Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1937

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
200.119.900/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling, garantietermijn, retentierecht, immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.119.900/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 536051 CV EXPL 12-1874)

arrest van 7 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. N.N. Boonstra, kantoorhoudend te Joure.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

21 maart 2012, 3 oktober 2012 en 5 december 2012 die de kantonrechter van de (toenmalige) rechtbank Groningen, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 januari 2013,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- het tussenarrest van dit hof van 16 februari 2016.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in hoger beroep - kort samengevat -
te vernietigen het vonnis d.d. 3 oktober 2012 alsmede het herstelvonnis d.d, 5 december 2012 van de Rechtbank te Groningen, sector kanton, locatie Groningen, tussen partijen gewezen onder zaak-/rolnummer 536051 / CV EXPL 12-1874, en, uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende:
I. de door appellant ingestelde vorderingen alsnog volledig toe te wijzen;
II. met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die als gesteld en niet weersproken in eerste aanleg en hoger beroep tussen partijen zijn komen vast te staan.

3.2.

[appellant] heeft in juli 2008 van [geïntimeerde] een Toyota, type Tundra 5.7 met kenteken [00-YYY-0] gekocht voor een bedrag van € 42.950,- exclusief btw (hierna: de auto). De auto is op 22 juli 2008 aan [appellant] geleverd. [geïntimeerde] heeft ten behoeve van de auto een garantie verstrekt voor de duur van één jaar, althans voor de eerste 20.000 kilometer die met de auto zouden worden gereden.

3.3.

In het eerste jaar na de koop van de auto heeft de boordcomputer van de auto meerdere malen een storing aangegeven. [geïntimeerde] heeft deze storingen kosteloos gerepareerd. [geïntimeerde] heeft de auto in 2010 niet in onderhoud gehad.

3.4.

Bij brief van 14 juli 2011 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven dat de auto niet functioneert zoals hij mag verwachten. Hij heeft [geïntimeerde] verzocht de “problemen op te lossen”.

3.5.

[geïntimeerde] heeft de auto vervolgens laten repareren door Autobedrijf Pouls in [C] (hierna: Pouls). Pouls heeft geconstateerd dat de cilinderkoppakking van de 2e cilinderkop, de cilinders 5 tot en met 8, een lek vertoont bij de 8e cilinder. Pouls heeft dit lek gerepareerd.

3.6.

[geïntimeerde] heeft [appellant] bij brief van 13 augustus 2011 onder meer bericht: “H.o. [geïntimeerde] sommeert een betaling binnen 5 dagen van het factuurbedrag zoals is opgegeven door Autobedrijf Pouls te [C] . Voor de tijd dat de heer [appellant] in gebreke blijft wordt door H.o. [geïntimeerde] het retentierecht (Burgerlijk Wetboek Boek 3, afdeling 4, artikel 290-3) toegepast m.b.t. de Toyota Tundra, kenteken [00-YYY-0] .”
In de brief is geen factuurbedrag genoemd, noch is een factuur bijgevoegd.

3.7.

[appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 26 augustus 2011 gesommeerd de auto binnen 14 dagen aan hem af te geven en heeft [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de weigering tot afgifte. Bij brief van 14 september 2011 heeft [appellant] [geïntimeerde] nogmaals gesommeerd de auto aan hem af te geven.

3.8.

Bij e-mail van 15 september 2011 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een factuur van Autobedrijf Pouls van 9 augustus 2011 gezonden ten bedrage van € 3.094,23. Op 26 september 2011 heeft [geïntimeerde] een op naam van [geïntimeerde] gestelde factuur aan [appellant] gestuurd, die ziet op door Pouls verrichte werkzaamheden. De factuur vermeldt de datum 9 augustus 2011 en een bedrag van € 3.094,23.

3.9.

[appellant] heeft op 26 oktober 2011 een bedrag van € 3.094,23 aan [geïntimeerde] voldaan.

3.10.

