om tot enig te bewijs te dienen, zijnde (telkens) een authentieke akte(n) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken bestaande die valsheid uit het vermelden op die akte(n) van de na(a)m(en) van (een) stroman(nen) (te weten: [stroman 1] (zaak 56) en/of [stroman 2] (zaak 45) en/of [stroman 3] (zaak 49) en/of [stroman 4] (zaak 119)) als koper(s)/verkoper(s) (terwijl de feitelijke koper(s)/verkoper(s), schuldenaar (telkens) medeverdachte [medeverdachte] was)

en/of dat gebruiken of doen gebruiken uit het laten inschrijven in het hypothecaire register en/of (laten) gebruiken als eigendomsbewijs,

met betrekking tot de onroerende za(a)k(en)/woning(en) gelegen aan de [adres 1] (zaak 56) en/of [adres 2] (zaak 45) en [adres 3] (zaak 49) en/of [adres 4] (zaak 119);

en/of

B.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 1] , althans in Nederland, (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) nota('s) van afrekening aan [stroman 2] (d.d. 28-7-2006) en/of [stroman 3] (d.d. 10-7-2006) en/of [stroman 1] (d.d. 27-12-2006) en/of [stroman 4] (d.d. 21-4-2006),

zijnde die nota('s) (telkens) (een) geschrift(en) bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst, zulks met het oogmerk om die nota('s) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken als betaalbewijs, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

- vermeld op de nota van afrekening aan [stroman 2] "aflossen hypotheek: [medeverdachte] 138.363,16" en/of

- vermeld op de nota van afrekening aan [stroman 3] "aflossen hypotheek: [medeverdachte]

138.183,66 dan wel 138.337,37" en/of

- vermeld op de nota van afrekening aan [stroman 1] "aflossen hypotheek: de heer [medeverdachte] 148.888,70",

- vermeld op de nota van afrekening aan [stroman 4] "aflossen hypotheek: [medeverdachte] 135.000,00",

terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een geldlening, althans, in werkelijkheid het terug te betalen bedrag op de geldlening lager was.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraakoverweging

1. Tenlastelegging

In de feiten 3A en 3B is valsheid in geschrift tenlastegelegd. In feit 3A bestaat die valsheid eruit dat verdachte, als notaris, in een viertal akten van levering als verkoper heeft opgenomen een tussenpersoon die in werkelijkheid geen verkoper was en in een viertal hypothecaire akten als schuldenaar heeft opgenomen de genoemde tussenpersoon die in werkelijkheid echter geen schuldenaar was. In feit 3B bestaat de valsheid eruit dat op een viertal nota's van afrekening door verdachte is vermeld dat een hypotheeksom wordt afgelost door de tussenpersoon hoewel in werkelijkheid geen sprake was van een geldlening In feit 2 is tenlastegelegd dat de in de feiten 3A en 3B bedoelde vier woningen zijn witgewassen en dat ook de uiteindelijke verkoopopbrengst van die woningen is witgewassen. In feit 1 is tenlastegelegd deelname aan een criminele organisatie.

2. Feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van deze verwijten wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Woningbouwvereniging " [naam 1] " in [plaats] heeft bij monde van haar directeur [directeur] op 21 november 2011 aangifte gedaan1. In die aangifte is het volgende vermeld. Woningbouwvereniging [naam 1] is in 2008 ontstaan uit een fusie tussen de toenmalige woningbouwvereniging " [naam 2] " en de " [naam 3] ". Op zeker moment zijn door haar rechtsvoorganger de [naam 3] , gelijk door woningbouwvereniging [naam 1] zelf, woningen verkocht2. Aan die verkopen lag als beleidsdoelstelling ten grondslag de bevordering van het eigen woningbezit. Met dat beleid is strijdig de aankoop van een woning en vervolgens de snelle doorverkoop daarvan. Als de woningbouwvereniging had geweten dat de woningen niet voor eigen bewoning maar voor de handel werden aangekocht en vervolgens kort daarna weer werden doorverkocht, was zij niet tot verkoop overgegaan. Nu gebleken is dat dit wel is gebeurd voelt zij zich misleid.

