Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:2003

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
21-001243-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:606, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Peseta. Huurbeding. Eventueel bestaande intentie huurbeding niet na te komen levert geen valsheid in geschrift op bij desondanks opnemen daarvan in geschrift met bewijsbestemming. Verschoningsrecht. Bruikbaarheid en betrouwbaarheid van verklaring getuige die zich op verschoningsrecht heeft beroepen. Als leider deelnemen aan criminele organisatie door niet in te grijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001243-15

Uitspraak d.d.: 13 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 februari 2015 met parketnummer 07-662621-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 februari 2016, 21 april 2016, 3 november 2016, 9 november 2016, 23 november 2016, 25 november 2016, 27 februari 2017 en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake de feiten 1, 2 en 3.A tot en met 3.E tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte wordt ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep 'financieel-/hypotheekadviseur' voor de duur van 7 jaren en dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. K. Canatan, naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van feiten 2.B en 3.B tot en met 3.J en verdachte veroordeeld ter zake de feiten 1, 2.A en 3.A tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek. Voorts heeft de rechtbank verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van financieel adviseur en hypotheekadviseur gedurende een periode van 8 jaar. De vordering van de benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

De officier van justitie heeft het hoger beroep niet bij akte beperkt. Uit de op 12 maart 2015 ingediende appelschriftuur en hetgeen de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof op 23 november 2016 heeft medegedeeld over de omvang van het appel, blijkt evenwel dat de grieven zich niet richten tegen de partiële vrijspraak ter zake de feiten 2.B, 3.F, 3.G, 3.H, 3.I en 3.J.

Nu er van de zijde van het openbaar ministerie geen grieven als bedoeld in artikel 410, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zijn ingediend tegen deze vrijspraken en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van deze feiten noodzakelijk maken, zal het hof de officier van justitie op grond van het bepaalde in artikel 416, derde lid Sv niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van het hoger beroep.

Het hoger beroep van verdachte is eveneens onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen voornoemde partiële vrijspraken. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen voornoemde vrijspraken.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:

1

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of [gemeente 3] , althans in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van valsheid in geschrift ten behoeve van hypotheekfraude en/of vastgoedfraude en/of het verschaffen van verblijf/woonruimte aan illegale vreemdelingen in Nederland en/of het plegen van witwassen en/of het plegen van geweldsdelicten en/of bedreigen met geweldsdelicten, aan welke organisatie hij, verdachte heeft leiding gegeven.

2 A

de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) mededaders, althans alleen,

onderstaande voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt gemaakt, te weten

- (een) onroerende za(a)k(en)/woning(en) gelegen aan de [adres 1] (zaak 237) en/of [adres 2] (zaak 244) en/of [adres 3] (zaak 262) en/of [adres 4] (zaak 319)

en/of

- (een) geldbedrag(en) van 154.775 Euro (hypothecaire lening zaak 237) en/of 125.000 Euro (hypothecaire lening zaak 244) en/of 117.170 Euro (hypothecaire lening zaak 262) en/of 20.000 Euro of 14.875 Euro (bouwdepot uit de hypothecaire lening van het pand [adres 5] ; zaak 255) en/of 303.750 Euro (hypothecaire lening zaak 319), althans enig geldbedrag,

terwijl de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerpen) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

3

de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) mededaders, althans alleen,

A.

een aanvraagformulier voor een hypothecaire geldlening (met als bijlage een onjuiste werkgeversverklaring en/of onjuiste salarisspecificatie) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, bestaande die valsheid uit het vermelden van onjuiste salarisgegevens en/of een onjuiste werkgever en/of een onjuiste opgave van (reeds bestaande) financiële verplichtingen en/of een onjuiste opgave van (reeds in eigendom zijnde) onroerende zaak/woning aan een bank ter financiering en verkrijging van een hypothecaire lening met betrekking tot de onroerende zaak/woning gelegen aan de [adres 4] (zaak 319),

en/of

B.

een hypotheekofferte en/of een hypotheekakte valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, bestaande die valsheid uit het door cliënte ( [medeverdachte 5] ) laten ondertekenen van een (door een werknemer van een van voornoemde BV's aangevraagde) hypotheekofferte m.b.t. pand [adres 1] , waarin was opgenomen dat het pand door de cliënte zelf zou worden bewoond en/of het laten ondertekenen van een hypotheekakte m.b.t. voornoemd pand, terwijl in die hypotheekakte een verbod was opgenomen tot verhuur van het pand zonder voorafgaande toestemming van de hypotheekverstrekker (zaak 237),

en/of

C.

een aanvraagformulier voor een hypotheek en/of een hypotheekakte valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, bestaande die valsheid uit het door cliënte ( [getuige 2] ) laten ondertekenen van een (door een werknemer van een van voornoemde BV-s opgesteld) aanvraagformulier voor een hypotheek m.b.t. het pand [adres 2] , in welk aanvraagformulier was opgenomen dat het pand door de cliënte zelf zou worden bewoond en/of het laten ondertekenen van een hypotheekakte m.b.t. voornoemd pand, terwijl in die hypotheekakte een verbod was opgenomen tot verhuur van het pand zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de hypotheekverstrekker (zaak 244),

en/of

D.

een aanvraagformulier voor een hypotheek en/of een hypotheekakte valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, bestaande die valsheid uit het voor cliënt ( [getuige 3] ) aanvragen van een hypotheek m.b.t. pand [adres 3] , waarbij in het aanvraagformulier was opgenomen dat het pand door de cliënt zelf zou worden bewoond en/of een hypotheekakte m.b.t. voornoemd pand heeft laten ondertekenen door genoemde [getuige 3] , terwijl in die hypotheekakte een verbod was opgenomen tot verhuur van het pand zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de hypotheekverstrekker (zaak 262),

en/of

E.

een hypotheekakte valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, bestaande die valsheid uit het door cliënten ( [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] ) laten ondertekenen van een hypotheekakte m.b.t. pand [adres 4] , terwijl in die hypotheekakte was opgenomen dat het pand door de cliënten zelf bewoond zou worden en dat een huurbeding gold (zijnde een verbod op verhuur) (zaak 319),

welk(e) geschrift (en) telkens bestemd was (waren) om tot bewijs van enig feit te dienen zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraakmotivering feiten 3.B tot en met 3.E

Onder de feiten 3.B tot en met 3.E wordt verdachte verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] plegen van valsheid in geschrift bij het aanvragen van hypotheken en in hypothecaire aktes betreffende een viertal panden, te weten de [adres 1] , de [adres 2] , de [adres 3] en de [adres 4] , alle gelegen in [gemeente 3] . De valsheid bestaat er ingevolge de tenlastelegging uit dat in aanvraagformulieren en/of hypotheekoffertes en/of hypotheekaktes is opgenomen dat de betrokken panden door de hypotheekgevers/schuldenaren zelf zouden worden bewoond en dat sprake was van een verbod tot verhuur van de panden zonder voorafgaande toestemming van de hypotheekverstrekker. Hoewel niet tenlastegelegd beoogt de steller van de tenlastelegging kennelijk tot uitdrukking te brengen dat op het moment van aanvragen van de hypotheek en het ondertekenen van de hypotheekakte al duidelijk was dat er geen sprake was en zou zijn van eigen bewoning en dat de panden, in strijd met het verbod van verhuur, wel degelijk zouden worden verhuurd.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie stelt zich, anders dan de rechtbank, op het standpunt dat verdachte veroordeeld dient te worden voor het hem onder 3.B tot en met 3.E tenlastegelegde. Het openbaar ministerie stelt hiertoe dat het ten tijde van het opmaken van de desbetreffende geschriften reeds bestaande voornemen de genoemde contractuele verplichtingen niet na te komen maakt dat de geschriften waarin die verplichtingen desondanks zijn vermeld valselijk zijn opgemaakt.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, omdat het tekenen van voornoemde stukken - waarbij de betrokkenheid van [bedrijf 1] (het laten tekenen) overigens door de verdediging uitdrukkelijk betwist wordt - niet als valsheid is aan te merken omdat dit geen bewijs is van een voornemen. De verdediging trekt een parallel met het delict oplichting. Daarbij geldt dat het enkele zich voordoen als betrouwbare contractspartij geen valse hoedanigheid oplevert. Waar het enkele zich voordoen als iemand die de woning zelf gaat bewonen dan wel als iemand die zich aan het huurbeding zal houden geen valse hoedanigheid zou opleveren (en dus geen oplichting) kan datzelfde feitencomplex ook geen valsheid in geschrift opleveren, ook niet indien van meet af aan het voornemen bestond de vastgelegde contractuele verplichtingen niet na te komen.

Beoordeling valsheid in geschrift

Bij de beoordeling wordt uitgegaan van de hypothese dat de betrokkenen van te voren wisten dat zij zich als contractspartij niet zouden houden aan het gebod van zelfbewoning of verbod tot verhuur.

Van valsheid in geschrift is, andere aspecten daargelaten, sprake indien het stuk in kwestie vals is, dat wil zeggen niet de werkelijkheid weergeeft.

Het doel van ondertekende stukken, zoals hypotheekoffertes en leverings- en hypotheekakten, is in het algemeen bewijs te leveren van het feit dat hetgeen partijen in die stukken verklaren daadwerkelijk door hen is verklaard. Tussen de bij de onderhavige stukken betrokkenen is telkens daadwerkelijk overeengekomen een verplichting het pand in kwestie zelf te bewonen dan wel een verbod op verhuur zonder voorafgaande toestemming van de hypotheekverstrekker (huurbeding). De stukken bevatten aldus een getrouwe weergave van de werkelijkheid.

Indien het al zo zou zijn dat reeds ten tijde van het ondertekenen van deze stukken het plan bestond de woning niet zelf te bewonen dan wel zonder toestemming van de hypotheekverstrekker die woning toch te verhuren doet dat aan de juiste weergave van de afspraken in de stukken op dat punt niet af. Ondanks die eventuele intentie van verdachte heeft deze immers, blijkens de stukken, de verplichting in kwestie telkens wel op zich genomen.