[appellant] heeft op 31 oktober 2011 de auto opgehaald bij de broer van [geïntimeerde] . [appellant] heeft op dezelfde dag aangifte van gijzeling en ontvoering tegen [geïntimeerde] en zijn broer gedaan.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg (in conventie) kort samengevat gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de bedragen van € 3.094,23, € 1.282,64 en € 2.800,- te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.2

[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij het bedrag van € 3.094,23 ter zake van de reparatie aan zijn auto onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Hij heeft zich beroepen op een door [geïntimeerde] verstrekte garantie en (subsidiair) op artikel 7:17 BW. Verder heeft hij betoogd dat hij geen opdracht heeft gegeven voor de reparatie aan zijn auto. [geïntimeerde] heeft zich, aldus [appellant] , ten onrechte op een retentierecht beroepen, waardoor [appellant] schade heeft geleden. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, hetgeen tot immateriële schade heeft geleid.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 oktober 2012 - hersteld bij vonnis van 5 december 2012 - het beroep op onverschuldigde betaling van [appellant] verworpen en geoordeeld dat [geïntimeerde] zich rechtsgeldig op het retentierecht heeft beroepen. De daarmee verband houdende vorderingen van [appellant] zijn afgewezen.
De gevorderde immateriële schadevergoeding als gevolg van vrijheidsberoving is door de kantonrechter tot een bedrag van € 1.000,- toegewezen. Verder heeft de kantonrechter de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 450,- toegewezen en heeft hij de proceskosten gecompenseerd.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] heeft in principaal appel zes grieven geformuleerd tegen de vonnissen van 3 oktober 2012 en 5 december 2012.

5.2

[geïntimeerde] heeft onder 63 en 65 MvA betoogd dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van € 1.000,- wegens immateriële schadevergoeding. De vraag of daarin een incidentele grief moet worden gelezen, beantwoordt het hof ontkennend. [geïntimeerde] heeft onder 68 MvA gesteld dat het vonnis van de kantonrechter juist is en heeft niet geconcludeerd tot vernietiging daarvan. Verder heeft [geïntimeerde] zijn opmerkingen onder 63 en 65 geplaatst in de context van zijn verweer tegen grief V van [appellant] (gericht tegen de compensatie van proceskosten) en is niet uitdrukkelijk incidenteel appel ingesteld. Onder die omstandigheden was het (ook) voor [appellant] onvoldoende kenbaar dat [geïntimeerde] een incidentele grief wilde richten tegen het bestreden vonnis. [appellant] behoefde in het genoemde verweer geen grief te lezen en heeft dat, gezien het ontbreken van een uitdrukkelijk verweer daartegen, ook niet gedaan. Het hof zal mede daarom in de genoemde stelling geen zelfstandige incidentele grief lezen.

5.3

Grief I is gericht tegen de vaststelling van de feiten. Aangezien het hof de feiten zelf heeft vastgesteld en daarbij rekening heeft gehouden met hetgeen [appellant] in grief 1 heeft betoogd, heeft [appellant] geen belang meer bij deze grief, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

5.4

In grief II en III heeft [appellant] aangevoerd dat zijn beroep op een garantie en op non-conformiteit ten onrechte is afgewezen. Ook zijn stelling dat hij geen opdracht had gegeven tot een reparatie (door Pouls) is volgens hem ten onrechte gepasseerd, zodat de kosten daarvoor ten onrechte voor zijn rekening zijn gelaten. Daarnaast beriep [geïntimeerde] zich volgens [appellant] ten onrechte op een retentierecht. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.5

Met betrekking tot de in 2008 verstrekte garantie is tussen partijen niet in geschil dat deze gold voor de duur van één jaar, dan wel voor de eerste 20.000 kilometer. Verder staat vast dat Pouls de auto in augustus 2011 van [geïntimeerde] in reparatie heeft gekregen en dat hij een lekkende cilinderkoppakking bij de achtste cilinder heeft gerepareerd. Partijen verschillen van mening of dit mankement zich al eerder, en wel binnen de garantietermijn, heeft voorgedaan.
[appellant] betoogt dat dit het geval is en voert daartoe aan dat het probleem zich meermalen heeft geopenbaard en door [geïntimeerde] nimmer adequaat is verholpen. Hij heeft zich binnen de garantietermijn bij [geïntimeerde] gemeld met een door de boordcomputer gesignaleerd probleem dat is geduid als “misfire op cilinder 8”.
heeft gemotiveerd betwist dat van deze storingscode tijdens de garantietermijn sprake was. Hij heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat het technisch onmogelijk is dat al die jaren sprake was van een lekkende koppakking omdat het peil van de koelvloeistof en olietemperatuur dan zou zijn gestegen, terwijl [appellant] , aldus [geïntimeerde] , meerdere malen heeft verklaard nooit koelvloeistof te hebben bijgevuld.