In de tenlastelegging gaat het om een viertal panden dat is aangekocht van de woningbouwvereniging en vervolgens binnen een half jaar is doorverkocht. Medeverdachte [medeverdachte] was telkens de man die het initiatief tot deze aankoop en doorverkoop nam. Hetzij omdat de woningbouwvereniging hem had laten weten dat zij geen zaken meer met hem wilde doen hetzij omdat [medeverdachte] dat vreesde kocht hij de woningen niet op eigen naam. Hij schakelde telkens een tussenpersoon in. Die tussenpersoon trad op als koper, aan de tussenpersoon werd het pand geleverd en de tussenpersoon leverde het pand door. Voor zijn of haar bemoeienis ontving de tussenpersoon van [medeverdachte] een vergoeding van € 500.- tot € 1.500,-. Het was [medeverdachte] die de aankoop van de woningbouwvereniging door de tussenpersoon uit eigen middelen financierde. Die financiering werd gegoten in de vorm van een door het recht van hypotheek versterkte geldlening van [medeverdachte] aan de tussenpersoon. Verdachte heeft:

a. de akten van levering gepasseerd waarbij de woning in kwestie door de daarin als verkoper aangeduide tussenpersoon (B) werd geleverd aan de uiteindelijke koper (C);

b. de akten van hypotheekstelling ten behoeve van de transactie A-B gepasseerd tussen [medeverdachte] en de daarin als schuldenaar aangeduide tussenpersoon (B)3;

c. na doorlevering door de tussenpersoon (B) aan de uiteindelijke koper (C) de nota van afrekening opgesteld, daarin opgenomen dat de afrekening een "aflossing hypotheek" betrof en de netto-opbrengst uitbetaald aan [medeverdachte] .

De transportakte tussen de woningbouwvereniging (A) en de tussenpersoon (B) is telkens door een andere notaris gepasseerd. In die transportakte stond de tussenpersoon vermeld als koper aan wie het pand in kwestie werd geleverd. Een anti-speculatiebeding of verbod van doorverkoop is niet opgenomen in de koopakte tussen de woningbouwvereniging en de tussenpersoon (B). Verdachte heeft ten behoeve van de doorverkoop een volmacht opgesteld waarbij de tussenpersoon telkens volmacht gaf aan [medeverdachte] om, kort gezegd, tot doorverkoop en daarop volgende financiële afwikkeling over te gaan. Verdachte heeft telkens met B gesproken en kopie van de nota van afrekening (B-C) telkens aan B toegezonden. Van enige andere betrokkenheid van de tussenpersonen dan hiervoor geschetst was geen sprake. Zij wilden slechts een geldbedrag verdienen en waren bereid daarvoor de woning op hun naam te zetten en de bijbehorende financieringsconstructie te aanvaarden. Zij kozen de woning niet uit, hadden met die woning geen bemoeienis en de baten en lasten van die woning inclusief de daarvoor door [medeverdachte] verstrekte financiering kwamen niet voor hun rekening. De tussenpersonen wisten niet aan wie en voor hoeveel de woning werd doorverkocht. De financiële afwikkeling van die doorverkoop en financiering door [medeverdachte] ging buiten hen om. De winst en oorspronkelijke financieringssom werden door verdachte aan [medeverdachte] overgemaakt vanaf de kwaliteitsrekening van verdachte. Op de woningen is door [medeverdachte] bij de doorverkoop telkens winst gemaakt.

3. Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie verbindt aan dit feitencomplex de volgende conclusies. De tussenpersoon was niet meer en niet minder dan een stroman. Weliswaar verkreeg deze telkens de juridische eigendom van het pand in kwestie en kon deze om die reden dat pand rechtsgeldig doorleveren, maar de feitelijke eigenaar was telkens [medeverdachte] . Hij, [medeverdachte] , had het pand ook telkens gefinancierd uit eigen middelen en van een echte geldlening van [medeverdachte] aan de tussenpersoon was daarom geen sprake. Die tussenpersoon behoefde ook geen rente en/of aflossing aan [medeverdachte] te voldoen. Met gebruikmaking van de opgemaakte volmacht werd het pand, geheel buiten de feitelijke bemoeienis van de tussenpersoon om, doorverkocht en vervolgens werd de volledige netto opbrengst door verdachte rechtstreeks aan [medeverdachte] overgeboekt. Van daadwerkelijke aflossing van een schuld van de tussenpersoon aan [medeverdachte] was geen sprake. Er was feitelijk immers geen geldlening. Het in strijd met de werkelijkheid

- opvoeren van de tussenpersoon als verkoper in de door verdachte opgemaakte transportakte van de doorverkoop,

- opvoeren van de tussenpersoon als schuldenaar in de door verdachte opgemaakte hypotheekakte tussen [medeverdachte] en die tussenpersoon,

- in de nota van afrekening van de doorverkoop opnemen dat sprake was van aflossing van de hypotheek,

is telkens aan te merken als valsheid in geschrift.

