Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1794

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
200.181.149/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht (oud). In eerste aanleg is de ontbinding uitgesproken van de arbeidsovereenkomst, zonder toekenning van een vergoeding aan de werknemer (gevraagd was c=2). De werknemer komt in hoger beroep. Ter doorbreking van het appelverbod voert hij onder meer aan dat hij een gegronde reden had om niet te verschijnen op gesprekken over zijn re-integratie vanwege een pest- en roddelcampagne op de werkvloer. Ook heeft de kantonrechter de beginselen van hoor en wederhoor heeft geschonden en ten onrechte geen voorlopig getuigenverhoor toegestaan. Het hof verwerpt deze stellingen. De kantonrechter heeft het verzoek tot het houden van een getuigenverhoor afgewezen omdat de werknemer de pest- en roddelcampagne onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Schending van hoor en wederhoor levert dit niet op. Voor zover over de motivering van het oordeel van de kantonrechter wordt geklaagd, kan dit niet tot doorbreking van het appelverbod leiden. Ook voor het overige heeft de werknemer geen argumenten aangevoerd die kunnen leiden tot doorbreking van het appelverbod, zodat het hoger beroep is verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1196
AR-Updates.nl 2017-0257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.181.149/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4198822 EJ VERZ 15-156)

beschikking van 3 maart 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Stichting Algemeen Christelijk Ziekenhuis Groningen, h.o.d.n. Martini Ziekenhuis,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: het ziekenhuis,

advocaat: mr. G. Ham, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 28 augustus 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift (met producties), binnengekomen ter griffie op 27 november 2015, is door [appellante] hoger beroep ingesteld van voormelde beschikking. De conclusie van het beroepschrift strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende, bij toewijzing van het ontbindingsverzoek aan [appellante] een vergoeding toe te kennen gebaseerd op de kantonrechtersformule met factor c=2, onder veroordeling van het ziekenhuis in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2

Het ziekenhuis concludeert in haar verweerschrift, binnengekomen ter griffie op 8 januari 2016, tot verwerping van het hoger beroep van [appellante] dan wel tot bekrachtiging van de beschikking van de kantonrechter van 28 augustus 2015, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3

Bij faxbericht van 17 mei 2016 heeft [appellante] in het geding gebracht het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 augustus 2015.

2.4

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof, waarbij door de advocaten van partijen pleitnota's zijn overgelegd.

3 De feiten

3.1

Tegen de weergave van de feiten door de kantonrechter in onderdeel 1 van de bestreden beschikking is door [appellante] niet gegriefd, noch is het hof van bezwaren hiertegen gebleken. Het hof gaat in hoger beroep dan ook - voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil - uit van de volgende feiten die als vaststaand hebben te gelden.

3.2

[appellante] is in 1996 in dienst getreden bij het ziekenhuis in de functie van medisch secretaresse op de afdeling [B] . Tot 2007/2008 heeft zij uitsluitend voor één [specialist] gewerkt, de heer [C] . Vanaf 2007/2008 is de werkwijze veranderd en sindsdien werken alle secretaresses in beginsel voor alle [specialisten] .

3.3

In 2011 is de toenmalig leidinggevende van [appellante] , mevrouw [D] , begonnen met het bijhouden van aantekeningen van de gesprekken die zij heeft gevoerd over haar, [appellante] 's, functioneren.

3.4

[appellante] heeft zich op 2 januari 2012 ziek gemeld met deels werkgerelateerde spanningsklachten. Vervolgens heeft enkele maanden intensief overleg plaatsgevonden, waarbij ook de bedrijfsarts betrokken was.

3.5

Op 27 april 2012 is voor [appellante] een loopbaantraject gestart. Dit traject is in september 2012 afgerond. Uit de rapportage blijkt dat [appellante] zelf aangeeft dat zij chaotisch kan zijn en fouten maakt bij teveel routinewerk. Ook heeft [appellante] aangegeven dat zij moeite heeft met haar concentratie, details, veel regels en papier- en PC-werk. De loopbaan- en mobiliteitsadviseur is na afronding van het traject tot de conclusie gekomen dat het voor de korte termijn voor de stabiliteit van [appellante] het beste is wanneer zij haar huidige functie blijft uitoefenen. Voor de langere termijn is het volgens de adviseur aan te raden dat [appellante] zich gaat oriënteren op werk in een kleinere setting. Conform dit advies is [appellante] werkzaam gebleven op de afdeling [B] .