Het openbaar ministerie heeft nog gewezen op de beslissing van de Hoge Raad in de zogenaamde Klimopzaak1en die van dit hof van 20 januari 2015, parketnummer 21-001377-13 (Ecowood, niet gepubliceerd). De stelling is dat in die zaken, gelijk in de onderhavige, de situatie zich voordeed dat de opgemaakte overeenkomsten niet de werkelijkheid weergaven en om die reden als vals zijn aangemerkt. De onderhavige zaak verschilt volgens het openbaar ministerie in essentie niet van die twee zaken.

In de Klimopzaak ging het om, zoals het Amsterdamse hof het formuleert, een "opzetje" om een pakket onroerende goederen, ondanks de contractuele bepaling dat dit zou worden gebruikt als "beleggingsobject voor de verhuur", binnen enkele minuten na aankoop door een stroman door te laten leveren aan een van de verdachten in die zaak. De stroman ontving voor die enkele minuten durende bemiddeling € 2.000.000,-. De verdachte notaris had de aankoop begeleid en kende alle bijzonderheden. De Hoge Raad oordeelde: "Gelet op die specifieke feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, heeft het Hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van de koopovereenkomst zoals onder 3 bewezen verklaard, alsmede dat verdachtes opzet daarop was gericht." Van ook maar enigszins vergelijkbare omstandigheden met de onderhavige zaak is geen sprake. In het bijzonder geldt dat in de onderhavige zaak geen sprake is van doorlevering binnen enkele minuten en evenmin van een exorbitante vergoeding voor de tussenpersoon. Het zijn echter juist die twee omstandigheden die de Klimopzaak zo specifiek maakten dat het hof de genoemde contractuele bepaling als een valsheid heeft aangemerkt en de Hoge Raad dat, geheel op het geval toegesneden oordeel van het hof, overeind heeft gelaten.

In de Ecowoodzaak2 is bewezen verklaard valsheid in geschrift eruit bestaande dat in een zogenaamde "Escrowovereenkomst" een bepaling is opgenomen inhoudende de verplichting ontvangen gelden te reserveren op een bij de notaris aan te houden kwaliteitsrekening. Die opname is als valsheid aangemerkt, maar de specifieke feiten en omstandigheden op grond waarvan dat is gebeurd zijn in de bewezenverklaring niet opgenomen en in het arrest ook overigens niet benoemd of uitgewerkt zodat vergelijking met de onderhavige zaak reeds daarom niet mogelijk is.

De slotsom is dat niet bewezen kan worden dat de stukken in kwestie vals zijn zodat vrijspraak moet volgen van de thans besproken feit 3.B tot en met 3.E.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het onder 1, 2.A en 3.A tenlastegelegde worden weerlegd door hetgeen in de bewijsoverwegingen dienaangaande hieronder is opgenomen en de gebezigde bewijsmiddelen zoals die uit bijlage 1 bij dit arrest blijken. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt het hof omtrent de door de raadsman gevoerde verweren met betrekking tot deze bewijsmiddelen nog het volgende.

Verweer bruikbaarheid en betrouwbaarheid verklaring getuige [getuige 1]

De raadsman stelt zich - tegen de achtergrond van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), 15 december 2011, Al Khawaja en Tahery tegen Verenigd Koninkrijk, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRM, 10 juli 2012, Vidgen tegen Nederland, nr. 29353/06 en EHRM, 17 april 2014, Schatschaschwili tegen Duitsland, nr. 9154/10 - op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten die nog aan de orde zijn, onder meer omdat de verklaringen van [getuige 1] in verband met schending van art. 6, derde lid onder d, EVRM dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdediging is niet in de gelegenheid geweest om [getuige 1] te ondervragen aangezien hij zich steeds op zijn verschoningsrecht heeft beroepen tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris. Voorts is het bewijs in overwegende mate gebaseerd op de verklaringen van [getuige 1] . Bovendien zijn aan de verdediging niet voldoende andere adequate mogelijkheden geboden om de verklaringen van [getuige 1] te toetsen, nu de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , in tegenstelling tot wat zij bij de politie hebben verklaard, bij de raadsheer-commissaris niet langer belastend over verdachte verklaarden. [getuige 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard te hebben gelogen tijdens haar verklaring bij de politie, terwijl [getuige 3] bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard onder druk zaken misschien anders te hebben weergegeven dan bedoeld en dat hij de factuur te tekenen kreeg van de adviseur en dat het niet verdachte was die hem de factuur liet tekenen. Derhalve hebben de verhoren bij de raadsheer-commissaris alleen maar meer vragen opgeroepen over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van [getuige 1] en diens verklaringen, zodat de verdediging alleen nog maar meer belang heeft gekregen om, als de verklaringen van [getuige 1] wel voor het bewijs gebruikt zouden worden, in ieder geval nog in de gelegenheid gesteld te worden nadere getuigen te horen zoals subsidiair verzocht.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [getuige 1] bruikbaar is voor het bewijs en tevens als betrouwbaar is aan te merken.

Beoordeling hof

Het hof onderscheidt de vraag of de verklaringen van [getuige 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs vanwege onbruikbaarheid nu er sprake zou zijn geweest van een gebrek aan mogelijkheden om de betrouwbaarheid ervan te toetsen van de vraag of deze verklaringen als betrouwbaar aangemerkt kunnen worden.

De bruikbaarheid van de verklaringen van [getuige 1]

In het licht van de uitspraak EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071, NJ 2012/649 nr. 29353/06 (Vidgen tegen Nederland), geldt in een geval als het onderhavige, waarin de op verzoek van de verdediging opgeroepen en bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris verschenen getuige op grond van het hem toekomende verschoningsrecht heeft geweigerd antwoord te geven op de hem gestelde vragen, dat de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende, verklaring.

Volgens vaste jurisprudentie staat art. 6 EVRM echter niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring, indien de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (Vgl. HR 10 januari 2012, LJN BU3486, NJ 2012/149, rov. 2.3, m.nt. Sch).

Het bewijs van de betrokkenheid van verdachte berust - anders dan de raadsman heeft betoogd – niet alleen of in beslissende mate (‘solely or to a decisive degree’) op de verklaringen van [getuige 1] . De door de verdediging gelaakte verklaringen vormen namelijk niet het enige of in beslissende mate het bewijs voor de feiten die het hof hierna bewezen zal verklaren, zoals zal blijken uit de nadere overwegingen en uit de te bezigen bewijsmiddelen. Het hof doelt hierbij, naast de valse werkgeversverklaring van [medeverdachte 1] en verdachtes eigen verklaring over zijn rol binnen [bedrijf 1] , in bijzonder op de in het dossier aanwezige verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Met deze bewijsmiddelen kan op zich reeds directe betrokkenheid bij en wetenschap van strafbare gedragingen aan de zijde van verdachte bewezen worden.

Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat, ook wanneer de verklaring van een getuige die niet gehoord is kunnen worden door de verdediging niet alleen of in beslissende mate bepalend is voor het bewijs, niettemin onder omstandigheden de vraag aan de orde kan zijn of er voldoende compenserende factoren zijn geboden die een eerlijke en adequate beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaring mogelijk maken. In casu zijn echter voldoende compenserende factoren geboden. Immers, de verdediging heeft de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] bevraagd en deze getuigen hebben op die vragen ook antwoord gegeven. Nu deze verklaringen bovendien betrekking hebben op die onderdelen van de verklaring van [getuige 1] die door verdachte zijn betwist, heeft de verdediging in voldoende mate de gelegenheid gehad de verklaringen van [getuige 1] op betrouwbaarheid te toetsen.

De verklaring van de getuige [getuige 1] kan gebruikt worden voor het bewijs.

De betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1]

is gedurende het voorbereidend onderzoek veelvuldig gehoord door de politie. Uit het verloop van die verhoren blijkt dat hij volledig heeft meegewerkt tijdens de verhoren. Daarbij heeft hij niet alleen belastend verklaard over verdachte, maar ook over zichzelf. Gelet op de verklaringen van verdachte heeft het hof er rekening mee gehouden dat mogelijk niet kon worden uitgesloten dat [getuige 1] heeft getracht zijn eigen rol bij de gang van zaken te bagatelliseren. Echter, de verklaringen van [getuige 1] vinden voldoende verankering in verdachtes eigen verklaringen zoals hij die heeft afgelegd bij de politie en ter terechtzitting van het hof, alsmede in de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zoals zij die aanvankelijk bij de politie hebben afgelegd.

De omstandigheid dat getuige [getuige 2] tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft gezegd over de betrokkenheid van verdachte te hebben gelogen bij de politie maakt dat niet anders. Tijdens deze verklaring kon de getuige, daarnaar gevraagd, niet uitleggen waarom zij bij de politie gelogen zou hebben en evenmin uitleggen waarom zij ten tijde van haar verhoor bij de raadsheer-commissaris niet langer wilde liegen. Nu het hof ook ambtshalve geen aanleiding heeft kunnen vinden voor redenen waarom deze getuige niet de waarheid heeft verklaard bij de politie, terwijl haar verklaring daar wel als gedetailleerd aangemerkt kan worden, acht het hof haar verklaring bij de politie betrouwbaar. [getuige 3] heeft tijdens het verhoor bij de politie op 29 november 2011 verklaard dat hij verdachte op de hoogte hield van waar hij mee bezig was met betrekking tot [bedrijf 1] en dat verdachte wist wat zijn adviseurs deden. Dat [getuige 3] , vanwege – naar zijn zeggen - de verhoorsituatie, per ongeluk het verkeerde antwoord op de betreffende vraag zou hebben gegeven, acht het hof niet aannemelijk.

Het hof acht de verklaring van [getuige 1] op deze gronden betrouwbaar en ook in die zin dus bruikbaar voor het bewijs.

Bewijsoverweging feit 3.A

Tenlastelegging

Onder feit 3.A is valsheid in geschrift tenlastegelegd. Die valsheid bestaat er ingevolge de tenlastelegging uit dat [bedrijf 1] , al dan niet in vereniging met een ander/anderen (een) aanvraagformulier(en) en/of werkgeversverklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, aan welke gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven. Dit alles met betrekking tot de woning aan de [adres 4] in [gemeente 3] . Deze valse stukken zijn vervolgens gebruikt bij het aanvragen van hypothecaire leningen (incl. bouwdepots) bij Direktbank N.V.