5.6

De grondslag van de vordering van [appellant] is onverschuldigde betaling. Op hem rust de stelplicht en de bewijslast van de feiten die door hem aan zijn vordering ten grondslag zijn gelegd. Aangezien [geïntimeerde] het tijdens de garantieperiode bestaan van een defect aan de cilinderkoppakking gemotiveerd heeft weersproken, dient [appellant] zijn stelling dat dit wel het geval is nader te onderbouwen. De stelling en de daarin besloten conclusie dat “na de reparatie geen misfires meer hebben plaatsgevonden, hetgeen impliceert dat de breuk althans het lek in de achtste cilinder de problemen in het verleden telkens heeft veroorzaakt en dus ook reeds vanaf levering althans in de garantieperiode aanwezig was” mist in het licht van de gemotiveerde weerspreking daarvan door [geïntimeerde] een toereikende onderbouwing. Ook het niet nader onderbouwde betoog dat een haarscheurtje dichtgedrukt kan zijn waardoor er wel een storingsmelding was maar met de auto zonder problemen kon worden gereden, volstaat daartoe niet. Daar komt bij dat [appellant] de opmerkingen van [geïntimeerde] over de koelvloeistof en het niet bijvullen daarvan niet heeft weersproken.
Dit leidt ertoe dat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan zodat een defect dat zich binnen de garantietermijn voordeed niet in rechte is komen vast te staan. Aan het bewijsaanbod dat de code misfire op cilinder 8 zich tijdens de garantietermijn heeft voorgedaan, gaat het hof voorbij. Ook als zou komen vast te staan dat de code misfire cilinder 8 zich in het eerste jaar na aankoop al voordeed, dan is het causaal verband met de reparatie in 2011 daarmee nog niet gegeven. Door [appellant] is niet gemotiveerd onderbouwd dat deze code enkel en alleen kan duiden op het defect dat in 2011 is gerepareerd. Het verzoek van [appellant] om aan [geïntimeerde] op te dragen alle stukken met betrekking tot de reparaties in de garantietermijn in het geding te brengen behoeft daarom geen bespreking. Deze stukken kunnen gelet op het voorgaande immers niet leiden tot een ander oordeel.

5.7

Met betrekking tot zijn beroep op non-conformiteit heeft [appellant] terecht aangevoerd dat de kantonrechter heeft nagelaten daaraan aandacht te besteden. Nu [appellant] aan zijn beroep op non-conformiteit echter geen gevolg heeft verbonden zoals ontbinding of verrekening met schadevergoeding, kan hem dat niet baten. Het enkele beroep op een toerekenbare tekortkoming dan wel non-conformiteit leidt immers niet tot het ontslag van de op [appellant] rustende betalingsverplichting. De grief slaagt daarom niet.

5.8

[appellant] heeft zich daarnaast gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij geen opdracht heeft gegeven tot de desbetreffende reparatie. Deze stelling komt erop neer dat een rechtsgrond voor de door hem gedane betaling ter zake van de reparatie ontbreekt. [appellant] verbindt daaraan het rechtsgevolg dat die betaling hem als onverschuldigd gedaan dient te worden terugbetaald. Van de feiten en rechten waaruit dat recht op terugbetaling volgt rust de bewijslast op [appellant] , nu [geïntimeerde] het ontbreken van een opdracht gemotiveerd heeft weersproken. Omdat [appellant] slechts een algemeen bewijsaanbod heeft gedaan en niet concreet en specifiek bewijs aanbiedt van zijn stelling dat hij geen opdracht heeft gegeven om zijn auto te repareren, zal dit bewijsaanbod worden gepasseerd, wat ertoe leidt dat in rechte een onverschuldigde betaling niet kan worden vastgesteld.

5.9

Vervolgens is aan de orde of [geïntimeerde] zich vanaf 13 augustus 2011 rechtsgeldig op een retentierecht kon beroepen. Daartoe overweegt het hof dat het primaire standpunt van [appellant] - inhoudende dat hij geen reparatiekosten verschuldigd was - gelet op het voorgaande moet worden verworpen. Betreffende het (subsidiaire) standpunt dat de vordering van [geïntimeerde] eerst door toezending van de factuur op 26 september 2011 opeisbaar werd, zodat de schade in ieder geval tot die datum moet worden berekend, overweegt het hof als volgt.