3.6

Uit het verslag van het jaargesprek 2013 blijkt dat [appellante] heeft voorgesteld om te bespreken hoe zij zich beter kan concentreren om fouten te voorkomen. Het jaargesprek 2014 heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. [appellante] heeft als gesprekspunten voorgesteld: "minder fouten maken" en [D] onder meer "luisteren en concentratie". De competentie "samenwerken" is volgens [D] bij [appellante] nog niet voldoende ontwikkeld, terwijl de competentie "accuratesse" door [D] als onvoldoende wordt beoordeeld. [D] heeft voorts aangegeven dat [appellante] niet voortdurend van haar werkplek moet weglopen.

3.7

Het ziekenhuis kent een systeem van incidentmeldingen, genaamd "Veilig Incident Melden" (hierna: VIM), waarbij het (ook) kan gaan om administratieve fouten. Tijdens het jaargesprek op 9 september 2014 zijn een aantal VIM-meldingen onderwerp van gesprek geweest tussen [appellante] en [D] .

3.8

In de periode na 9 september 2014 heeft [D] vier fouten van [appellante] geconstateerd. Daarna hebben gesprekken plaatsgevonden (onder meer op 6 november 2014) over een verbetertraject voor [appellante] op de eigen afdeling (optie 1) of een proefplaatsing op een kleinere, minder hectische afdeling (optie 2). In een brief aan [appellante] van 27 november 2014 heeft de heer [E] van de afdeling P&O de met [appellante] besproken opties op een rij gezet, met toevoeging (op verzoek van [appellante] ) van de optie van beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

3.9

Op 12 januari 2015 heeft [appellante] zich ziekgemeld met spanningsklachten die verband houden met de hiervoor onder 3.8 weergegeven gesprekken. In een e-mail van 19 januari 2015 heeft [appellante] gevraagd om betere voorwaarden bij de optie van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In een reactie heeft het ziekenhuis laten weten hiertoe niet bereid te zijn, omdat beëindiging wat haar betreft niet aan de orde is.

3.10

Op 27 januari 2015 is het ziekenhuis (bij monde van de heer [E] ) akkoord gegaan met een mediationtraject. Om een dergelijk traject was gevraagd door de gemachtigde van [appellante] en de bedrijfsarts heeft dienovereenkomstig geadviseerd. Afgesproken is dat [appellante] binnen een week een voorstel voor een mediator zou doen.

3.11

Op 9 februari 2015 heeft [appellante] tijdens een overleg gesteld dat sprake is van een tegen haar gerichte roddel- en pestcampagne binnen de afdeling [B] .

3.12

Bij brief van 12 februari 2015 heeft mevrouw [F] , organisatorisch manager, namens het ziekenhuis meegedeeld dat [appellante] - omdat zij geen keuze heeft gemaakt uit de in 3.8 vermelde opties - tijdelijk wordt geplaatst op de polikliniek [G] . Op deze afdeling zal [appellante] onder begeleiding van de bedrijfsarts en de leidinggevende (mevrouw [H] ) re-integreren in haar eigen functie. Zodra deze re-integratie volledig is, zal een verbetertraject worden gestart waarin [appellante] aan haar functioneren kan werken. Verder is in de brief aan [appellante] meegedeeld dat zij - omdat het ziekenhuis inziet dat de afgelopen periode veel van [appellante] heeft gevraagd - een time-out krijgt en eerst op 2 maart 2015 wordt verwacht op het kantoor van [H] voor het maken van afspraken over de re-integratie.

3.13

De gemachtigde van [appellante] heeft per e-mail van 27 februari 2015 laten weten dat
geen gehoor zal geven aan de uitnodiging voor het gesprek over haar re-integratie op 2 maart 2015.

3.14

De bedrijfsarts heeft op 3 maart 2015 geadviseerd om [appellante] met ingang van 16 maart 2015 werkzaamheden op re-integratiebasis te laten verrichten. Naar aanleiding van dit advies heeft het ziekenhuis [appellante] bij brief van 4 maart 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 9 maart 2015. Daarbij is aangegeven dat de salarisbetaling met ingang van 9 maart 2015 zal worden stopgezet indien [appellante] niet verschijnt.

