Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1810

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
200.207.932/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdhulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.207.932/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/429077 /JL RK 16-797)

beschikking van 28 februari 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verblijvende te [B] in [C] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt te Lelystad,

en

de gecertificeerde instelling

Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Almere,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de moeder.

Als informant is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 3 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 24 januari 2017;

- een journaalbericht van mr. Uijt de boogaardt 6 februari 2017 met productie(s);

- het verweerschrift van de GI;

- een journaalbericht van mr. Uijt de boogaardt van 13 februari 2017 met productie(s).

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 13 februari 2017 plaatsgevonden. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI zijn verschenen de heer [D] (jeugdbeschermer) en de heer [E] . De moeder is eveneens verschenen. De vader is met bericht van verhindering niet verschenen. De raad voor de kinderbescherming is uitgenodigd maar niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders is onder meer [verzoeker] geboren, [in] 2000 te [F] . De moeder is alleen belast met het gezag over [verzoeker] .

3.2

Bij beschikking van 8 maart 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden Nederland [verzoeker] onder toezicht gesteld van de GI tot 8 maart 2017. Bij beschikking van 7 juni 2016 heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [verzoeker] verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.3

De GI heeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) op 12 december 2016 bepaald dat gesloten jeugdhulp voor [verzoeker] nodig is. De GI heeft daartoe een verzoek ingediend bij de rechtbank. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [verzoeker] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft op 13 december 2016 ingestemd met het verzoek.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de GI een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [verzoeker] verleend met ingang van 3 januari 2017 voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.5

[verzoeker] is met ingang van 4 augustus 2016 opgenomen in [G] in [H] . Per 5 januari 2017 verblijft hij op basis van de machtiging gesloten jeugdhulp bij [B] in [C] .

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

4.2

[verzoeker] is het niet eens met de machtiging gesloten jeugdhulp. De GI persisteert bij het inleidend verzoek om die machtiging. Ook de moeder staat achter dat verzoek.

4.3

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 3 januari 2017 waarbij de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing is gegeven omdat voor hem onduidelijk was of die machtiging verlengd zou worden. Ter zitting heeft hij laten weten dat hij liever naar een behandelgroep van [G] gaat. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat zij niet voornemens is om een verlenging van de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing te geven. Genoemde onduidelijkheid is nu dan ook weggenomen.

4.4

[verzoeker] is van mening dat de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing niet terecht is gegeven. Uit het verhandelde ter zitting en het dossier is het hof daarentegen van oordeel dat de machtiging terecht is gegeven. Niet weersproken is dat er bij [verzoeker] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat uithuisplaatsing noodzakelijk is (geweest).

Voorts waren er terecht zorgen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft zou onttrekken. Hij [verzoeker] wijt de problemen die er bij [G] waren weliswaar aan [G] , maar dat gaat in elk geval niet op voor het feit dat hij (in ieder geval) eenmaal weggelopen is bij [G] en dat hij meermalen na het weekendverlof bij de moeder ondanks haar aandringen niet tijdig is teruggekeerd, maar dagen te laat weer naar de groep is teruggekeerd. Dat leidde tot grote problemen. De benodigde diagnostiek werd daardoor belemmerd en het kon niet tot behandeling komen.

Voorts was erg zorgelijk dat er meermalen ernstige incidenten zijn voorgevallen bij [G] . [verzoeker] heeft daarbij onder meer ruzie gemaakt, gedreigd en zich fysiek agressief geuit tegen anderen waarbij de groepsleiding hem ook heeft gefixeerd vanwege zijn grote agressie. De veiligheid voor [verzoeker] en zijn omgeving is door dit gedrag van [verzoeker] in het gedrang gekomen.

[G] heeft hierop een time-out plaatsing geadviseerd in een jeugdzorg plus instelling. Die time-out plaatsing in de vorm van de gesloten uithuisplaatsing bij [B] te [C] heeft het gewenste effect gehad en geleid tot een verbetering van gedrag bij [verzoeker] . Dat is ook niet door [verzoeker] bestreden.

4.5

[verzoeker] heeft overigens opgemerkt dat de instemming van de gedragswetenschapper niet duidelijk de reden(en) vermeldt waarom gesloten jeugdzorg noodzakelijk is in plaats van besloten jeugdzorg. De gedragswetenschapper had dat naar het oordeel van het hof weliswaar duidelijker kunnen uitleggen maar uit zijn bevindingen uit het dossier en zijn gesprek met [verzoeker] - in samenhang bezien - kan worden opgemaakt waarom de gedragswetenschapper van oordeel is dat gesloten jeugdhulp nodig is om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de nodige jeugdhulp onttrekt of door anderen zal worden onttrokken. Deze opmerking van [verzoeker] baat hem daarom niet.

4.6

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat, anders dan [verzoeker] aanvoert, de gronden voor opneming en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg aanwezig zijn geweest. Daaruit volgt dat het hof de beschikking dient te bekrachtigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 3 januari 2017;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, Z.J. Oosting en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 28 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.