Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1940

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
200.158.055/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfout financieel adviseur door te laat te adviseren om een bedrijfspand van het buitenvennootschappelijk deel van het vermogen van de vennootschap (onder firma) over te hevelen naar het privé vermogen van de vennoot?

Het hof komt aan de beoordeling van die vraag niet toe, omdat niet is gebleken dat die (vermeende) fout heeft geleid tot fiscaal nadeel, waarvan de vergoeding is gevorderd. .

Bij de bepaling van de waarde van het pand in het economisch verkeer kon worden uitgegaan van de WOZ-waarde van dat pand.

Volgens die waardering is geen fiscaal nadeel geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.158.055/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter locatie Almere,
2141483 MC EXPL 13-6773)

arrest van 7 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.A. Van der Voort,

tegen:

[geïntimeerde] h.o.d.n. ProAd
wonende en zaakdoende te [A] ,

geïntimeerde in hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ProAd,

advocaat: mr. N.E.N. De Louwere.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 26 februari 2014 en 18 juni 2014 die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 september 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert (in zijn memorie van antwoord) in hoger beroep
“bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank
Midden-Nederland kamer voor kantonzaken locatie Almere d.d.18 juni 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad geïntimeerde alsnog te veroordelen tot betaling van:

I. Primair een hoofdsom van € 17.717,10 dan wel subsidiair tot betaling van een bedrag van

een door uw Gerechtshof in goede justitie redelijk en billijk bedrag te veroordelen, beiden

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2012, althans vanaf de dag der

dagvaarding, althans vanaf een zodanige datum als Uw Gerechtshof in goede justitie zal

vermenen te behoren, althans een door Uw Gerechtshof vast te stellen bedrag;

II. Een bedrag van € 2.657,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de

wettelijke rente over deze buitengerechtelijke kosten vanaf 28 februari 2012, althans vanaf

de dag der dagvaarding, althans vanaf acht dagen na het in deze te wijzen arrest;

III. De proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten vanaf 28 februari 2012, althans vanaf de dag der

dagvaarding in hoger beroep, althans vanaf acht dagen na het in deze te wijzen arrest.”

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.10 van het (bestreden) vonnis van 18 juni 2014.
Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht en evenmin is gebleken van bezwaren tegen de vastgestelde feiten. Aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan komen de feiten, voor zover in hoger beroep van belang, neer op het volgende.

3.2

In de periode van 1999 tot en met 2009 heeft ProAd in opdracht van [appellant]

fiscale en administratieve werkzaamheden verricht ten behoeve van het bedrijf van [appellant] , de firma D & O Services. Tot 1 januari 2008 werd dit bedrijf als eenmanszaak gedreven, vanaf 1 januari 2008 als vennootschap onder firma. Vóór september 2007 voerde [appellant] zijn werkzaamheden uit in het bedrijfspand aan de [a-straat] 49 te

[A] , vanaf september 2007 in het bedrijfspand aan de [b-straat] te [A] .
Het pand aan de [a-straat] is vanaf september 2007 verhuurd.

3.3.

Vanaf 1 januari 2008 is het bedrijfspand aan de [a-straat] 49 te [A] op het

buitenvennootschappelijk deel van de balans van de vennootschap onder firma geplaatst.

3.4

Het bedrijfspand aan de [a-straat] is in 2011 met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2010 overgeheveld naar het privé-vermogen van [appellant] , zulks op basis van een economische waarde van het pand per 1 oktober 2010 van € 135.000,-.

3.5

Het bedrijfspand aan de [a-straat] is op 1 december 2011 door de heer [B] , makelaar in en taxateur van onroerende zaken verbonden aan Arcuris B.V. getaxeerd op een economische waarde van € 120.000,-- k.k. per 1 september 2007. Het bedrijfspand is nadien door brand teniet gegaan en herbouwd.

3.6

Het bedrijfspand aan de [a-straat] is in 1999 op de balans van de eenmanszaak opgenomen voor een bedrag van € 96.000,--. De WOZ-waarde van het pand bedroeg in 2007 € 151.000,--. In 2010 is de WOZ-waarde bepaald op € 179.000,-, welk bedrag na bezwaar van [appellant] is teruggebracht tot € 139.000,-- per 1 januari 2010.

3.7

De firma Baker Tilly Berk, vertegenwoordigd door [C] , belastingadviseur,

heeft de schade aan inkomstenbelasting als gevolg van de omstandigheid dat het bedrijfspand aan de [a-straat] pas per 1 oktober 2010 is overgeheveld naar het privé vermogen van [appellant] berekend op een bedrag van € 13.088,--, uitgaande van een economische waarde van het pand per 1 september 2007 van € 120.000,--.

3.8

Het door ProAd ingeschakelde accountantskantoor Witlox Van de Boomen heeft geconcludeerd dat uitgaande van een economische waarde van het pand in 2007 van € 151.000,--, geen schade is geleden, maar juist een voordeel is genoten van € 2.254,--.