Feiten en omstandigheden

Medeverdachte [medeverdachte 1] en zijn partner [betrokkene 1] hebben op 18 mei 2004 een aanvraag voor een hypothecaire geldlening bij de Direktbank ingediend voor een te bouwen eengezinswoning aan [adres 6] , het latere adres: [adres 4] . [bedrijf 1] trad als bemiddelaar op bij deze hypotheekaanvraag. Contactpersoon was medewerker [betrokkene 2] .

Op het aanvraagformulier is ingevuld dat [medeverdachte 1] bij [bedrijf 1] een fulltime vast dienstverband heeft en dat zijn bruto jaarinkomen € 41.999,04 bedraagt. Op het aanvraagformulier wordt onder het kopje 'bijzonderheden' nog vermeld dat [medeverdachte 1] een tweede baan heeft, te weten een dienstverband voor onbepaalde tijd bij [bedrijf 2] in [gemeente 3] tegen een bruto jaarinkomen van € 20.000,--. Het aanvraagformulier is door [medeverdachte 1] en zijn partner ondertekend.

Van het hypotheekdossier maken twee werkgeversverklaringen deel uit, te weten een werkgeversverklaring van [bedrijf 2] en een werkgeversverklaring van [bedrijf 1] . Dat die werkgeversverklaring van [bedrijf 1] afkomstig is wordt afgeleid uit het gegeven dat daarop vermeld is dat eventueel contact kan worden opgenomen met [verdachte] , verdachte, op het telefoonnummer [nummer] . Verdachte was destijds een van de directieleden van [bedrijf 1] en het opgegeven telefoonnummer was van [bedrijf 1] . De werkgeversverklaring van [bedrijf 2] is op 10 mei 2004 ondertekend door [naam] en daaruit volgt dat [medeverdachte 1] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft tegen een bruto jaarsalaris (incl. vakantietoeslag en onregelmatigheidstoeslag) van € 19.283,90. De werkgeversverklaring van [bedrijf 1] is op 7 juli 2004 door verdachte ondertekend en daarin is vermeld dat [medeverdachte 1] sinds 1 januari 2004 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft en als adviseur in dienst is van [bedrijf 1] tegen een bruto jaarsalaris (incl. vakantietoeslag en vaste eindejaarsuitkering) van € 25.635,44.

Op voormeld aanvraagformulier is onder het kopje 'overige financiële verplichtingen' ingevuld dat hiervan geen sprake is.

Ten tijde van het ondertekenen van de aanvraag op 18 mei 2004 waren [medeverdachte 1] en zijn partner eigenaren van de woningen aan [adres 7] en de [adres 10] . Op deze woningen rustten hypotheken van respectievelijk € 226.000,00 en € 211.000,00.

De Direktbank heeft een hypothecaire lening verstrekt voor de hoofdsom van € 303.750,-- waar een bouwdepot van € 40.000,-- deel van uitmaakt.

In de salarisspecificatie van [bedrijf 1] over de maand juni 2004 is vermeld dat [medeverdachte 1] sinds 1 januari 2004 in dienst is tegen een bruto maandsalaris van € 1.836,35, zijnde netto een bedrag van € 1.350,56 (zd 319, p. 70).

Uit gegevens van de belastingdienst blijkt dat ter gelegenheid van de aangifte inkomstenbelasting 2004 één (bij de belastingdienst bekende) werkgever is opgegeven. Onder het kopje 'salaris' is een bruto jaarinkomen van € 18.756,-- opgegeven (zd 319, p. 72).

Tegenover de politie heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij van 2005 tot 2008 als back-office medewerker bij [bedrijf 1] werkzaam was. Met betrekking tot de werkgeversverklaring gedateerd 7 juli 2004 heeft [medeverdachte 1] tegenover de politie verklaard dat deze gebruikt is voor het verkrijgen van de hypothecaire lening voor de [adres 4] . Verdachte [verdachte] heeft dienaangaande tegenover de politie en als getuige tegenover het hof verklaard dat het zijn handtekening is die onder voornoemde werkgeversverklaring staat. Tegenover de politie heeft hij voorts verklaard dat [medeverdachte 1] als freelancer werkzaam was bij [bedrijf 1] en niet in loondienst was.

Op verzoek van de verdediging zijn in hoger beroep aan het dossier van verdachte toegevoegd de door de raadsman van verdachte, mr. Canatan, overgelegde grootboekkaarten van [bedrijf 1] over de jaren 2003 en 2004. Uit deze grootboekkaarten blijkt dat op 28 oktober 2003 en 13 mei 2004 bedragen van respectievelijk € 5.000,-- en € 2.871,36 als 'provisie' dan wel 'declaratie' aan [medeverdachte 1] zijn overgemaakt. Op 10 januari 2004 is er een bedrag van € 4.000,-- zonder omschrijving aan [medeverdachte 1] overgemaakt. Als 'salaris' is op 1 juli 2004, 2 augustus 2004 en 23 augustus 2004 telkens een bedrag van € 1.350,97 op het bankrekeningnummer dat [medeverdachte 1] toebehoort overgemaakt.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 3.A conform het vonnis van de rechtbank.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van het hem tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Meer specifiek heeft de verdediging betoogd dat de valsheid niet ziet op de werkgeversverklaring of salarisspecificatie, maar op het aanvraagformulier. Ten aanzien hiervan geldt dat bewijs ontbreekt dat er een bijlage aanwezig was bij het aanvraagformulier.

Beoordeling

Zoals hiervoor gememoreerd blijkt uit de overgelegde werkgeversverklaringen dat [medeverdachte 1] in 2002, 2003 en 2004 een vast dienstverband heeft gehad bij [bedrijf 2] . Hoewel uit het dossier op te maken is dat [medeverdachte 1] in deze periode op freelancebasis ook werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft verricht, is van een vast dienstverband van hem bij [bedrijf 1] vanaf 1 januari 2004 en op 7 juli 2004 (datum afgifte werkgeversverklaring [bedrijf 1] ) niet gebleken. [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij van 2005 tot 2008 werkzaam was bij [bedrijf 1] . Verdachte heeft tegenover de politie verklaard, nadat hem de werkgeversverklaring van 7 juli 2004 van [bedrijf 1] werd getoond, dat zijn handtekening op de werkgeversverklaring staat en dat [medeverdachte 1] freelancer was en niet in loondienst was van [bedrijf 1] . Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte deze verklaring ingetrokken en verklaard dat [medeverdachte 1] al vanaf 1 januari 2004 in dienst was bij [bedrijf 1] . Het hof acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig en gaat uit van de door verdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen nu deze steun vinden in het navolgende.

Aan de belastingdienst is in verband met de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004 door [medeverdachte 1] slechts één werkgever gemeld en is opgegeven een bruto jaarinkomen van € 18.765,--. De hoogte van dit bedrag past, afgezet tegen het op de werkgeversverklaring van [bedrijf 1] gestelde bruto jaarinkomen van € 25.635,44, meer bij het door [bedrijf 2] opgegeven bruto jaarinkomen van € 19.283,90 dan dat op de werkgeversverklaring van [bedrijf 1] vermelde bedrag. De verklaringen van [medeverdachte 1] vinden daarnaast steun in de omstandigheid dat uit de grootboekkaarten van [bedrijf 1] blijkt dat er in 2003 en 2004 twee bedragen met omschrijving 'provisie' en 'declaratie' aan [medeverdachte 1] zijn overgemaakt. Deze omschrijvingen passen bij betaling van een freelancer. In januari 2004 is er voorts nog een bedrag van € 4.000,-- overgemaakt, zonder omschrijving. De wisselingen in uitbetaling van voornoemde bedragen (zowel in data als in hoogte bedrag) zijn passend bij een freelancer.

Tot slot vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] steun in de verklaring die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd op het essentiële punt dat [medeverdachte 1] in januari 2004 niet in loondienst was van [bedrijf 1] maar als freelancer werkzaam was. Hoewel verdachte op deze verklaring later is teruggekomen, acht het hof deze verklaring, juist in het licht bezien van de verklaring van [medeverdachte 1] en de hiervoor vermelde omstandigheden geloofwaardig.

Door de verdediging is nog erop gewezen dat op de grootboekkaarten vanaf 1 juli 2004 betalingen voorkomen die als 'salaris' worden aangeduid, te weten op 1 juli 2004, 2 augustus 2004 en 23 augustus 2004. Dat gegeven tast het voorgaande echter niet aan omdat deze boekingen niet sporen met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en die boekingen zonder verdere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende zeggingskracht hebben om de conclusie die op basis van die eerder genoemde bewijsmiddelen is getrokken, te weten dat ten tijde van het ondertekenen van de werkgeversverklaring op 7 juli 2004 geen sprake was van een vast dienstverband, aan te tasten.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat het door bemiddeling van [bedrijf 1] opgemaakte, door [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] ondertekende en door bemiddeling van [bedrijf 1] aan de Direktbank toegezonden aanvraagformulier van 18 mei 2004 voor een hypothecaire geldlening voor de woning aan de [adres 4] valselijk is opgemaakt, in die zin dat daarin een onjuiste opgave is gedaan van salarisgegevens, werkgever en financiële verplichtingen. Dit document is door tussenkomst van [bedrijf 1] aan Direktbank overgelegd ter verkrijging van een hypothecaire geldlening. Daaruit blijkt dat dit formulier is opgemaakt met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te gebruiken. Nu in het aanvraagformulier niet wordt verzocht om opgave van reeds in eigendom zijnde onroerende zaken of woningen, zal van dit deel van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De vraag is vervolgens of de gedragingen van [betrokkene 2] in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan [bedrijf 1] .

De [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) hielden zich bezig met financiële dienstverlening. De werkzaamheden bestonden uit het regelen van hypotheken en verzekeringen. [betrokkene 2] was ten tijde van de onder 3.A verweten gedragingen werkzaam binnen [bedrijf 1] . Het handelen van [betrokkene 2] vond binnen dat kader plaats en werd door [bedrijf 1] aangestuurd. De onder 3.A verweten gedragingen pasten derhalve binnen de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , zijn [bedrijf 1] dienstig geweest en kunnen worden aangemerkt als te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtsperso(o)n(en). De gedragingen kunnen in redelijkheid worden toegerekend aan [bedrijf 1] en het hof is daarbij van oordeel dat de rechtsperso(o)n(en) het voor een bewezenverklaring benodigde opzet heeft gehad én het oogmerk van wederechtelijke bevoordeling. Nu bewezen is dat [bedrijf 1] strafbare feiten heeft begaan, komt aan de orde of verdachte daarvoor als feitelijk leidinggevende strafrechtelijk aansprakelijk is.