3.15

Op 9 maart 2015 is [appellante] niet verschenen op het gesprek over haar re-integratie. De salarisbetaling is door het ziekenhuis met ingang van die datum stopgezet.

3.16

Het ziekenhuis heeft [appellante] bij brief van 11 maart 2015 opnieuw uitgenodigd voor een gesprek over haar re-integratie. [appellante] is op dit gesprek, dat gepland stond voor 16 maart 2015, niet verschenen.

3.17

Bij brief van de advocaat van het ziekenhuis aan de gemachtigde van [appellante] van 27 maart 2015 is [appellante] uitgenodigd voor een gesprek over haar re-integratie op haar eigen afdeling ( [B] ) op 31 maart 2015. Dit gesprek heeft nimmer plaatsgevonden.

3.18

[appellante] heeft het ziekenhuis in kort geding betrokken en gevorderd dat het ziekenhuis wordt veroordeeld tot doorbetaling van haar salaris ingaande 9 maart 2015. Bij kort geding vonnis van 8 mei 2015 (zaaknr. 4051842 VV EXPL 15-62) heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] afgewezen.

3.19

Bij brief van 13 mei 2015 heeft het ziekenhuis [appellante] uitgenodigd voor een gesprek over haar re-integratie op 20 mei 2015. Daarbij is aangegeven dat dit de laatste uitnodiging is. Indien [appellante] niet verschijnt, zal het ziekenhuis overgaan tot beëindiging van het dienstverband.

3.20

De gemachtigde van [appellante] heeft per e-mail van 19 mei 2015 laten weten dat [appellante] op 20 mei 2015 niet zal verschijnen vanwege uitlatingen die zijdens het ziekenhuis zijn gedaan tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 28 april 2015.

3.21

Per e-mail van 20 mei 2015 heeft (de gemachtigde van) het ziekenhuis vervolgens meegedeeld dat een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden ingediend. In reactie hierop heeft de gemachtigde van [appellante] per e-mail van 21 mei 2015 laten weten dat [appellante] slechts bereid is haar werkzaamheden op re-integratiebasis te hervatten indien de kritiek op haar functioneren en het verbetertraject van tafel gaan. Ook dient volgens (de gemachtigde van) [appellante] misbruik van de VIM's te worden besproken en dient het ziekenhuis de pest- en roddelcampagne te erkennen.

4 De procedure en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Het ziekenhuis heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst tusssen partijen met ingang van de eerst mogelijke datum te ontbinden op grond van een dringende reden, dan wel veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in art. 7:685 lid 2 (oud) BW, zonder toekenning aan [appellante] van enige vergoeding.

4.2

[appellante] heeft verweer gevoerd en verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te houden teneinde bewijs te leveren voor haar stellingen, die door het ziekenhuis worden betwist. Voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, verzoekt [appellante] om dit alleen te doen onder toekenning van een ontbindingsvergoeding conform de kantonrechtersformule met factor c=2.

4.3

Tevens heeft [appellante] verzocht de ontbindingsprocedure te voegen met de tussen partijen lopende procedure onder nummer 4127785 CV 15-6049. In die procedure heeft [appellante] onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat het ziekenhuis heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap als bedoeld in de artikelen 7:611 BW en 7:628 BW en/of de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 BW. Volgens [appellante] gaat het in beide zaken om bewijs van dezelfde feiten waarover partijen het volledig oneens zijn.

4.4

Bij brief van 18 augustus 2015 heeft de griffier namens de kantonrechter aan partijen laten weten dat hij het verzoek tot voeging van beide zaken afwijst.

4.5

Bij de bestreden beschikking van 28 augustus 2015 heeft de kantonrechter het verzoek van [appellante] tot het houden van een (voorlopig) getuigenverhoor afgewezen, de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op verzoek van het ziekenhuis ontbonden met ingang van 1 september 2015 en de proceskosten gecompenseerd, zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 Toepasselijk recht en ontvankelijkheid

5.1

Ingevolge de overgangsbepaling van art. XXII lid 1, aanhef en onder c, in de Wet werk en zekerheid dient in dit geding te worden geoordeeld op grond van de tekst van art. 7:685 BW zoals dat luidde op 30 juni 2015.