Die valsheid - en dus dat misdrijf - heeft telkens mogelijk gemaakt dat de panden in kwestie zijn doorverkocht en dat de opbrengst van die doorverkoop bij [medeverdachte] is terecht gekomen. Aldus is sprake van witwassen van panden en opbrengst. Bij dit alles is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte als instrumenterend notaris en [medeverdachte] . Die samenwerking was onderdeel van de criminele organisatie waaraan verdachte deelnam.

4. Standpunt verdachte

Verdachte erkent in grote lijnen wel de geschetste feitelijke gang van zaken. Hij plaatst daarbij echter de volgende kanttekeningen. De woningbouwvereniging is niet misleid. De woningbouwvereniging wilde4 een numeriek verkoopdoel halen en daarvoor maakte het niet uit aan wie verkocht werd. Een anti-speculatiebeding werd (al dan niet om die reden) in koop- en/of transportakte niet opgenomen. Verdachte heeft daarnaast altijd gemeend dat de tussenpersonen daadwerkelijke kopers waren en dat [medeverdachte] hen slechts hielp met de financiering in afwachting van financiering door een bank dan wel, als dat niet zou lukken, doorverkoop van de woning. Van afspraken met de tussenpersoon over een vergoeding voor het op naam zetten van de woning was hij niet op de hoogte. De constructie van hypotheekverlening is door verdachte zelf geadviseerd omdat zonder recht van hypotheek [medeverdachte] onaanvaardbaar risico liep, te weten dat de tussenpersoon de woning doorverkocht zonder dat [medeverdachte] zekerheid had voor het daaruit terug ontvangen van de door hem gefinancierde aankoopsom. Met de gemaakte volmacht was niets mis. Deze strekte er slechts toe zoveel mogelijk aanvullende zekerheid te geven aan [medeverdachte] als financier. Dat heeft verdachte ook met alle betrokken tussenpersonen besproken. Verdachte heeft dan ook slechts de werkelijkheid vastgelegd in de door hem gemaakte akten en nota's van afrekening. Van die geschriften ontvingen (ook) de tussenpersonen afschriften. Van valsheid in geschrift of enig ander misdrijf was geen sprake en, bijgevolg, evenmin van witwassen. Ook van deelname aan een criminele organisatie was geen sprake.

5. Beoordeling

5.1.

Feiten 3A en 3B: valsheid in geschrift

Van valsheid in geschrift is, andere aspecten daargelaten, sprake indien het stuk in kwestie vals is, dat wil zeggen niet de werkelijkheid weergeeft.

Ook in hoger beroep heeft het openbaar ministerie zich geconcentreerd op de stelling dat de tussenpersoon in werkelijkheid geen verkoper was (omdat [medeverdachte] de panden kocht en financierde) en die tussenpersoon dus in werkelijkheid evenmin schuldenaar was. Op die grond zouden de opgemaakte akten en nota's van afrekening vals zijn.

In de akten waarbij de tussenpersoon (B) doorleverde aan de uiteindelijke koper (C) stond B vermeld als verkoper. Dat was feitelijk juist. B had immers de eigendom van het pand in kwestie verworven door de overdracht daarvan aan hem bij de eerder, ten overstaan van een andere notaris dan verdachte, gepasseerde akte van levering tussen de woningbouwvereniging en B. In de hypotheekakten stond B vermeld als schuldenaar. Ook dat was feitelijk juist omdat de financiering door [medeverdachte] van de aankoop van de woning door B telkens was gegoten in de vorm van een hypothecaire geldlening door [medeverdachte] aan B. In de nota van afrekening stond telkens dat die afrekening betrof de aflossing van een hypotheekschuld. Ook dat was feitelijk juist omdat uit de verkoopopbrengst van de levering B-C de door [medeverdachte] aan B verstrekte lening kon worden afgelost. Hoewel uit het dossier genoegzaam vast is komen te staan dat [medeverdachte] bij de thans besproken transacties telkens de werkelijke belanghebbende was en tussenpersoon (B) niet meer dan een instrument in zijn handen, bevatten alle stukken niettemin niets anders dan de vastlegging van de feitelijke situatie en de juridische werkelijkheid. Een feitelijke situatie bovendien die gebaseerd was op de instemming van alle direct betrokkenen ( [medeverdachte] , B en C) bij de in deze procedure relevante akten en nota's van afrekening. Die stukken waren dan ook materieel bezien niet vals.