Uit het dossier blijkt dat verdachte degene was die de regie voerde binnen [bedrijf 1] en eindverantwoordelijk was. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij [bedrijf 1] en nadien [bedrijf 1] heeft opgericht en dat hij eigenaar en algemeen directeur was. De letters [bedrijf 1] staan voor [verdachte] . Verdachte spreekt over ‘mijn medewerkers’ en hij was ook degene die, wanneer zaken niet goed liepen, adviseurs ontsloeg. Dat verdachte ook concreet sturing heeft gegeven aan het dagelijks werk van de hypotheekadviseurs blijkt onder meer uit zijn verklaring dat hij een door de medewerkers te gebruiken checklist heeft ontwikkeld voor de opbouw van hypotheekdossiers, zodat in ieder dossier ‘alle belangrijke punten aan de orde kwamen en de medewerkers op de juiste momenten de juiste handelingen verrichtten zodat het proces goed en tijdig verliep’3. Een en ander komt overeen met de sturende rol die [getuige 1] verdachte toedicht ten aanzien van hypotheekaanvragen. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte betrokken was bij gedachtenvorming rondom mogelijkheden om binnen een hypotheek een bouwdepot aan te vragen en dit met valse facturen uitbetaald te krijgen, zonder dat geld (volledig) aan een verbouwing te besteden. Dat verdachte zich ook zelf aan frauduleuze gedragingen schuldig maakte, volgt uit het feit dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot de onderhavige aanvraag voor een hypotheek. Verdachte heeft immers namens [bedrijf 1] de werkgeversverklaring van [medeverdachte 1] ingevuld en daarop in strijd met de waarheid vermeld dat [medeverdachte 1] per 1 januari 2004 in dienst was bij [bedrijf 1] . Verdachte wist dat het opmaken van een valse werkgeversverklaring uit zou monden in een valse hypotheekaanvraag. Verdachte heeft dan ook niet alleen aanvaard en bevorderd dat de verboden gedragingen zich voordeden, maar deze ook binnen het verband van [bedrijf 1] zelf begaan.

Daarbij geldt dat verdachte eind 2002 door een medewerker van de SNS Bank is gewezen op een aantal gevallen van fraude bij de aanvraag van hypotheken. Verdachte heeft erkend dat daarvan toen sprake was4. Verdachte wees in die brief zelf, onder andere, als oorzaak aan het door [bedrijf 1] gebruik maken van freelancers en schreef dat aan dat gebruik inmiddels een einde was gekomen. Gebleken is echter, anders dan door verdachte gesteld, dat geen eind was gekomen aan het inzetten van freelancers. Zoals hiervoor uiteengezet was [medeverdachte 1] immers ook na 18 februari 2003 nog geruime tijd als freelancer werkzaam voor [bedrijf 1] . Van enige vervolgactiviteit van verdachte gericht op voorkoming van nieuwe fraudegevallen is niets gebleken terwijl de aard van zijn bedrijf fraudegevoelig was, niet slechts doordat daarin ook op provisiebasis gewerkt werd (hetgeen de betrokkenen een sterk eigen belang gaf bij het afsluiten van hypotheken), maar ook omdat productie een centrale doelstelling5 was en ook (te sterke) productiefocus het risico van fraude meebrengt.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte feitelijk zeggenschap had binnen [bedrijf 1] , dat hij wetenschap had van fraudegevallen, dat hij oorzaken daarvan heeft onderkend maar aangekondigde maatregelen desondanks achterwege heeft gelaten, dat hij bovendien persoonlijk betrokken was bij de fraude rondom de werkgeversverklaring van [medeverdachte 1] en dat uit dat samenstel van feiten blijkt dat hij het voor een bewezenverklaring vereiste opzet had op het plaatsvinden van de verboden gedragingen.

Bewijsoverweging feit 2.A

Tenlastelegging

Onder feit 2.A wordt verdachte verweten dat [bedrijf 1] de uit misdrijf afkomstige hypothecaire geldleningen, waaronder bouwdepots, én woningen aan de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] in [gemeente 3] - zoals onder de feiten 3.A tot en met 3.E is tenlastegelegd - heeft witgewassen en dat verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven. Voorts wordt verdachte verweten een bouwdepot uit de hypothecaire lening van het pand [adres 5] in [gemeente 3] te hebben witgewassen.

Standpunt openbaar ministerie

Gelet op het ingenomen standpunt ten aanzien van feit 3.A, stelt het openbaar ministerie zich met betrekking tot de woning aan de [adres 4] op het standpunt dat verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan de volgende witwashandelingen:

- verwerven, voorhanden hebben en gebruik maken van geldbedragen die op grond van de hypotheekaanvragen zijn verkregen, te weten van € 303.750,--;

- verwerven, voorhanden hebben en gebruik maken van de verkregen hypothecaire leningen voor de financiering van de aanschaf van twee panden;

- verwerven, voorhanden hebben en gebruik maken van de gelden van de 'bouwdepots' van de verkregen hypothecaire leningen.

Gelet op het ingenomen standpunt ten aanzien van de feiten 3.B tot en met 3.E, heeft verdachte zich naar het oordeel van het openbaar ministerie voorts schuldig gemaakt aan witwassen van geldleningen en woningen aan de [adres 2] en [adres 1] en [adres 3] . Ten aanzien van het verwijt van het witwassen van een bouwdepot uit de hypothecaire lening van het pand [adres 5] heeft het openbaar ministerie zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Standpunt verdediging

Gelet op het ingenomen standpunt ten aanzien van feit 3.A stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte ook van het tenlastegelegde witwassen moet worden vrijgesproken.

Gelet op het ingenomen standpunt ten aanzien van de feiten 3.B tot en met 3.E heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte tevens vrijgesproken dient te worden van het witwassen van de geldleningen en woningen. Dat geldt ook voor het bouwdepot uit de hypothecaire lening van het pand [adres 5] in [gemeente 3] .

Beoordeling

Hypothecaire lening, woning en bouwdepot [adres 4]

Het hof heeft verdachte vrijgesproken van valsheid in geschrift ten aanzien van feit 3.E. Zoals hiervoor overwogen, acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen dat een medewerker van [bedrijf 1] , [betrokkene 2] , zich samen met [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift, in die zin dat het ter verkrijging van de hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning aan de [adres 4] bij de betreffende hypotheekaanvraag overgelegde aanvraagformulier valselijk is opgemaakt. Verdachte heeft aan deze strafbare gedraging feitelijk leidinggegeven, zoals in voorgaande is overwogen. Op basis van voornoemd geschrift is door [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] een hypothecaire geldlening (inclusief bouwdepot) en woning verworven/verkregen van € 303.750,--. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres 4] heeft verhuurd. Het hof stelt vast dat hij, samen met zijn partner [betrokkene 1] , kennelijk huurinkomsten heeft genoten. Zij hebben zich mitsdien ook schuldig gemaakt aan het gebruiken van de uit misdrijf afkomstige woning en derhalve aan het omzetten en overdragen van uit misdrijf afkomstige gelden.

In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor feitelijke betrokkenheid van [betrokkene 2] , dan wel (een andere medewerker van) [bedrijf 1] bij het verkrijgen/verwerven van de hypothecaire lening (inclusief bouwdepot) en de woning. De strafbare gedragingen van [betrokkene 2] zijn beperkt gebleven tot de voorfase, namelijk de valsheid in geschrift gericht op het verkrijgen van de hypothecaire geldlening (inclusief bouwdepot) en woning. De enkele wetenschap van [betrokkene 2] dat de hypothecaire lening (inclusief bouwdepot) en woning vervolgens door valsheid in geschrift zouden worden verkregen - en dus uit misdrijf afkomstig zijn - is onvoldoende om van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het verwerven en voorhanden hebben van deze voorwerpen te kunnen spreken. Het dossier bevat evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de verhuur en het innen van de huurpenningen in nauwe en bewuste samenwerking met (een medewerker van) [bedrijf 1] heeft plaatsgevonden. Van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het gebruiken/omzetten/overdragen is mitsdien evenmin sprake.

Verdachte wordt van het witwassen van de hypothecaire lening, woning en bouwdepot ten aanzien van de [adres 4] vrijgesproken.

Hypothecaire leningen en woningen [adres 1] & [adres 3] en [adres 2]

Het hof spreekt verdachte vrij van de onder 3.B tot en met 3.D tenlastegelegde valsheid in geschrift ten aanzien van de verkrijging van hypothecaire geldleningen en woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . Nu verdachte van dit grondmisdrijf (valsheid in geschrift) is vrijgesproken en geen aanknopingspunten in het dossier aanwezig zijn voor het oordeel dat de geldleningen en woningen uit een ander misdrijf afkomstig zijn, wordt verdachte, conform het vonnis van de rechtbank, ook vrijgesproken van het witwassen en het schuldwitwassen van deze hypothecaire geldleningen en woningen.

Bouwdepots [adres 1] & [adres 3] , [adres 2]

De verdenking ziet er voorts op dat met behulp van valse facturen bouwdepots zijn leeggetrokken en de aldus verkregen bedragen dus zijn witgewassen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

[adres 1]

In het dossier bevindt zich een hypotheekakte van 29 maart 2007 betreffende de hypotheek ten behoeve van de woning aan de [adres 1] ten bedrage van € 154.775,--. De hypotheekverstrekker is Quion Hyptheekbemiddeling BV, handelend onder de naam Hypotrust en de aanvrager van de hypothecaire lening is [medeverdachte 5] . Blijkens deze akte is in deze hypothecaire geldlening een bedrag van € 17.000,-- opgenomen als bouwdepot.