5.2

[appellante] legt aan haar appel ten grondslag dat de kantonrechter bij het nemen van zijn beslissing fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. [appellante] beroept zich daarmee op door de Hoge Raad erkende doorbrekingsgronden van het rechtsmiddelenverbod van art. 7:685 lid 11 (oud) BW. [appellante] is reeds op die grond ontvankelijk in haar hoger beroep (HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR: 1998:ZC2557). Het appel kan evenwel slechts inhoudelijk worden beoordeeld wanneer wordt vastgesteld dat inderdaad sprake is van een doorbrekingsgrond.

6 Met betrekking tot de doorbrekingsgronden

6.1

[appellante] heeft samengevat het navolgende aangevoerd. Een van de belangrijkste geschilpunten betreft de vraag of [appellante] een gegronde reden had om niet te verschijnen op gesprekken over haar re-integratie. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellante] niet een gegronde reden had, maar bij die beoordeling heeft de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. De kantonrechter heeft niet dan wel onvoldoende kennis genomen van de inhoud van het verweerschrift en de producties die door [appellante] zijn ingediend. Daardoor heeft de kantonrechter een of meer stellingen van [appellante] ten onrechte als tardief aangemerkt. Mede op grond van die onjuiste beoordeling heeft de kantonrechter eveneens ten onrechte geweigerd [appellante] toe te laten tot bewijslevering (door middel van het horen van getuigen) van haar stellingen dat sprake was van een pest- en roddelcampagne waaronder [appellante] leed en dat [appellante] geen ondersteuning en/of urenuitbreiding heeft gekregen waar haar collega's die wel kregen. Deze pest- en roddelcampagne was voor [appellante] de reden om niet eerder dan nadat deze kwestie zou zijn opgelost, met het ziekenhuis in gesprek te willen over haar re-integratie, omdat eerst dan sprake zou zijn van een veilige werkomgeving waarnaar zij terug zou willen keren. Onder deze omstandigheden heeft geen volwaardige beoordeling kunnen plaatsvinden van de vraag of [appellante] een gegronde reden had om geen gehoor te geven aan de uitnodigingen van het ziekenhuis om te verschijnen op gesprekken over haar re-integratie, aldus tot zover [appellante] .

6.2

Het hof stelt voorop dat de strekking van het appelverbod van art. 7:685 lid 11 (oud) BW is om iedere discussie uit te sluiten over de wijze waarop de rechter van zijn aan dat artikel ontleende bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt deze strekking echter niet dat ook een beslissing die met een beroep op art. 7:685 (oud) BW, maar buiten het toepassingsgebied daarvan is gegeven, aan een hogere voorziening is onttrokken (HR 12 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB8578).

6.3

Naar vaste rechtspraak speelt de omstandigheid dat één van de betrokken partijen het niet eens is met de motivering van de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter - zelfs indien die motivering gebrekkig zou zijn - geen rol bij de beantwoording van de thans aan de orde zijnde (voor-)vraag, namelijk of er een grond is voor doorbreking van het appelverbod. Voor een dergelijke doorbreking is (naast het zich hier niet voordoende geval waarin de rechter het toepassingsbereik van art. 7:658 (oud) BW heeft miskend) slechts dan ruimte bij schending van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling (zie o.a. HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2312).

6.4

Het hof overweegt dat uit de bestreden beschikking alsook uit de eigen stellingen van [appellante] (randnr. 6 van het beroepschrift) blijkt, dat de kantonrechter reeds voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek beschikte over het verweerschrift van [appellante] inclusief producties. Voor zover [appellante] grieft dat de kantonrechter geen kennis heeft genomen van de inhoud van het verweerschrift en de producties die door [appellante] zijn ingediend, ontbeert die grief dan ook feitelijke grondslag.

6.5

Voor zover [appellante] met haar grieven 1 en 2 grieft dat de kantonrechter de inhoud van het verweerschrift en de producties die door [appellante] zijn ingediend niet op waarde heeft geschat en dat hij een of meer stellingen van [appellante] ten onrechte als tardief heeft aangemerkt, gaat het in essentie om motiveringsklachten die - gelet op hetgeen is overwogen in 6.3 - niet tot doorbreking van het appelverbod kunnen leiden.

6.6

Zo stelt [appellante] dat de kantonrechter een uitdrukkelijke betwisting van een stelling van het ziekenhuis heeft miskend en daardoor ten onrechte heeft aangenomen dat [appellante] fouten heeft gemaakt die het inzetten van een verbetertraject rechtvaardigen door in rechtsoverweging 4.7 van de bestreden beschikking te oordelen:

"Het voorstellen van een verbetertraject was kennelijk gestoeld op geconstateerde fouten die [appellante] had gemaakt. Zij heeft die fouten niet betwist".

