Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1819

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
200.204.601/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Mogelijk sprake van een gespleten loyaliteit bij de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.204.601/01

(zaaknummer rechtbank C/17/150030/FJ RK 16-772)

beschikking van 2 maart 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. H. de Jong te Burgum,

en

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. Y. Schippers te Groningen,

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
kantoorhoudend te Amsterdam,
verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 7 september 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 2 december 2016;
- een brief van de raad van 21 december 2016;
- het verweerschrift van de moeder met productie(s);
- een journaalbericht van mr. De Jong van 5 januari 2017 met productie(s);
- een brief van de GI van 8 februari 2017 met productie(s).

2.2

De hierna genoemde minderjarige [de minderjarige1] is door het hof in de gelegenheid gesteld zijn mening over de zaak te geven. Hij is voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de zaak gehoord door een raadsheer-commissaris.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van
16 februari 2017, waarbij zijn verschenen de moeder en haar advocaat, namens de raad mw. [B] , de vader en zijn advocaat en namens de GI mevrouw [C] en de heer [D] .

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van de thans nog minderjarigen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2002 te [E] (hierna:

[de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2005 te [E] (hierna:

[de minderjarige2] );
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2007 te [E] (hierna:

[de minderjarige3] ); en
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2009 te [E] (hierna:
[de minderjarige4] ),
waarover zij gezamenlijk het gezag uitoefenen en die bij de vader verblijven.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 1 augustus 2016, heeft de raad verzocht voornoemde minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ter onderbouwing is verwezen naar een daarbij gevoegd raadsrapport gedateerd 28 juli 2016.

3.3

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek toegewezen en de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 september 2016 tot 7 september 2017. De ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen waaraan gewerkt moet worden zijn volgens de kinderrechter:
- de spanningen tussen de ouders en het gebrek aan communicatie tussen hen;
- het ontbreken van omgang tussen de kinderen en de moeder;
- de loyaliteitsproblematiek van de kinderen;
- de sociaal-emotionele ontwikkeling en de identiteitsontwikkeling van de kinderen;
- het verkrijgen van zicht op de opvoedingssituatie bij de vader;
- de persoonlijke problematiek van de moeder;
- de achterstand in taal- en spraakontwikkeling en de gedragsproblemen van [de minderjarige4] ;
- de zorgen over de cognitieve ontwikkeling over het gedrag (dominant en brutaal) van
[de minderjarige2] op school.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

4.2

De moeder heeft in haar verweerschrift verzocht om de bestreden beschikking in stand te laten en de ondertoezichtstelling van de kinderen te continueren.

4.3

De raad heeft ter zitting verweer gevoerd en het hof verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, BW/ van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Het hoger beroep van de vader strekt er toe de zaak in volle omvang opnieuw te laten beoordelen, waarbij de vader kort gezegd van mening is dat ondertoezichtstelling een te zwaar middel is omdat hij tot op zekere hoogte de zorgen over de kinderen erkent en open staat voor hulp.

5.3

Namens de raad is ter zitting van het hof onder meer toegelicht dat de kinderen zich sterk naar de vader voegen en de ouders niet in staat zijn om hen een onbelast contact te laten hebben met de andere ouder. Daarbij zijn er volgens de raad zorgelijke signalen omtrent de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen zoals gedragsproblemen op school. De vader bagatelliseert de problematiek en stelt zich weliswaar coöperatief op maar in de praktijk is sprake van een gesloten gezinssysteem en komt men niet toe aan hulp voor de kinderen.

5.4

De GI is het eens met de raad en vindt het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt gecontinueerd. In het verweerschrift is toegelicht dat er sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling op 7 september 2016 tien huisbezoeken hebben plaatsgevonden tussen jeugdzorgwerkers, vader, moeder en de kinderen (apart van elkaar) maar dat zulks nog niet tot vooruitgang heeft geleid. Ter zitting is namens de GI hieraan toegevoegd dat in de gesprekken met de vader tot nu toe vooral is ingezet op het winnen van zijn vertrouwen en het bouwen aan een samenwerkingsrelatie maar dat de GI niet verder komt doordat de vader blijft steken in het uiten van zijn boosheid en frustraties jegens de moeder. De GI vindt het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt gecontinueerd omdat de zorgen nog niet zijn weggenomen.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de vader erg zijn best doet voor de kinderen. Hij staat alleen voor de verzorging en opvoeding van vier jonge kinderen nadat de moeder het gezin heeft verlaten. Niettemin lukt het hem de kinderen iedere keer tijdig en verzorgd naar school te laten gaan. Daarnaast zijn de kinderen sociaal actief. [de minderjarige1] en [de minderjarige3] voetballen graag, [de minderjarige2] vindt paardrijden leuk en [de minderjarige4] zit op zwemles en geniet daarvan. De vader benadrukt dat hij zich verantwoordelijk voelt als vader voor zijn kinderen en dat hij hen stimuleert in dit soort activiteiten. Zelf is hij ook druk bezig zich te mengen in het dorp. Deze inzet van de vader ondanks de voor hem duidelijk moeilijke omstandigheden valt hem natuurlijk te prijzen. De ouderlijke taak van de moeder houdt in beginsel inderdaad meer in dan alleen beslissingen nemen, zoals de vader ter zitting van het hof heeft opgemerkt. Voor het hof is verder duidelijk dat de vader er veel verdriet van heeft (gehad) dat de moeder niet meer deel uitmaakt van het gezin. De vader heeft in dit verband benadrukt dat hij haar meerdere kansen heeft geboden en zij hem en de kinderen meerdere keren in de steek heeft gelaten en de vader neemt haar dat nog steeds kwalijk.