In het dossier bevinden zich twee facturen van [bedrijf 4] , notanummers 20070601 en 20070625, ten bedrage van € 10.115,-- en € 7.140,--, welke voor akkoord zijn getekend door [medeverdachte 5] en waarop is vermeld dat de facturen contant zijn voldaan. Voorts bevinden zich in het dossier twee aan Hypotrust gerichte verzoeken tot uitbetaling van € 10.115,-- en € 7.140,-- op basis van voornoemde nota's met voornoemde notanummers.

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat zij voor de [adres 1] een bouwdepot heeft aangevraagd en dat [getuige 1] daartoe een factuur heeft geregeld. Zij heeft verklaard dat de verbouwingen zoals die op de factuur staan, niet hebben plaatsgevonden en dat de facturen alleen zijn opgemaakt om het bouwdepot leeg te halen. Zo kon zij haar persoonlijke lening inlossen en hoefde ze geen extra geld te lenen.

[getuige 1] was werkzaam bij [bedrijf 1] en heeft bevestigd dat de facturen slechts zijn opgemaakt om het bouwdepot leeg te trekken.

Aldus kan wettig en overtuigend worden bewezen dat [medeverdachte 5] en [getuige 1] zich in nauwe en bewuste samenwerking met verdachte schuldig hebben gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift.

Nu [medeverdachte 5] verklaard heeft dat op deze wijze vaker een bouwdepot is leeggetrokken waarbij de bank tot uitbetaling aan haar is overgegaan, gaat het hof ervan uit dat ook in dit specifieke geval de bank rechtstreeks aan [medeverdachte 5] heeft uitbetaald. [medeverdachte 5] heeft deze gelden verworven en voorhanden gehad en daarmee vervolgens persoonlijke leningen afgelost. Zij heeft zich mitsdien ook schuldig gemaakt aan het gebruiken van het uit misdrijf afkomstige bouwdepot en derhalve aan het omzetten en overdragen van uit misdrijf afkomstige gelden.

In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor feitelijke betrokkenheid van [getuige 1] , dan wel (een andere medewerker van) [bedrijf 1] bij het verkrijgen/verwerven dan wel gebruiken/overdragen/omzetten van de gelden uit het bouwdepot zelf. De strafbare gedragingen van [getuige 1] zijn beperkt gebleven tot de voorfase, namelijk het plegen van valsheid in geschrift gericht op de uitbetaling van het bouwdepot. De enkele wetenschap van [getuige 1] dat de gelden uit het bouwdepot door de valse factuur zouden worden verkregen - en daarmee uit misdrijf afkomstig zijn - is onvoldoende om van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het verwerven, voorhanden hebben, gebruiken en overdragen/omzetten van dit voorwerp te kunnen spreken.

Verdachte wordt mitsdien van het witwassen van het bouwdepot ten aanzien van de [adres 1] vrijgesproken.

[adres 3]

In het dossier bevindt zich een hypotheekakte van 13 april 2006 betreffende de hypotheek ten behoeve van de [adres 3] ten bedrage van € 117.170,--. Volgens de eerder uitgebrachte offerte van ING Bank, maakt hiervan onderdeel uit een bouwdepot van € 13.670,--.

In het dossier bevindt zich een factuur van aannemersbedrijf [getuige 5] d.d. 12 mei 2006 ten bedrage van € 13.685,--, ondertekend door [getuige 3] op 16 mei 2006, alsmede drie kwitanties betreffende door [getuige 5] van [getuige 3] ontvangen betalingen ten bedrage van € 5.500,--, € 6.300,-- en € 1.600,--.

[getuige 3] heeft hierover verklaard dat hij geld dat bestemd was voor verbouwingen niet helemaal gebruikt heeft voor die klussen en: "Volgens mij liet [verdachte] mij de factuur ondertekenen, omdat deze naar de ING Bank opgestuurd moest worden." [getuige 3] heeft hierover voorts verklaard: "Bij [bedrijf 1] werd wel gezegd dat het mogelijk was om een bouwdepot op te nemen om hiermee een schuld af te lossen".

Aldus kan wettig en overtuigend worden bewezen dat [getuige 3] en verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met verdachte schuldig hebben gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift.

In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor feitelijke betrokkenheid van verdachte, dan wel (een andere medewerker van) [bedrijf 1] bij het verkrijgen/verwerven dan wel gebruiken/overdragen/omzetten van de gelden uit het bouwdepot zelf. De strafbare gedragingen van verdachte zijn beperkt gebleven tot de voorfase, namelijk het plegen van valsheid in geschrift gericht op de uitbetaling van het bouwdepot. De enkele wetenschap van verdachte dat de gelden uit het bouwdepot door de valse factuur zouden worden verkregen - en daarmee uit misdrijf afkomstig zijn - is onvoldoende om van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het verwerven en voorhanden hebben van dit voorwerp te kunnen spreken.

Op grond van het dossier kan niet vastgesteld worden dat [getuige 3] - al dan niet in nauwe en bewuste samenwerking met verdachte - de geldbedragen vervolgens heeft omgezet/overgedragen of er gebruik van heeft gemaakt.

Verdachte wordt mitsdien van het witwassen van het bouwdepot ten aanzien van de [adres 3] vrijgesproken.

[adres 2]

In het dossier bevindt zich een factuur van [bedrijf 4] , notanummer 20070701 ten bedrage van € 10.115,--, welke voor akkoord is getekend door [getuige 2] en waarop is aangetekend dat de factuur contant is voldaan. Voorts bevindt zich in het dossier een verzoek aan Stater Nederland BV tot uitbetaling van € 10.115,--, op basis van voornoemde nota met voornoemd notanummer.

[getuige 2] heeft verklaard dat de verbouwingen zoals die op de factuur staan, nooit hebben plaatsgevonden. Over de constructie heeft zij verklaard: "Ik had meneer [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) verteld dat ik niet heel veel had gespaard en toen vertelde hij mij dat ik een zogenaamde verbouwing moest doen aan de woning aan de [adres 2] . Je zou dan daarvoor een bouwdepot aan kunnen vragen. Er is toen ook een bouwdepot aangevraagd ten bedrage van € 10.000,--. [verdachte] vertelde dit onder het mom van dat kun je met de woning op de Evertsenstraat wat extra's doen. [verdachte] heeft [getuige 1] te kennen gegeven dat hij hiermee verder moest brengen."

[getuige 2] is tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris van 11 juli 2016 teruggekomen op haar tegenover de politie afgelegde verklaring. Tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris kon de getuige, daarnaar gevraagd, niet uitleggen waarom zij bij de politie gelogen zou hebben en waarom zij ten tijde van haar verhoor bij de raadsheer-commissaris niet langer wilde liegen. Nu het hof ook ambtshalve geen redenen heeft kunnen vinden waarom deze getuige niet de waarheid zou hebben verklaard bij de politie, terwijl haar verklaring daar wel als gedetailleerd aangemerkt kan worden, acht het hof haar verklaring bij de politie betrouwbaar, temeer nu [getuige 1] de verklaring van [getuige 2] dat hij de factuur aan haar heeft gegeven om het geld uit het bouwdepot te krijgen heeft bevestigd.

Over de factuur heeft [getuige 2] meer specifiek verklaard: "Ik heb toen met [getuige 1] gesproken over het bouwdepot. [getuige 1] vertelde toen dat hij een factuur zou kunnen regelen (…) [getuige 1] vertelde mij dat de man de factuur maakte hiervoor 5% van het factuurbedrag wilde hebben (...) Ik heb deze factuur van [getuige 1] gekregen en vervolgens opgestuurd naar de bank om het geld uit het bouwdepot te krijgen. Ik heb deze factuur in augustus 2007 naar de bank gestuurd en in september 2007 heb ik het geld gekregen. Vervolgens heb ik op 13 november 2007 € 957,00 overgemaakt naar rekeningnummer 6337800. Dit nummer is volgens mij het rekeningnummer van [getuige 1] ."

Uit het vorenstaande volgt dat [getuige 1] en [getuige 2] zich in nauwe en bewuste samenwerking schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrift. De bank is op grond van valse facturen tot uitkering van het bouwdepot aan [getuige 2] overgegaan.

In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor feitelijke betrokkenheid van [getuige 1] , dan wel (een andere medewerker van) [bedrijf 1] bij het verkrijgen en verwerven van de gelden uit het bouwdepot zelf. De strafbare gedragingen van verdachte zijn beperkt gebleven tot de voorfase, namelijk het plegen van valsheid in geschrift gericht op de uitbetaling van de gelden van het bouwdepot. De enkele wetenschap van verdachte dat het bouwdepot door de valse factuur zou worden verkregen - en daarmee uit misdrijf afkomstig zou zijn - is onvoldoende om van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het verwerven en voorhanden hebben van dit voorwerp te kunnen spreken. Verdachte zal in zoverre van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

[getuige 1] laat zich echter vervolgens door [getuige 2] uit dat bouwdepot een bedrag van € 957,00 uitbetalen. Aldus maakt hij gebruik van uit misdrijf verkregen geld en maakt hij zich schuldig aan het medeplegen van witwassen. Gebruik maken van het meerdere is niet bewijsbaar omdat [getuige 2] en [getuige 1] onvoldoende specifiek verklaren over de besteding van dat meerdere. Ten aanzien van het aldus bewezen te verklaren deel van de tenlastelegging is het de vraag of deze strafbare gedragingen aan [bedrijf 1] - en aan verdachte - kunnen worden toegerekend. Deze vraag beantwoordt het hof onder het kopje 'feitelijk leidinggeven'.

[adres 5]

In het dossier bevindt zich een hypotheekakte van 21 januari 2005, betreffende de hypotheek ten behoeve van de woning aan de [adres 5] te [gemeente 3] ten bedrage van € 187.500,--. De hypotheekverstrekker is Quion Hypotheekbemiddeling BV en de aanvrager van de lening is [betrokkene 3] . Blijkens deze akte is in deze hypothecaire geldlening een bedrag van € 15.000,-- opgenomen als bouwdepot.

In het dossier bevindt zich een factuur van aannemersbedrijf [getuige 5] d.d. 15 februari 2005 ten bedrage van € 14.875,-- alsmede een aanvraag uitbetaling bouwdepot, ondertekend door [betrokkene 3] en ontvangen door Quion op 24 februari 2005.