De kanttekening kan nog worden gemaakt dat het door verdachte aan [medeverdachte] uitbetaalde bedrag telkens betrof de aflossing van de hypotheekschuld vermeerderd met de bij de doorverkoop (B-C) gerealiseerde winst en de nota's van afrekening derhalve niet helemaal juist waren door slechts te vermelden "aflossing hypotheekschuld" in plaats van "aflossing hypotheekschuld en winst". Voor zover de nota's van afrekening op dat punt als materieel vals moeten worden aangemerkt geldt dat van opzet op die valsheid niet is gebleken. Voldoende aannemelijk is namelijk dat die vermelding zijn oorzaak vindt in een zekere administratieve onvolkomenheid veeleer dan in het opzet te verhullen dat winst gemaakt is. Daarbij wordt in overweging genomen dat er geen reden is te twijfelen aan verdachtes verklaring dat ook de tussenpersoon alle relevante stukken, waaronder de nota van afrekening, ontving, nu één van de betreffende tussenpersonen ( [stroman 3] ) die stukken aan de politie heeft overhandigd.

Het openbaar ministerie heeft nog gewezen op de beslissing van de Hoge Raad in de zogenaamde Klimopzaak5en die van dit hof van 20 januari 2015, parketnummer 21-001377-13 (Ecowood, niet gepubliceerd). De stelling is dat in die zaken, gelijk in de onderhavige, de situatie zich voordeed dat de opgemaakte overeenkomsten niet de werkelijkheid weergaven en om die reden als vals zijn aangemerkt. De onderhavige zaak verschilt volgens het openbaar ministerie in essentie niet van die twee zaken.

In de Klimopzaak ging het om, zoals het Amsterdamse hof het formuleert, een "opzetje" om een pakket onroerende goederen, ondanks de contractuele bepaling dat dit zou worden gebruikt als "beleggingsobject voor de verhuur", binnen enkele minuten na aankoop door een stroman door te laten leveren aan een van de verdachten in die zaak. De stroman ontving voor die enkele minuten durende bemiddeling € 2.000.000,-. De verdachte notaris had de aankoop begeleid en kende alle bijzonderheden. De Hoge Raad oordeelde: "Gelet op die specifieke feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, heeft het Hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van de koopovereenkomst zoals onder 3 bewezen verklaard, alsmede dat verdachtes opzet daarop was gericht." Van ook maar enigszins vergelijkbare omstandigheden met de onderhavige zaak is geen sprake. In het bijzonder geldt dat in de onderhavige zaak geen sprake is van doorlevering binnen enkele minuten en evenmin van een exorbitante vergoeding voor de tussenpersoon. Het zijn echter juist die twee omstandigheden die de Klimopzaak zo specifiek maakten dat het hof de genoemde contractuele bepaling als een valsheid heeft aangemerkt en de Hoge Raad dat, geheel op het geval toegesneden oordeel van het hof, overeind heeft gelaten.

In de Ecowoodzaak6 is bewezen verklaard valsheid in geschrift eruit bestaande dat in een zogenaamde "Escrowovereenkomst" een bepaling is opgenomen inhoudende de verplichting ontvangen gelden te reserveren op een bij de notaris aan te houden kwaliteitsrekening. Die opname is als valsheid aangemerkt, maar de specifieke feiten en omstandigheden op grond waarvan dat is gebeurd zijn in de bewezenverklaring niet opgenomen en in het arrest ook overigens niet benoemd of uitgewerkt zodat vergelijking met de onderhavige zaak reeds daarom niet mogelijk is.

Indien tot slot ervan zou moeten worden uitgegaan dat verdachte als notaris tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door mee te werken aan het opstellen van de stukken in kwestie - het openbaar ministerie heeft zich in hoger beroep op dat standpunt gesteld, verwijzend naar een uitgebracht "Deskundigenrapport notariaat inzake onderzoek Peseta" - doet ook dat gegeven nog steeds niet af aan de materiële juistheid van die stukken.