3.9

Accountantskantoor VFM, vertegenwoordigd door drs. [D] heeft bij

brief van 4 september 2012 op verzoek van [appellant] de bevindingen van Baker Tilly Berk

getoetst en geconcludeerd dat deze de schade als gevolg van het op een later moment overdragen van het pand vanuit het ondernemingsvermogen naar het privé-vermogen op een aanvaardbare wijze heeft berekend. Volgens VFM vormt uitgaan van een objectieve taxatie van het pand, zoals Baker Tilly Berk heeft gedaan, de beste benadering van de waarde van het pand in het economische verkeer

3.10

Bij brief van 22 april 2011 heeft [appellant] ProAd aansprakelijk gesteld voor de

door hem geleden schade als gevolg van het niet adviseren tot overheveling van het

bedrijfspand naar het privévermogen in 2007. Bij brief van 17 februari 2012 heeft [appellant] zijn schade (nader) begroot op € 13.088,- aan belastingschade en € 4.100,-- aan kosten van de makelaar en de belastingadviseurs.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg (na vermeerdering van eis) samengevat gevorderd veroordeling van ProAd tot betaling van € 20.374,10 (hoofdsom fiscale schade
€ 13.088,-, advieskosten € 4.629,10 en buitengerechtelijke kosten € 2.657,-), althans tot betaling van een bedrag naar redelijkheid en billijkheid, vermeerderd met rente en kosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 18 juni 2014 de vordering afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat voor de waarde van het pand per 1 januari 2008 uitgegaan dient te worden van de WOZ-waarde van € 151.000,--. Aan de taxatie van het pand in december 2011 op een economische waarde van € 120.000,-- per 1 september 2007 komt geen (doorslaggevende) betekenis toe, omdat het een taxatie betreft die vier jaar later heeft plaatsgevonden en die ook geen inzicht geeft in de wijze waarop de bevindingen tot stand zijn gekomen. Uitgaande van een waarde van € 151.000,-- is geen fiscaal nadeel geleden, zodat geen sprake is van schade. Daarbij kan in het midden blijven of ProAd [appellant] al dan niet over de heretikettering van het bedrijfspand heeft geadviseerd, aldus de kantonrechter.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] heeft tegen het vonnis van 18 juni 2014 twee grieven gericht.
Grief I richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat in het midden kan blijven of ProAd [appellant] al dan niet over de heretikettering van het bedrijfspand heeft geadviseerd.
Grief II richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat voor de schadeberekening uitgegaan dient te worden van de WOZ-waarde van € 151.000,--.

5.2

Het hof zal eerst grief II te behandelen, omdat die zich richt tegen de grond waarop de kantonrechter de vorderingen heeft afgewezen.
Pas als grief II slaagt, en het hof de kantonrechter niet volgt in het ook door de grief bestreden oordeel dat geen sprake is van fiscaal nadeel, heeft [appellant] belang bij bespreking van de door grief I bestreken kwestie of sprake is geweest van een (toerekenbaar) tekortschieten door ProAd in haar adviserende taak. Het hof tekent daarbij aan dat [appellant] in appel niet heeft aangevoerd dat hij ook schade heeft geleden indien geen sprake is van fiscaal nadeel.

5.3

Bij de beoordeling van de grief stelt het hof voorop dat geen grief is gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter dat [appellant] geen fiscaal nadeel heeft ondervonden (r.o. 4.2) indien wordt uitgegaan van de overgelegde berekeningen van de verschillende accountants op basis van voormelde WOZ-waarde. Dit staat aldus tussen partijen vast.

5.4

Daarmee komt het aan op de vraag of de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat bij de bepaling van de economische waarde van het bedrijfspand per 1 januari 2008 de WOZ-waarde van dat pand in 2007 tot uitgangspunt dient te worden genomen.
Gelet op de stellingen van partijen had de kantonrechter de keus uit twee alternatieven:
of de WOZ-waarde van 2007 (standpunt ProAd), of het bedrag van € 120.000,-- dat door Arcuris is getaxeerd (standpunt [appellant] ). Daarbij geldt dat door ProAd niet is weersproken dat het fiscale nadeel begroot kan worden op het door [appellant] gevorderde bedrag indien van dat bedrag van € 120.000,- uitgegaan zou moeten worden.

5.5

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter voor de waarde in het economisch verkeer van het pand in beginsel kon uitgaan van de WOZ-waarde. De waarde van een pand wordt ingevolge de WOZ immers bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (art. 17 lid 2 wet WOZ). Daarmee geeft de WOZ-waarde in beginsel de waarde van het pand in het economische verkeer weer.

5.6

Omstandigheden die met zich brengen dat voor de waarde in het economisch verkeer van het pand in dit geval echter dient te worden uitgegaan van de waarde zoals die door Arcuris is vastgesteld zijn het hof niet gebleken. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Otttevanger met het rapport van Arcuris onvoldoende heeft onderbouwd dat de waarde in het economisch verkeer van het bedrijfspand aan de [a-straat] 49 te [A] per 1 januari 2008 inderdaad € 120.000,-- bedroeg. Het hof overweegt daartoe het volgende.