5.10

Het hof leidt uit de onder 3.6 genoemde brief van 13 augustus 2011 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) en het over en weer gestelde af dat [appellant] zich op enig moment voor 13 augustus 2011 op het standpunt heeft gesteld niet bereid te zijn de door Pouls uit te voeren werkzaamheden te betalen. Voor zover de vordering van [geïntimeerde] op dat moment al niet ex artikel 6:38 BW terstond na het verrichten van de werkzaamheden opeisbaar zou zijn geworden, staat vast dat door de weigerachtige houding van [appellant] de gevolgen van niet-nakoming zijn ingetreden nog voordat de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] opeisbaar werd (artikel 6:80 lid 1 onder b BW). Daartoe behoort ook de bevoegdheid tot opschorting van, in dit geval, die tot afgifte van de auto. Het aanvankelijk ontbreken van een factuur doet daaraan niet af. Gelet op het voorgaande heeft [geïntimeerde] zich rechtsgeldig op een retentierecht beroepen, toen hem bleek dat [appellant] betaling van de reparatiekosten weigerde. Voor de door [appellant] gevorderde schadevergoeding bestaat daarom geen grond. De grieven II en III falen.

5.11

In grief IV heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellant] door het voorval op 31 oktober 2011 heeft geleden, maar dat aan hem een te laag bedrag aan immateriële schadevergoeding is toegekend.

5.12

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] door de politierechter is veroordeeld wegens gijzeling van [appellant] op 31 oktober 2011. Uit de stellingen van partijen kan worden opgemaakt dat [appellant] , tezamen met twee andere personen, naar de schuur van de broer van [geïntimeerde] is gereden om zijn auto op te halen, alsmede dat het hek was afgesloten op het moment dat [appellant] na een woordenwisseling weer wilde vertrekken. Over het verdere verloop van die avond lopen de verklaringen van partijen uiteen.
heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door het incident immateriële schade heeft geleden ten bedrage van € 2.800,-, hetgeen hij onder meer heeft onderbouwd met verklaringen van zijn huisarts en een psycholoog. Zowel de huisarts als de psycholoog verklaren dat [appellant] een posttraumatische stressstoornis heeft ontwikkeld ten gevolge van de gijzeling/vrijheidsberoving. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat hij anti-depressiva met negatieve bijwerkingen diende te gebruiken, dat hij gedurende een langdurige periode ernstige slaapproblemen heeft gehad, dat hij gedurende twee jaren niet of nauwelijks in staat is geweest zijn werkzaamheden te verrichten, dat hij een EMDR-behandeling voor een angststoornis ondergaat, dat hij suïcidale neigingen heeft gehad en dat hij een tijd lang een ambulante behandeling van het crisiscentrum van Lentis heeft ondergaan.

5.13

Het hof stelt voorop dat de wet voorziet in vergoeding van vermogensschade en vergoeding van ander nadeel. In geval van ander nadeel heeft de benadeelde ingevolge artikel 6:106 BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, onder meer indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op een andere manier in zijn persoon is aangetast. Ook geestelijk letsel kan hieronder vallen, mits de psychische storingen zo ernstig zijn dat zij een aantasting in de persoon opleveren (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 389). Hoewel [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, kan de grief gelet op vergelijkbare zaken waarin immateriële schadevergoeding is toegekend, de aard van de verweten gedragingen en de aard van de aansprakelijkheid niet leiden tot een hoger bedrag dan het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 1.000,-. Met de kantonrechter acht het hof een bedrag van € 1.000,- in dit geval billijk. De grief faalt.

5.14

De grieven V en VI ten slotte zijn gericht tegen het dictum, waaronder de compensatie van proceskosten. Deze grief deelt het lot van de voorgaande grieven en kan evenmin slagen. Daarbij is het hof van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden tot een compensatie van proceskosten heeft kunnen oordelen. De vorderingen van [appellant] in eerste aanleg zijn immers slechts gedeeltelijk toegewezen.

6. De slotsom

6.1

De grieven falen zodat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd.

6.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 299,-

- salaris advocaat € 632,- (1 punt x tarief € 632,-)

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van 3 oktober 2012 en 5 december 2012 van de kantonrechter, locatie Groningen, tussen partijen gewezen onder zaak-/rolnummer 536051 / CV EXPL 12-1874;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 299,- voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. G. van Rijssen en mr. J.N. Bartels en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

7 maart 2017.