De slotsom is dat niet bewezen kan worden dat de stukken in kwestie vals zijn zodat vrijspraak moet volgen van de feiten 3A en 3B.

5.2.

Feit 2: witwassen

Valsheid in geschrift

In feit 2 is tenlastegelegd het witwassen van een drietal7 woningen en de bij de doorverkoop door de tussenpersoon (B) aan de uiteindelijke koper (C) gerealiseerde verkoopopbrengst. Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, de stelling verdedigd dat het misdrijf waaruit woningen en verkoopopbrengst telkens afkomstig waren de valsheid in geschrift is die in de tenlastegelegde feiten 3A en/of 3B is neergelegd. Zoals hiervoor uiteengezet is die gestelde valsheid in geschrift niet bewijsbaar en wordt daarvan vrijgesproken. De aangevoerde misdrijfgrond kan een veroordeling voor witwassen dus niet dragen.

Oplichting

De rechtbank heeft met de officier van justitie aangenomen dat sprake is geweest van oplichting van de woningbouwvereniging en die oplichting aangemerkt als het (grond)misdrijf waaruit woningen en (uiteindelijke) verkoopopbrengst afkomstig waren.

Bij oplichting staat centraal de eis dat sprake moet zijn van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Het begrip "wederrechtelijk" is in de wet niet nader uitgewerkt. De literatuur is (enigszins) verdeeld8. De essentie van de wederrechtelijkheid is, zo valt uit die literatuur niettemin wel af te leiden, dat gehandeld is zonder dat daartoe recht of bevoegdheid bestond dan wel, bij handelen in strijd met dat recht of die bevoegdheid, zonder dat daartoe een rechtvaardigingsgrond bestond. Voorts geldt dat gebruikmaking van een recht of een bevoegdheid zijn grens altijd vindt in het misbruik ervan.

[medeverdachte] had, net als ieder ander, het recht een woning te kopen van de woningbouwvereniging. De bevoegdheid daartoe kwam hem ook toe nu van enige bevoegdheidsbeperking aan zijn zijde niet is gebleken. De te beantwoorden vraag is daarom of [medeverdachte] misbruik van dit recht of deze bevoegdheid heeft gemaakt. Dat misbruik zou er dan in gelegen moeten zijn dat [medeverdachte] , door via een tussenpersoon woningen te kopen van de woningbouwvereniging en deze vervolgens door te verkopen, winst heeft kunnen maken op de gekochte woningen. Daarbij wordt veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de woningbouwvereniging daadwerkelijk niet aan [medeverdachte] wilde verkopen en daadwerkelijk bezwaren had tegen doorverkoop van de woningen én dat [medeverdachte] en verdachte hebben samengewerkt als medeplegers.

Voor de beantwoording van de hiervoor genoemde vraag zijn de volgende aspecten van belang. Voorop staat dat het enkele feit dat het eindresultaat (doorverkoop door [medeverdachte] ) door de woningbouwvereniging niet werd gewild, niet de conclusie van misbruik van bevoegdheid door [medeverdachte] rechtvaardigt. Het met behulp van de tussenpersoon bereikte resultaat (doorverkoop door [medeverdachte] en het daarbij maken van winst) was voorts niet een door de wet verboden resultaat. Het was ook niet een resultaat dat door de woningbouwvereniging contractueel was verboden of uitgesloten. Want ondanks het feit dat de woningen ongeveer 15% beneden de marktwaarde werden verkocht, was van een overeengekomen anti-speculatiebeding of verbod tot doorverkoop immers geen sprake. Een algemene spreekplicht inhoudende dat iemand die voor een ander koopt altijd zijn opdrachtgever moet noemen bestaat niet. Op [medeverdachte] rustte dus geen rechtsplicht de woningbouwvereniging eigener beweging te informeren over het feit dat hij, via een tussenpersoon, de woningen kocht voor handelsdoeleinden. Evenmin rust op iedere burger de plicht om mee te werken aan de uitvoering van het beleid van woningbouwverenigingen dat gericht is op verkoop van het woningbezit van die vereniging aan huurders of starters op de woningmarkt, hoe maatschappelijk verantwoord en/of gewenst een dergelijk beleid ook algemeen gevonden kan worden. De verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige uitvoering van dat beleid rust bij de woningbouwvereniging zelf. Van ongelijkwaardige verhoudingen was geen sprake: de woningbouwvereniging was een minstens zo’n volwaardige partij op de onroerend goedmarkt als [medeverdachte] . Bovendien had de woningbouwvereniging zich bij de verkoop voorzien van deskundige makelaarsbijstand. Van een bijzondere vertrouwensrelatie tussen partijen, die onder omstandigheden kan nopen tot spreken, was geen sprake. Van enig onderzoek door de woningbouwvereniging naar de persoon van de koper en/of de beleidsconformiteit van de voorgenomen verkoop is niet gebleken. Tot slot geldt dat [medeverdachte] aan de woningbouwvereniging de overeengekomen prijs voor de woning heeft betaald.