[betrokkene 3] heeft verklaard dat zij de factuur heeft ondertekend bij de hypotheekaanvraag: "[getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ), heeft mij verteld dat deze factuur voor het bouwdepot was. Het geld heb ik op mijn bankrekening ontvangen. Met dit geld heb ik volgens mij [getuige 1] terugbetaald. [getuige 1] had mij geld geleend en volgens mij heb ik met het geld van het bouwdepot [getuige 1] terugbetaald (…) Deze factuur is onzin".

Uit het vorenstaande volgt dat [getuige 1] en [betrokkene 3] zich in nauwe en bewuste samenwerking schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrift. De bank is op grond van valse facturen tot uitkering van het bouwdepot aan [betrokkene 3] overgegaan.

In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor feitelijke betrokkenheid van [getuige 1] , dan wel (een andere medewerker van) [bedrijf 1] bij het verkrijgen en verwerven van de gelden uit het bouwdepot zelf. De strafbare gedragingen van verdachte zijn beperkt gebleven tot de voorfase, namelijk het plegen van valsheid in geschrift gericht op de uitbetaling van de gelden van het bouwdepot. De enkele wetenschap van verdachte dat het bouwdepot door de valse factuur zou worden verkregen - en daarmee uit misdrijf afkomstig zou zijn - is onvoldoende om van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het verwerven en voorhanden hebben van dit voorwerp te kunnen spreken. Verdachte zal in zoverre van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

[getuige 1] laat zich echter vervolgens door [betrokkene 3] uit dat bouwdepot enig geldbedrag uitbetalen. Aldus maakt hij gebruik van uit misdrijf verkregen geld en maakt hij zich schuldig aan het medeplegen van witwassen. Ten aanzien van het aldus bewezen te verklaren deel van de tenlastelegging is het de vraag of deze strafbare gedragingen aan [bedrijf 1] - en aan verdachte - kunnen worden toegerekend. Deze vraag beantwoordt het hof in onderstaande.

Feitelijk leidinggeven

De vraag is of de gedragingen van [getuige 1] ( [adres 1] , [adres 2] , [adres 5] ) en verdachte ( [adres 3] ) in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan [bedrijf 1] .

De [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) hielden zich bezig met financiële dienstverlening. De werkzaamheden bestonden uit het regelen van hypotheken en verzekeringen. [getuige 1] was ten tijde van de onder feit 2 verweten gedragingen werkzaam binnen [bedrijf 1] als hypotheekadviseur. Het handelen van [getuige 1] vond binnen dat kader plaats en werd door [bedrijf 1] aangestuurd. Hetzelfde geldt voor het eigen handelen van verdachte inzake de [adres 3] . Verdachte was weliswaar directeur van [bedrijf 1] , maar hield zich, getuige diens feitelijk handelen rondom de [adres 3] , ook bezig met enige hand- en spandiensten aan de werkvloer van de hypotheekadviseurs. De gedragingen van [getuige 1] en die van de als hypotheekadviseur optredende verdachte kunnen worden toegerekend aan [bedrijf 1] . Het bij [getuige 1] en verdachte aanwezige opzet op de strafbare gedragingen kan aan [bedrijf 1] worden toegerekend. De onder feit 2 verweten gedragingen passen binnen de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , zijn [bedrijf 1] dienstig geweest en kunnen worden aangemerkt als te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtsperso(o)n(en). De gedragingen kunnen in redelijkheid worden toegerekend aan [bedrijf 1] en het hof is daarbij van oordeel dat de rechtsperso(o)n(en) het voor een bewezenverklaring benodigde opzet heeft gehad én het oogmerk van wederechtelijke bevoordeling.

Nu bewezen is dat [bedrijf 1] strafbare feiten heeft begaan, komt aan de orde de vraag of verdachte daarvoor als feitelijk leidinggevende strafrechtelijk aansprakelijk is. Van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging begaan door een rechtspersoon is sprake indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is. De bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht. Een formele relatie met de rechtspersoon is echter geen vereiste. De tweede voorwaarde voor feitelijk leidinggeven houdt in dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen en zo opzettelijk de verboden gedraging bevordert.

Uit het dossier blijkt dat verdachte degene was die de regie voerde binnen [bedrijf 1] en eindverantwoordelijk was. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij [bedrijf 1] en nadien [bedrijf 1] heeft opgericht en dat hij eigenaar en algemeen directeur was. De letters [bedrijf 1] staan voor [verdachte] . Verdachte spreekt over ‘mijn medewerkers’ en hij was ook degene die, wanneer zaken niet goed liepen, adviseurs ontsloeg. Dat verdachte ook concreet sturing heeft gegeven aan het dagelijks werk van de hypotheekadviseurs blijkt onder meer uit zijn verklaring dat hij een door de medewerkers te gebruiken checklist heeft ontwikkeld voor de opbouw van hypotheekdossiers, zodat in ieder dossier ‘alle belangrijke punten aan de orde kwamen en de medewerkers op de juiste momenten de juiste handelingen verrichtten zodat het proces goed en tijdig verliep’. Een en ander komt overeen met de sturende rol die [getuige 1] verdachte toedichtte ten aanzien van hypotheekaanvragen.

Van belang is voorts dat verdachte eind 2002 door een medewerker van de SNS Bank is gewezen op een aantal gevallen van fraude bij de aanvraag van hypotheken. Verdachte heeft erkend dat daarvan toen sprake was6. Verdachte wees in die brief zelf, onder andere, als oorzaak aan het door [bedrijf 1] gebruik maken van freelancers en schreef dat aan dat gebruik inmiddels een einde was gekomen. Niet is echter gebleken dat die mededeling juist was. Zoals hiervoor uiteengezet was [medeverdachte 1] immers ook na 18 februari 2003 nog geruime tijd als freelancer werkzaam voor [bedrijf 1] . Van enige vervolgactiviteit van verdachte gericht op voorkoming van nieuwe fraudegevallen is niets gebleken terwijl de aard van zijn bedrijf fraudegevoelig was, niet slechts doordat daarin ook op provisiebasis gewerkt werd (hetgeen de betrokkenen een sterk eigen belang gaf bij het afsluiten van hypotheken), maar ook omdat productie een centrale doelstelling7 was en ook (te sterke) productiefocus het risico van fraude meebrengt.

[getuige 3] heeft voorts verklaard dat bij [bedrijf 1] wel werd gezegd “dat het mogelijk was om een bouwdepot op te nemen om hiermee een schuld af te lossen”. Daarnaast heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte betrokken was bij gedachtenvorming rondom mogelijkheden om binnen een hypotheek een bouwdepot aan te vragen en dit met valse facturen uitbetaald te krijgen, zonder dat geld (volledig) aan een verbouwing te besteden. In verband met de in casu bewezen verklaarde strafbare gedragingen heeft de getuige [getuige 3] bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij alles wat hij destijds deed vertelde aan [verdachte] , terwijl de getuige [getuige 2] bij de politie op 9 november 2011 gedetailleerd heeft verklaard over de betrokkenheid van verdachte bij de strafbare gedragingen. Zij heeft verklaard dat verdachte haar de mogelijkheden rondom het verkrijgen van extra vermogen middels het aanvragen van een bouwdepot voor een aan te schaffen woning heeft uitgelegd en dat hij [getuige 1] vervolgens het papierwerk hiervoor heeft laten afwikkelen. Ook de getuige [getuige 3] betrekt in zijn verklaring verdachte bij de strafbare gedragingen door te verklaren dat hij verdachte op de hoogte heeft gehouden van de gang van zaken omtrent het verkrijgen van een hypotheek met bouwdepot via [bedrijf 1] .

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte feitelijk zeggenschap had binnen [bedrijf 1] , dat hij wetenschap had van fraudegevallen, dat hij oorzaken daarvan heeft onderkend maar aangekondigde maatregelen desondanks achterwege heeft gelaten, dat hij bovendien persoonlijk betrokken was bij een deel van de bewezenverklaarde valsheden en dat uit dat samenstel van feiten blijkt dat hij het voor een bewezenverklaring vereiste opzet had op het plaatsvinden van de verboden gedragingen.

Bewijsoverweging feit 1

Tenlastelegging

Onder feit 1 wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van meerdere misdrijven

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft - onder verwijzing naar het in hoger beroep overgelegde bewijsmiddelenoverzicht 'appeluitwerking 140 S' - gerekwireerd tot bewezenverklaring conform de rechtbank, met dien verstande dat ook de samenwerking tussen verdachte en zijn bedrijven met medeverdachte [medeverdachte 2] als deel van de criminele organisatie aangemerkt moet worden. Voorts moet naar het oordeel van het openbaar ministerie ook het verschaffen van onderdak aan illegalen tot bewezenverklaring leiden. Het openbaar ministerie heeft zich neergelegd bij de deelvrijspraak ten aanzien van het plegen van dan wel bedreigen met geweld.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit, nu betrokkenheid van verdachte bij het verschaffen van verblijf aan illegalen, het plegen van fraude en witwassen niet uit bewijsmiddelen is te construeren.

Beoordeling

Onder een organisatie zoals hiervoor bedoeld wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zeker duurzaamheid en structuur tussen verdachte en ten minste één andere persoon. Een zekere bestendigheid is vereist, echter is niet vereist dat de samenstelling telkens dezelfde is. Volgens bestendige rechtspraak is van deelname aan een criminele organisatie sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunende gedragingen heeft verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelname aan de criminele organisatie is niet vereist dat een betrokkene deelneemt aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. Evenmin is vereist dat een betrokkene samenwerkt of bekend is met alle personen die deel uitmaken van een organisatie. Ten aanzien van de rol van een betrokkene geldt voorts dat een betrokkene in zijn algemeenheid moet weten, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Een betrokkene hoeft echter niet enige vorm van opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven.