5.6.1

Het op 1 december 2011 opgestelde taxatierapport van Arcuris is zeer summier en vermeldt niet de bevindingen waar het op berust. Over de waardering vermeldt het rapport slechts:

Deze waardering is mede tot stand gekomen na opname ter plaatse per 01-09-2007 en

rekening houdend met bouwaard-constructie, onderhoud locatie, en alle waardebepalende

factoren. Het object is genoegzaam bekend bij de ondergetekende. Door de ondergetekende

wordt per 01-09-2007 de hierna volgende waarde toegekend.

De economische waarde bedraagt € 120.000,- k.k.
Als verklaring hiervoor heeft [appellant] in zijn memorie van grieven (randnummer 26) gegeven dat in 2007 een taxatierapport is opgemaakt ten behoeve van een hypotheek op het woonhuis van [appellant] , waarbij ook het pand aan de [a-straat] 49 is opgenomen en bezichtigd. De toen verkregen gegevens zijn echter verloren gegaan bij de overgang van Meeus naar Arcuris, met uitzondering van de cijfermatige digitale gegevens. Op basis van die cijfers is het rapport opgesteld volgens het TMI (taxatie management instituut) model.
Deze verklaring van [appellant] laat echter onverlet dat het achteraf opgestelde taxatierapport zodanig summier is dat, mede in aanmerking genomen de grote tijdsspanne tussen de datum van het rapport en de datum waarop de waardebepaling betrekking heeft –er zit maar liefst ruim vier jaar tussen-, geen grond bestaat om aan de in het rapport getaxeerde waarde een groter gewicht toe te kennen dan aan de WOZ-waarde, die in 2007 op basis van toen actuele gegevens en onafhankelijk van partijen is vastgesteld.

5.6.2

Daar komt bij dat ProAd al tijdens de comparitie in eerste aanleg heeft aangegeven dat het waardeverloop van het pand uitgaande van een economische waarde van € 120.000,-- in 2007 onlogisch is. Uitgaande van de opgaven van [appellant] zou de waarde van het pand zich dan hebben ontwikkeld van € 96.000,-- in 1999, tot € 120.000,-- in 2007 en € 139.000,-- per 1 januari 2010. [appellant] heeft niet weerlegd dat dit waardeverloop onlogisch is. Dit had wel van hem verwacht mogen worden, nu dat waardeverloop inderdaad niet voor de hand ligt indien in aanmerking wordt genomen dat, zoals ProAd onweersproken heeft gesteld en als een feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd, zich vanaf 2008 juist een langjarige economische recessie heeft voorgedaan die heeft geleid tot een forse daling van de prijzen van onroerend goed. Dat juist in die periode het onderhavige pand toch nog in waarde zou zijn gestegen ligt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in de rede. Dit spreekt temeer waar [appellant] niet heeft weersproken dat de huur voor het pand is verlaagd van € 1.050,-- per maand in 2007 tot € 800,-- per maand in 2008.
Een waardeverloop, als door ProAd aangevoerd, waarbij tot 2008 een waardestijging heeft plaatsgevonden en daarna een waardedaling, zoals het geval is indien wordt uitgegaan van een (WOZ-)waarde van € 151.000,-- in 2007, ligt daarmee meer in lijn.

5.7

Het hof is niet gebleken van overige feiten en omstandigheden die het taxatierapport zodanig ondersteunen, dat toch van dat rapport uitgegaan zou dienen te worden.
De omstandigheid dat [appellant] met succes bezwaar heeft gemaakt tegen de in 2010 vastgestelde WOZ-waarde van € 179.000,- en dat die waarde op het bezwaar is verlaagd tot € 139.000,-- per 1 januari 2010 legt onvoldoende gewicht in de schaal nu [appellant] geen bescheiden heeft overgelegd waaruit kan blijken wat de reden is geweest voor het gegrond verklaren van dat bezwaar en die verlaging voor het jaar 2010 zonder nadere toelichting van [appellant] , die ontbreekt, niet zonder meer iets zegt over de waarde in 2007. Daarmee biedt die omstandigheid onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat de WOZ-waarde voor 2007 ook te hoog is vastgesteld en dat de werkelijke economische waarde op het door Arcuris getaxeerde bedrag gesteld zou dienen te worden.
5.8 [appellant] heeft nog aangeboden om getuigen te horen over de taxatie en de totstandkoming daarvan, maar dat bewijsaanbod wordt gepasseerd, nu [appellant] , zoals hiervoor is overwogen, zijn stellingen gebaseerd op die taxatie onvoldoende heeft onderbouwd.

6
6. De slotsom

6.1

De slotsom uit het vorenoverwogene is dat grief II faalt. Het falen van grief II brengt met zich dat het bestreden vonnis bekrachtigd dient te worden en dat niet wordt toegekomen aan bespreking van grief I: gegrondverklaring van die grief zal immers niet leiden tot een andere beslissing.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ProAd zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 704,--

- salaris advocaat € 894,-- (1 punt x tarief II)

Totaal € 1.598,--

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere van 18 juni 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ProAd vastgesteld op € 704,-- voor verschotten en op € 894,-- voor salaris voor de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het verstrijken van bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-- , met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden,

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proces- en nakostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. O.E. Mulder en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

7 maart 2017.