[appellante] wijst er in dit verband op dat zij in randnummer 10 van het verweerschrift in eerste aanleg onder meer heeft aangevoerd:

"Dit alles heeft niet plaats gevonden zodat [appellante] de fouten betwist te hebben gemaakt en/of dat de fouten met haar dan wel in het werkoverleg besproken zijn."

[appellante] doet het in appel voorkomen alsof deze betwisting alle door haar gemaakte fouten zou betreffen, maar de hiervoor aangehaalde zinsnede uit het verweerschrift in eerste aanleg is gesteld in de sleutel van de procedure rond de VIM-meldingen, waarbij de strekking van het betoog in het verweerschrift is dat die procedure niet, althans niet goed is gevolgd. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking echter niet alleen de fouten benoemd die uit VIM-meldingen zouden blijken (rechtsoverweging 1.11; hierboven opgenomen in 3.7), maar ook in de rechtsoverwegingen 1.6 en 1.10 (hierboven opgenomen in 3.5 en 3.6). Daargelaten dat [appellante] niet heeft gegriefd tegen de feiten zoals die door de kantonrechter zijn vastgesteld en daarmee ook in hoger beroep als vaststaand hebben te gelden, heeft [appellante] niet gesteld dat het voorgestelde verbetertraject (zie 3.8) enkel en alleen gebaseerd was op de VIM-meldingen en zulks blijkt ook niet uit de overwegingen van de kantonrechter. Aldus is [appellante] grief tegen het aangehaalde oordeel van de kantonrechter een motiveringsklacht die niet tot doorbreking van het appelverbod kan leiden.

6.7

[appellante] heeft voorts gegriefd tegen hetgeen de kantonrechter in rechtsoverweging 4.10 van de bestreden beschikking heeft overwogen:

"Verder is de kantonrechter van oordeel dat er geen enkele concrete aanleiding is genoemd op grond waarvan van Martini Ziekenhuis verlangd had kunnen worden om onderzoek te doen naar het bestaan van een pest- of roddelcampagne tegen [appellante] . De stelling ter zitting dat [appellante] geen urenuitbreiding heeft gekregen en haar collega's wel, is voor het eerst ter zitting naar voren gebracht en daarmee tardief."

[appellante] verwijst naar de randnummers 15 en 30 van haar verweerschrift in eerste aanleg ter onderbouwing van haar betoog dat geen sprake is van een eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling, zulks echter tevergeefs. In randnummer 15 (voor zover hier relevant) valt te lezen:

"Vanaf 2013 moest [appellante] extra werk verrichten waarvoor zij ondanks herhaald verzoek geen extra uren noch hulp kreeg. Dit terwijl collegae bereid waren om [appellante] te helpen bij het verwerken van het vele werk dat op haar afkwam. Het MZH (hof: ziekenhuis) wist dit maar deed er niets aan."

en in randnummer 30 (voor zover hier relevant):

"[appellante] heeft herhaaldelijk gevraagd om ondersteuning maar deze niet gekregen en gesmeekt om in te grijpen voor wat betreft het roddelen, echter het MZH deed niets anders dan [appellante] na een goede beoordeling wegens drie luttele en zelfs betwiste fouten het stempel disfunctioneren te plakken."

In de door [appellante] aangegeven onderdelen van het verweerschrift in eerste aanleg is derhalve niet de stelling terug te vinden "dat [appellante] geen urenuitbreiding heeft gekregen en haar collega's wel". De grief mist in zoverre feitelijke grondslag, dan wel de grief berust op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Voor zover [appellante] opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen concrete aanleiding is genoemd op grond waarvan van Martini Ziekenhuis verlangd had kunnen worden om onderzoek te doen naar het bestaan van een pest- of roddelcampagne, gaat het om alleen een motiveringsklacht en stuit dit af op hetgeen is overwogen in 6.3.