In de onderhavige zaak is sprake is van een dergelijke organisatie, bestaande uit verdachte, [getuige 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Binnen dit samenwerkingsverband was sprake van een gemeenschappelijke doelstelling, namelijk het plegen van valsheid in geschrift en witwassen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

[bedrijf 1] , waarvan verdachte oprichter en één van de drie directeuren was, bemiddelde in hypotheken, onder meer voor personen die problemen hadden op financieel vlak en die - kennelijk - bij andere hypotheekverstrekkers niet terecht konden. [bedrijf 1] adviseerde deze groep klanten een tweede huis te kopen en een extra geldlening voor kwaliteitsverbetering aan te vragen die daar vervolgens niet voor werd aangewend. De geldlening werd gebruikt voor consumptieve bestedingen of aflossingen van schulden. Het was een bedrijfspraktijk die veelvuldig voorkwam en de normaalste zaak van de wereld was, zo heeft [getuige 1] verklaard. Er werd onderling met de leidinggevenden en de medewerkers gesproken over het toepassen van deze creatieve oplossingen. Verdachte was volgens [getuige 1] de creatiefste in het bedenken van oplossingen. Hij bedacht oplossingen als het kopen van een tweede huis en adviseerde mensen die schulden hadden een extra lening aan te vragen voor kwaliteitsverbetering die hier echter niet voor werd aangewend. Hoewel er niet mee geadverteerd werd, ging het als een lopend vuurtje dat [bedrijf 1] die oplossingen aanbood en kwamen klanten speciaal hiervoor naar [bedrijf 1] . [getuige 1] noemt naast verdachte ook medeverdachte [medeverdachte 2] die als één van de leidinggevenden, dergelijke constructies optuigde.

Bij hypotheekaanvragen werd vervolgens gebruik gemaakt van valse werkgeversverklaringen en salarisstroken zo blijkt onder meer uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] , eigenaar van [bedrijf 5] , heeft verklaard dat hij op enig moment door de jongens van [bedrijf 1] , [medeverdachte 2] en [getuige 6] , gevraagd werd salarisstroken aan te maken in zijn salarisadministratieprogramma. [medeverdachte 3] ontving daartoe van [medeverdachte 2] en [getuige 6] salarisspecificaties inclusief fictieve werkgeversgegevens die hij letterlijk moest invoeren in zijn salarisadministratieprogramma waardoor er een valse salarisstrook ontstond. Op verzoek maakte hij altijd een combinatie van valse werkgeversverklaringen en valse loonstroken. Dit is tien tot twintig keer voorgekomen in de periode 2006 tot en met 2008, aldus [medeverdachte 3] .

Ook werden er door tussenkomst van [bedrijf 1] bouwdepots aangevraagd die vervolgens door het gebruik van valse facturen leeggetrokken werden. Een voorbeeld hiervan is de constructie die door [medeverdachte 2] is opgezet ten behoeve van de woningen aan [adres 8] en [adres 9] . Een belangrijke schakel in dit geheel was medeverdachte [medeverdachte 4] , eigenaar van bouwbedrijf [bedrijf 3] . [medeverdachte 4] maakte facturen ter zake de door medeverdachte [medeverdachte 2] opgetuigde constructies op. Hij vermeldde in strijd met de waarheid op de factuur dat deze 'contant betaald' was, terwijl er geen verbouwingen hadden plaatsgevonden. [medeverdachte 4] ontving de gelden die vrijkwamen uit de betreffende bouwdepots op zijn rekening en boekte deze door naar medeverdachte [medeverdachte 2] . Dit heeft naar zijn zeggen zo'n 8 à 9 keer per jaar, vanaf 2007/2008, plaatsgevonden.

Ook verdachte heeft van dit samenwerkingsverband deel uitgemaakt. Uit de motivering van het onder 2.A en 3.A bewezenverklaarde volgt dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de aan [bedrijf 1] toe te rekenen strafbare gedragingen valsheid in geschrift en witwassen. Verdachte heeft hiertoe samengewerkt met [betrokkene 2] , [getuige 1] en met de individuele hypotheekgevers. Verdachte heeft zijn bedrijf ingezet en was bovendien initiatiefnemer van het gebruik van voornoemde constructies in het algemeen, zo blijkt uit de verklaring van [getuige 1] . Hij droeg deze werkwijze uit aan zijn medewerkers. Aldus heeft verdachte een aandeel gehad in gedragingen die strekken tot en verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk. Verdachte had feitelijke zeggenschap binnen [bedrijf 1] , hij wist in ieder geval via de melding van SNS Bank daarover aan hem van het gebruik door [bedrijf 1] van valse werkgeversverklaringen bij het aanvragen van hypotheken, hij heeft nagelaten adequate maatregelen op dat punt te nemen én hij was op onderdelen persoonlijk betrokken bij het plegen of stimuleren van strafbare gedragingen als valsheid in geschrift en witwassen. Dat alles bewijst het opzet van verdachte op het plaatsvinden van de verboden gedragingen en de criminele organisatie. Dat verdachte feitelijk alleen samenwerkte met [betrokkene 2] en [getuige 1] , staat een bewezenverklaring voor deelname aan een criminele organisatie waarvan anderen deel uitmaakten, niet in de weg. Niet vereist is immers wetenschap van één of verscheidene onderling uiteenlopende concrete misdrijven. Zo blijkt uit het vorenstaande dat ook medeverdachte [medeverdachte 2] met [getuige 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , onder de paraplu van [bedrijf 1] dezelfde constructies heeft opgetuigd en een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekken tot en verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk.

Dat ook het verschaffen van verblijf/woonruimte aan illegale vreemdelingen in Nederland een doel van de organisatie was, zoals door de advocaat-generaal betoogd, is onvoldoende komen vast te staan. Voor zover hier in het dossier aanknopingspunten voor gevonden kunnen worden, geldt dat sprake is van incidentele gevallen die zich niet bewijsbaar in het kader van de werkzaamheden van de hierboven omschreven criminele organisatie hebben voorgedaan. Mitsdien kan niet worden geoordeeld dat het verschaffen van verblijf/woonruimte aan illegale vreemdelingen en het plegen van of het bedreigen met geweldsdelicten behoorde tot het doel van de organisatie.

Overwegingen ten aanzien van getuigenverzoeken van de verdediging

Bij appelschriftuur van 16 maart 2015 heeft de verdediging het horen van een reeks getuigen verzocht onder meer teneinde aan te tonen dat er binnen [bedrijf 1] geen sprake was van “een bedrijfscultuur waarbinnen strafbare gedragingen konden plaatsvinden / plaats vonden” waaraan verdachte zou hebben leiding gegeven en dat verdachte zodoende geen lid is geweest van een criminele organisatie.

Ter zitting van 21 april 2016 heeft het hof deze verzoeken afgewezen, met uitzondering van de verzoeken tot het horen van [medeverdachte 1] , [getuige 1] , [getuige 4] , [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 5] Buiten deze laatste getuige, zijn deze allen gehoord door de gedelegeerd raadsheer-commissaris. Op grond van het ambtsbericht d.d. 10 oktober 2016 van de gedelegeerd raadsheer-commissaris met betrekking tot [getuige 5] , waarin werd geconcludeerd dat niet te verwachten was dat de getuige binnen redelijke termijn gehoord kon worden is afgezien van het horen van deze getuige.

Zowel ter zitting van het hof van 3 november 2016 als ter zitting van het hof van 23 november heeft de verdediging het verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur verzochte getuigen herhaald, voor zover die verzoeken op 21 april 2016 niet zijn toegewezen en tot een daadwerkelijk verhoor hebben geleid.8

Het hof heeft op genoemde zittingen telkens meegedeeld, in verband met de gedachtenvorming rondom de inhoudelijke beoordeling van de zaak, niet eerder dan bij arrest een beslissing op de verzoeken te zullen nemen.

Ter correctie op de beslissing van 21 april 2016 en aan de hand van de door de raadsman gehanteerde nummering, worden de verzoeken tot het horen van de getuigen 1, 2, 5 t/m 12, 15 t/m 18, 20, 22, 24, 25, 30, 33 t/m 41, 43, 47 en 49 t/m 52 beoordeeld tegen de achtergrond van het verdedigingsbelang, evenals het verzoek tot het horen van getuige 44, waarop het hof per abuis, op 21 april 2016 niet heeft beslist.

Ten aanzien van deze getuigen oordeelt het hof dat onvoldoende concreet en gespecificeerd is aangegeven in welk opzicht verklaringen over de bedrijfscultuur bij [bedrijf 1] van belang zouden kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedragingen waarbij verdachte volgens de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] feitelijk betrokkenheid zou hebben gehad.

De herhaalde verzoeken tot het horen van de getuigen 3, 4, 14, 26, 28, 45, 46 en 48 worden beoordeeld tegen de achtergrond van het noodzakelijkheidscriterium, evenals het verzoek tot het horen van getuige 13, waarop het hof per abuis, op 21 april 2016 niet heeft beslist. Het hof is ten aanzien van deze getuigen onvoldoende gebleken van de noodzaak tot horen.

De verzoeken worden afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de in de bijlage 1 bij dit arrest opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2.B. en 3.A tot en met 3.E tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1

hij in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 3] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van valsheid in geschrift en het plegen van witwassen, aan welke organisatie hij, verdachte, heeft leiding gegeven.

2

A.

de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] in de periode van 13 september 2004 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een of meer andere mededaders,

van onderstaande voorwerpen gebruik heeft gemaakt, te weten

- een geldbedrag van 957,00 Euro (bouwdepot [adres 2] ) en een geldbedrag (bouwdepot uit de hypothecaire lening van het pand [adres 5] )

terwijl de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] en zijn mededaders telkens wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

3

de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] in de periode van 1 april 2004 tot en met 13 september 2004 in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 1] , tezamen en in vereniging andere mededaders,

A.

een aanvraagformulier voor een hypothecaire geldlening valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid uit het vermelden van onjuiste salarisgegevens, een onjuiste werkgever en onjuiste opgave van reeds bestaande financiële verplichtingen aan een bank ter financiering en verkrijging van een hypothecaire lening met betrekking tot de onroerende zaak/woning gelegen aan de [adres 4] (zaak 319),

welk geschrift bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 2.A bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen, terwijl het strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon en verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 3.A bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift, terwijl het strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon en verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft leiding gegeven aan een rechtspersoon die zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift en witwassen. Hij heeft voorts als leider deelgenomen aan een criminele organisatie waarbinnen deze strafbare gedragingen, kortgezegd hypotheekfraude, op veel grotere schaal werden gepleegd. Verdachte had feitelijke zeggenschap binnen [bedrijf 1] , had betrokkenheid bij en wetenschap van fraudegevallen, onderkende de oorzaken daarvan maar heeft ondanks aangekondigde maatregelen, deze uiteindelijk achterwege gelaten. Integendeel, hij heeft deze werkwijze juist bevorderd en uitgedragen.