Al deze factoren in onderling verband bezien maken dat bezwaarlijk gezegd kan worden dat [medeverdachte] zijn bevoegdheid heeft misbruikt. De bevoordeling van [medeverdachte] was dus niet wederrechtelijk. Ook oplichting komt daarom niet in aanmerking als grondmisdrijf voor het gestelde witwassen.

Ander grondmisdrijf

Van andere misdrijven die voldoende concreet uit het dossier zijn af te leiden is voorts niet gebleken. Het openbaar ministerie heeft wel gewezen op het aantreffen van een hennepplantage in een enkel pand waarbij [medeverdachte] betrokkenheid zou hebben gehad, maar dat is, zoals het openbaar ministerie zelf ook erkent, onvoldoende om bewezen te kunnen achten dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt. Hetzelfde geldt voor de door het openbaar ministerie gesignaleerde huisvesting van illegalen. Hennepteelt of illegalenhuisvesting kunnen dan ook evenmin dienen als grondmisdrijf voor het witwassen van de nu besproken panden.

Slotsom

De conclusie is dat vrijspraak van feit 2 moet volgen.

5.3.

Feit 1

Verdachte wordt vrijgesproken van de feiten 2, 3A en 3B. In zoverre bestaan derhalve geen aanknopingspunten voor deelname door hem aan een criminele organisatie. Dat verdachte zijn ministerie met betrekking tot de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft verleend teneinde een criminele organisatie als notaris te faciliteren blijkt niet uit het dossier. Ook overigens zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden voor enige bijdrage van verdachte aan een criminele organisatie. Van dit feit dient verdachte dus eveneens te worden vrijgesproken.

Verweren aangaande vormverzuimen (359a Sv)

Gelet op het feit dat verdachte van de gehele tenlastelegging wordt vrijgesproken, behoeven de formele verweren die in het kader van artikel 359a Sv door de verdediging zijn gevoerd, geen bespreking.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

Gelet op het feit dat verdachte van de gehele tenlastelegging wordt vrijgesproken, behoeft het door de verdediging voorwaardelijk geformuleerde getuigenverzoek evenmin bespreking.

Vordering van de benadeelde partij ING Bank (feit 2)

De benadeelde partij, in de persoon van [benadeelde 1] , heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 705.355,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

Vordering van de benadeelde partij SNS Reaal (feit 2)

De benadeelde partij, in de persoon van [benadeelde 2] , heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 126.834,73. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3A en 3B ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij ING Bank

Verklaart de benadeelde partij ING Bank in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij SNS Reaal

Verklaart de benadeelde partij SNS Reaal in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen, griffier,

en op 13 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Aangifte P.P.M. [directeur] , directeur woningbouwvereniging [naam 1] , ZD 45, p. 2209

2 Het hof spreekt verder over verkopen door de woningbouwvereniging.

3 Uitzondering geldt voor ZD 56, [adres 1] ; in die zaak is geen hypotheekakte opgemaakt door verdachte; reeds op die grond moet, conform de eis in hoger beroep van het openbaar ministerie, van dit onderdeel worden vrijgesproken. In het vervolg van dit vonnis gaat het dus nog slechts om de hypotheekakten met betrekking tot de woningen [adres 2] (ZD 45), [adres 3] (ZD 49) en [adres 4] (ZD 119).

4 Verdachte ontleent deze stelling aan het bij pleidooi in hoger beroep overgelegde "Convenant verkoop sociale huurwoningen 2002 - 2007".

5 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1392

6 Een kopie van dat arrest is in het dossier gevoegd.

7 Zie noot 3

8 Voor een overzicht daarvan wordt verwezen naar de conclusie van AG Aben d.d. 11 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1043, p. 12-14