6.8

Grief 3 komt erop neer dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen, ondanks dat het ziekenhuis hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. [appellante] heeft aangeboden de pest- en roddelcampagne (waarvan volgens [appellante] deel uitmaakt het niet krijgen van extra uren waar collega's die wel kregen) die tegen [appellante] werd gevoerd, aan te tonen door het horen van getuigen. Grief 4 bouwt hierop voort met de stelling dat de kantonrechter ten onrechte geen onderzoek heeft willen instellen naar het ontoelaatbare gebruik van de VIM-meldingen, terwijl deze meldingen volgens [appellante] in strijd met het protocol ten grondslag zijn gelegd aan het disfunctioneren en het ontslag.

6.9

Gelet op de kop en nummer 34 van het verweerschrift heeft [appellante] naast het indienen van een verweerschrift tegen het verzoek van het ziekenhuis tevens beoogd een zelfstandig verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in te dienen. Op zichzelf staat artikel 186 lid 2 Rv dat toe. Kennelijk heeft [appellante] hiermee beoogd dat de kantonrechter de behandeling van het verzoek van het ziekenhuis zou aanhouden totdat het voorlopig getuigenverhoor had plaatsgevonden en dat eerst met inbreng van hetgeen in het voorlopig getuigenverhoor naar voren was gebracht op het verzoek van ziekenhuis zou worden beslist.

6.10

De kantonrechter heeft het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor betrokken bij de vraag of [appellante] in de gelegenheid dient te worden gesteld getuigen te horen. Gelet op het late stadium waarin het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor is gedaan, heeft de kantonrechter daarmee niet gehandeld in strijd met een goede procesorde. De kantonrechter heeft het bewijsaanbod en daarmee ook het voorlopig getuigenverhoor afgewezen. De grieven 3 en 4 leggen aan het hof de vraag voor of de kantonrechter, door het bewijsaanbod en verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van [appellante] te passeren, een fundamenteel rechtsbeginsel als bedoeld in 6.3 heeft geschonden. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. De kantonrechter heeft zijn beslissing gemotiveerd in rechtsoverweging 4.10, door te overwegen dat door [appellante] geen enkele concrete aanleiding is genoemd op grond waarvan van het ziekenhuis verlangd had kunnen worden onderzoek te doen naar een pest- en roddelcampagne, dat de pest- en roddelcampagne pas sinds februari 2015 wordt genoemd en dat [appellante] geen concrete omstandigheden heeft gesteld (en hiervan ook overigens niet is gebleken) waarover getuigen gehoord zouden kunnen worden. Hieruit blijkt dat de kantonrechter de argumenten van [appellante] in eerste aanleg heeft gewogen, maar te licht heeft bevonden. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor kan echter niet worden gesproken. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat het ziekenhuis zich niet verzette tegen een andersluidende beslissing van de kantonrechter - zoals [appellante] stelt, maar het ziekenhuis betwist - leidt dit niet tot een ander oordeel. Het is immers aan de rechter om te beslissen of een bewijsaanbod voldoende concreet en ter zake dienend is.

6.11

De beslissing van de kantonrechter om het bewijsaanbod en het verzoek van het voorlopig getuigenverhoor van [appellante] te passeren is ook niet onbegrijpelijk tegen de achtergrond van de aard van de ontbindingsprocedure zoals die vóór 1 juli 2015 was ingericht. Die procedure was gericht op een spoedige beslissing en leende zich niet voor (uitvoerige) bewijslevering (HR 3 december 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4492 en HR 29 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7285). Hierbij moet worden bedacht dat de in een ontbindingsprocedure aangenomen feiten geen gezag van gewijsde krijgen. Naar vaste rechtspraak wettigt de aard van de ontbindingsprocedure niet te aanvaarden dat in een volgend geding bindende kracht toekomt aan beslissingen van de kantonrechter die niet de ontbinding en de naar billijkheid toe te kennen vergoeding betreffen (zie HR 16 april 1999, C97/324HR, JAR 1999/104 en HR 27 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0608). Het staat de rechter in een eventueel volgend geding dan ook vrij - bijvoorbeeld in de zaak met nummer 4127785 CV 15-6049 waarvan [appellante] in eerste aanleg heeft verzocht die te voegen met de ontbindingsprocedure - anders te oordelen dan de kantonrechter heeft gedaan over de relevantie van de door [appellante] gestelde pest- en roddelcampagne en de bewijslevering daaromtrent. De kantonrechter kon het bewijsaanbod van [appellante] in de ontbindingsprocedure dan ook passeren zonder afbreuk te doen aan de processuele positie van [appellante] in de zaak met nummer 4127785 CV 15-6049. Aldus falen de grieven 3 en 4.