Het betreffen ernstige feiten, nu de integriteit van het financieel en economisch verkeer daardoor wordt aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt door dergelijke feiten ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Meer specifiek geldt dat in het economische verkeer hypothecaire geldleningen een belangrijke rol spelen. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvragen is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Verdachte heeft door inzet van zijn bedrijf misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming alsook van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker die er van uit moet kunnen gaan dat overgelegde documenten naar waarheid zijn opgemaakt. Door het plegen van valsheid in geschrift zijn banken bewogen tot het verstrekken van hypothecaire geldleningen en gelden uit bouwdepots, terwijl zij dit anders niet zouden hebben gedaan. Deze banken hebben hierdoor financieel nadeel geleden. Door het witwassen werd de werkelijke, criminele herkomst van hypothecaire leningen, woningen en bouwdepots versluierd en werd de schijn van legale herkomst in het leven geroepen.

Bij het voorgaande moet echter wel een relativerende, en om die reden ten voordele van verdachte strekkende, opmerking worden gemaakt. De bewezenverklaarde feiten speelden zich af in een tijd waarin de huizenmarkt, naar het leek, geen grenzen of beperkingen kende. Algemeen werd uitgegaan van waardestijging van onroerend goed en om die reden werd door banken wel erg gemakkelijk krediet verstrekt. Uit het gehele dossier Peseta rijst het beeld op van een nauwelijks gereguleerde situatie van verstrekking van hypothecaire kredieten, waarbij de gedachte kennelijk was dat in die stijgende markt eventueel noodzakelijke executie van het onderpand de verstrekte lening zou dekken. Van controle op aangeleverde informatie door de banken was (veelal) geen sprake en hypotheekadviseurs vroegen niet door omdat in het bijzonder naar het bezit van overige onroerende zaken (met bijbehorende hypothecaire verplichtingen) door veel banken niet eens werd gevraagd. Het werd de bedrijven van verdachte dus ook wel erg gemakkelijk gemaakt om op basis van valse en/of onvolledige informatie niettemin een hypothecaire geldlening, inclusief bouwdepot, te verkrijgen.

Bij de strafoplegging wordt, ten voordele van verdachte, voorts in aanmerking genomen dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 29 september 2016, niet eerder ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover deze uit het dossier blijken en ter terechtzitting van het hof door hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.

Ondanks de genoemde ten voordele van verdachte strekkende opmerkingen maakt de ernst van de feiten dat deze zaak niet kan worden afgedaan op een andere wijze dan middels oplegging van gevangenisstraf. In vele andere, vergelijkbare, zaken van hypotheekfraude werd en wordt die strafmodaliteit ingezet. Dat gebeurt deels omdat gevangenisstraf de enige passende vergeldingsvorm wordt geoordeeld jegens de individuele verdachte en deels om middels oplegging van gevangenisstraf aan derden duidelijk te maken dat op hypotheekfraude zware sancties staan. Het bijzondere van deze zaak is dat verdachte slechts in beperkte mate te koppelen is aan concrete strafbare feiten. De bewezenverklaring getuigt daarvan. Het zwaartepunt ligt dus bij zijn leiding gevende rol in de bewezen verklaarde criminele organisatie. De exacte omvang van de criminele activiteiten is niet vast te stellen, maar de bewijsmiddelen tonen aan dat van aanzienlijke omvang sprake was. Verdachte heeft niet nagelaten te benadrukken dat zijn bedrijven in de jaren waarin de strafbare feiten werden gepleegd op grote schaal financiële bemiddeling verleenden en dat daarop niets was aan te merken. Dat aspect wordt door het hof onderkend. Onder de dekmantel van betrouwbare, legaal zaken doende, bedrijven ging echter schuil de illegale tak. Dat maakt het illegale optreden nog geraffineerder omdat het daardoor des te moeilijker te ontdekken was.

Van belang is voorts nog het volgende. De Pesetazaak is niet aan het rollen gekomen doordat huizenbezitters nalieten de verschuldigde rente en/of aflossing op de verstrekte hypothecaire geldleningen te betalen. Die huizenbezitters kwamen hun verplichtingen juist na. Als de valsheid in geschrift, waarmee de hypothecaire geldleningen waren verkregen, niet was ontdekt zou (in veel gevallen) de bank geen schade hebben geleden omdat de rente- en aflossingslasten door de betrokken huizenbezitters gewoon werden doorbetaald. Het wrange van deze zaak voor de betrokken huizenbezitters, hoewel zelf bepaald mede schuldig aan de valsheid in geschrift, is dat het ontdekken van die valsheid geleid heeft tot gedwongen verkoop van hun woning(en) met vaak een omvangrijke restschuld aan de bank tot gevolg. Verdachte heeft dat risico voor lief genomen, waar hij als deskundig financieel adviseur zijn klanten juist tegen dat risico had moeten beschermen.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien is de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, doen zich niet voor. Het hof komt tot een lagere strafoplegging dan door de advocaat-generaal is gevorderd gelet op de beperktere omvang van het bewezenverklaarde.

Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen als financieel- en hypotheekadviseur ernstig geschonden. In de omstandigheid dat het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden binnen de uitoefening van dit beroep en verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen en dus de vrees bestaat dat hij, vanuit dat gebrekkige zelfinzicht, in herhaling zal vervallen, ziet het hof - evenals de advocaat-generaal - aanleiding verdachte als bijkomende straf te ontzetten van het recht tot uitoefening van het beroep van financieel- en hypotheekadviseur voor de duur van zeven jaren. Van deze ontzetting dient ook naar andere financieel adviseurs het signaal uit te gaan dat het beroep slechts kan worden uitgeoefend indien dat integer gebeurt. Wie dat in omvangrijke mate niet doet diskwalificeert zichzelf als integer adviseur en kan om die reden in die beroepsuitoefening niet gehandhaafd worden. In de afweging is ook nog betrokken het gegeven dat verdachte weliswaar stelt dat hij niets anders kan dan financieel adviseur zijn, maar daarmee onderschat hij zichzelf. De kwaliteiten die maakten dat hij de legale tak van [bedrijf 1] kon leiden stellen hem zeker in staat werkzaam te zijn in een ander beroep of bedrijf.

Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt het hof nog als volgt.

De termijn van berechting in eerste aanleg bedroeg ruim drie jaar en 3 maanden, berekend vanaf het moment van aanhouding van verdachte op 31 oktober 2011. De zaken van verdachte en medeverdachten zijn in 2012 gezamenlijk op zitting aangebracht bij de (toenmalige) rechtbank Zwolle- Lelystad . In die zaken is na meerdere (regie)zittingen door de rechtbank uitspraak gedaan op 16 februari 2015. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze fase geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De duur van de behandeling (drie jaar en ruim drie maanden) vindt zijn rechtvaardiging in de omstandigheid dat onderhavige zaak deel uitmaakt van een groot onderzoek, het een zeer omvangrijk dossier betreft en door diverse raadslieden in de met elkaar samenhangende strafzaken in verschillende stadia van het geding talrijke onderzoekswensen zijn ingediend die voor een deel ook zijn toegewezen en zijn uitgevoerd, welke uitvoering ook nog tot nader onderzoek heeft geleid. Het spreekt voor zich dat dit de nodige tijd in beslag heeft genomen. Ten aanzien van de onderhavige procedure in hoger beroep is sprake van een voortvarende behandeling nu het hof twee jaar en 16 dagen na het instellen van hoger beroep uitspraak doet. Dat is 16 dagen langer dan doorgaans als redelijk wordt ervaren, maar ook in hoger beroep geldt dat sprake is geweest van nadere, gehonoreerde, onderzoekswensen, die hebben gemaakt dat de genoemde termijn van twee jaar enigszins is overschreden. De termijn van berechting in zijn totaliteit beoordelend is, gegeven de bijzondere, hiervoor genoemde, omstandigheden van de zaak, al met al geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Voor strafkorting bestaat dus geen aanleiding.

Vordering van de benadeelde partij ING Bank (feit 3)

De benadeelde partij, in de persoon van [benadeelde partij] , heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit, welke schade verband houdt met hypothecaire geldleningen betreffende dertien panden die deel uitmaken van het Peseta-onderzoek.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit een bij de vordering gevoegd overzicht lijkt dat de vordering geen betrekking heeft op schade ten gevolge van een aan verdachte ten laste gelegd feit. De vordering van de benadeelde partij is voorts in hoger beroep niet nader onderbouwd. Het hof zal de benadeelde partij mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in de vordering wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de gestelde schade en (één) van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

De kosten worden aldus gecompenseerd dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 28, 31, 47, 51, 57, 63, 140, 420bis, 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen feit 2.B, 3.F, 3.G, 3.H, 3.I en 3.J.

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen feit 3.B, 3.C, 3.D en 3.E.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen hetgeen onder 3.B, 3.C, 3.D en 3.E is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2.A en 3.A ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2.A en 3.A bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van financieel adviseur en hypotheekadviseur gedurende een periode van 7 jaar.

Vordering van de benadeelde partij ING Bank

Verklaart de benadeelde partij ING Bank in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen, griffier,

en op 13 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1392

2 Een kopie van dat arrest is in het dossier gevoegd.

3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 23 november 2016.

4 Zie de brief van [bedrijf 1] aan SNS d.d. 18 februari 2003, overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2016 alsmede de daarop toen, in het proces-verbaal van de zitting opgenomen, door verdachte gegeven toelichting

5 Zie de passage in de brief van 18 februari 2003 waarin gesteld wordt dat "de productie" niet gehaald werd.

6 Zie de brief van [bedrijf 1] aan SNS d.d. 18 februari 2003, overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2016 alsmede de daarop toen, in het proces-verbaal van de zitting opgenomen, door verdachte gegeven toelichting

7 Zie de passage in de brief van 18 februari 2003 waarin gesteld wordt dat "de productie" niet gehaald werd.

8 Een lijst van alle getuigen is als bijlage 2 aan dit arrest gehecht.