5.6

De moeder heeft toegelicht dat zij het gezin mede heeft verlaten vanwege het agressieve gedrag van de vader. Zij stelt dat de vader haar en de kinderen (wekelijks) fysiek mishandelde in de tijd dat zij nog samen waren. De moeder wil graag contact met de kinderen maar dat lukt volgens haar niet door de opstelling en houding van de vader.

De vader heeft deze beschuldigingen van de moeder aan zijn adres nadrukkelijk betwist. De kinderen hebben volgens de vader er nu zelf voor gekozen geen contact meer met hun moeder te willen omdat zij hen (herhaaldelijk) heeft laten zitten en ook hen heeft gekwetst. [de minderjarige1] heeft tijdens het kinderverhoor tegenover de raadsheer-commissaris van het hof ook in die strekking verklaard. Hij voelt zich gekwetst door de moeder, is boos op haar en wil niet meer dat slechte gevoel dat zij hem bezorgt. Het gaat nu goed met hem thuis, op school en op voetbal en hij wil dat graag zo houden en wil vooral met rust gelaten worden.

5.7

Het hof is van oordeel dat ondanks dat de vader erg zijn best doet er hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk is. De vader en de kinderen lopen rond met veel boosheid, pijn en teleurstelling over het vertrek van de moeder. De relatiebreuk is traumatiserend voor de kinderen verlopen. De vader ontkent weliswaar hetgeen over de aard en het verloop van een (ernstige) escalatie in het bijzijn van de kinderen in het rapport van de raad is aangegeven maar de weergave daarvan is afkomstig van een hulpverlener en het hof heeft geen enkele aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. De kinderen hebben zich inmiddels volledig afgekeerd van de moeder en er lijkt sprake van een gespleten loyaliteit. De kinderen hebben hulp nodig bij de verwerking van hun verleden en hulp nodig bij het leren omgaan met de problematiek van met name hun moeder en de nieuwe gezinssituatie. Uit de stukken is immers gebleken dat de moeder kampt met persoonlijke problematiek, waaronder een verstandelijke beperking en een beperkte draagkracht. Juist daarom is het van groot belang dat de vader in het belang van de ontwikkeling van zijn kinderen inzicht verkrijgt in de gevolgen van de problematiek van de moeder, zijn rol daarin en de gevolgen daarvan voor de kinderen. Het gaat hier dus niet om een zogenoemde omgangsondertoezichtstelling zoals de vader veronderstelt. Integendeel; op dit moment is niet in te schatten of op termijn omgang tussen de moeder en de kinderen in een bestendige vorm tot de mogelijkheden behoort. Hoewel het op zich redelijk lijkt te gaan met de kinderen op school zijn er in dit verband wel ook zorgelijke signalen over (onaangepast) gedrag. Het hof heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de vader uit eigen beweging de nodige hulp zal maar ook kan inschakelen omdat hij onvoldoende de problematiek en zijn mogelijkheden daarin lijkt te herkennen. Hij wijt alles aan de moeder en andersom is dat ook zo. Dat leidt tot conflicten en escalaties waarbij de ouders, blijkens de stukken ook in bijzijn van de kinderen en begeleiding (zoals het incident in juni 2016 dat in het raadsrapport wordt beschreven), hun emoties niet onder controle hebben en grenzen ver worden overschreden. Nodig is dat alle betrokkenen inzicht krijgen en leren omgaan met elkaars beperkingen. Met name de kinderen hebben nodig dat zij begrip krijgen voor de situatie waarin zij zijn komen te verkeren waaronder mede begrepen de (persoonlijke) problematiek van hun ouders en verwerking van negatieve ervaringen.

5.8

Het ouderlijk gezag omvat voorts mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het stelselmatig negeren van de verplichting om de ontwikkeling van de banden van het kind met de andere ouder te bevorderen onder omstandigheden een rechtvaardiging kan vormen voor ondertoezichtstelling van het kind omdat het kind hierdoor in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De wetgever gaat er in beginsel van uit dat een kind het recht heeft om met beide ouders een goede ouderband op te bouwen en beide ouders hebben de plicht om hun medewerking te verlenen aan het groeien van de band tussen ouder en kind. Verder volgt uit onderzoek dat ouderverstoting, oudervervreemding en ernstige loyaliteitsproblemen bij kinderen van gescheiden ouders sterk samenhangen met ernstige ouderlijke conflicten. Deze aspecten zijn zeer negatief voor de ontwikkeling van kinderen. Het moge zo zijn dat de vader niet bewust de moeder uit het leven van de kinderen houdt maar het is voor het hof zonneklaar dat het hem niet lukt om zijn teleurstelling en verdriet bij de kinderen weg te houden. Dat bij de moeder mogelijk ook sprake is van onmacht vanwege haar problematiek lijkt door de vader niet te worden begrepen.

5.9

Gelet op het voorgaande acht het hof aannemelijk dat bij het uitblijven van de ondertoezichtstelling de kinderen zodanig zullen opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarigen of voor de ouder(s) door deze(n) niet of onvoldoende worden geaccepteerd. Voorts is op dit moment nog de verwachting gerechtvaardigd dat de ouder(s) in staat zijn binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen.

5.10

Het hof heeft op dit moment geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een kortere duur van de maatregel volstaat.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 7 september 2016 waarvan beroep;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is op 2 maart 2017 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.