6.12

Dat de kantonrechter in zijn beslissing de VIM-meldingen heeft meegewogen zonder nader onderzoek te hebben verricht naar de door [appellante] betwiste toelaatbaarheid van het gebruik van die meldingen, behoort tot de vrijheid die een rechter gelaten dient te worden bij zijn oordeelvorming. Klachten daarover moeten worden beschouwd als motiveringsklachten die geen grond bieden voor doorbreking van het appelverbod.

6.13

Met grief 5 bestrijdt [appellante] de hierna door het hof onderstreepte passage in rechtsoverweging 4.7 van de bestreden beschikking:

"(...) De gemachtigde van [appellante] heeft in het verweerschrift aangevoerd dat in het e-mailbericht van 27 februari 2015 uiteen is gezet wat er precies speelde, dat er slechts gevraagd is om een neutrale vergoeding bij beëindiging van het dienstverband, en dat [appellante] mede om die reden niet zou hoeven te verschijnen op het gesprek op 2 maart 2015. Deze redenering kan niet worden gevolgd, omdat - nog daargelaten dat in het e-mailbericht geen voorstel wordt gedaan - een uiteenzetting van gebeurtenissen geen reden is om niet te verschijnen. Ook wordt in het e-mailbericht door de gemachtigde van [appellante] genoemd dat de arbo-arts heeft geadviseerd om snel tot een oplossing te komen; hiermee heeft de arbo-arts naar alle waarschijnlijkheid gedoeld op het voeren van gesprekken, waarvoor [appellante] nu juist niet is verschenen. Voor het niet-verschijnen op de overige drie uitnodigingen voor een gesprek voorafgaand aan het kort geding, is geen enkele reden aangevoerd. (...)"

6.14

[appellante] wil ingang doen vinden dat de kantonrechter met de onderstreepte passage ten onrechte feiten heeft aangevuld door te veronderstellen en zelf in te vullen wat de arbo-arts heeft bedoeld in zijn e-mail van 21 april 2015 (prod. 13 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Volgens [appellante] is het onacceptabel dat een feitenrechter zelf feiten invult, door te gissen naar de bedoelingen van een arbo-arts, terwijl dit punt een onderdeel is van het partijdebat. [appellante] stelt in eerste aanleg te hebben aangevoerd dat de arbo-arts onder meer doelde op de pest- en roddelcampagne tegen [appellante] .

6.15

Het hof wijst er op dat zelfs indien de kantonrechter bij het geven van zijn beslissing zou zijn uitgegaan van een feitelijke vaststelling die afwijkt van hetgeen [appellante] heeft gesteld, dit niet betekent dat de kantonrechter een fundamenteel rechtsbeginsel zoals dat van hoor en wederhoor heeft veronachtzaamd (HR 12 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0864). Van dit laatste zou wel sprake zijn indien de kantonrechter tot een (volgens [appellante] onjuiste) feitenvaststelling zou zijn gekomen door zich ambtshalve, buiten partijen om, in een onderzoek aangaande de feiten te begeven, zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich omtrent de uitkomst van zodanig onderzoek uit te laten. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De kantonrechter heeft in de aangehaalde rechtsoverweging niet aan feitenvaststelling gedaan, maar slechts de wat hem betreft meest plausibele uitleg gegeven aan hetgeen partijen hebben gesteld over de achtergrond van het advies van de arbo-arts om snel "naar een oplossing te zoeken".

6.16

Op grond van hetgeen hiervoor in 6.1 tot en met 6.15 is overwogen, deelt het hof niet de opvatting van [appellante] dat in eerste aanleg geen inhoudelijk, gelijkwaardig debat tussen partijen heeft plaatsgevonden. De slotsom luidt dan ook dat alle grieven ter onderbouwing van het bestaan van een doorbrekingsgrond vergeefs zijn voorgedragen, zodat aan een (verdere) inhoudelijke beoordeling van de bestreden beschikking niet kan worden toegekomen en het hoger beroep zal worden verworpen. [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het ziekenhuis in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief II).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep van [appellante] ;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en stelt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van het ziekenhuis gevallen, vast op € 711,- aan verschotten en op € 1.788,- aan geliquideerd salaris van de advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.E. Mulder, mr. D.H. de Witte en mr. R.A. Zuidema, en in het openbaar uitgesproken op vrijdag 3 maart 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.