Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1775

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
16/00600
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:1287, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. Verkrijging omgevingsvergunning. Recht op teruggaaf?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/26.18.13
Belastingblad 2017/161
V-N Vandaag 2017/638
FutD 2017-0760
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

Nummer 16/00600

uitspraakdatum: 7 maart 2017

Uitspraak van de twaalfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 april 2016, nummer Awb 15/2747, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Bij aanslag van 14 oktober 2015 is aan belanghebbende een aanslag opgelegd van € 1.425 aan leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 14 april 2016 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote [A] , alsmede mr. M.A. Hoven en mr. [C] , namens de heffingsambtenaar.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is sinds 2010 met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland (hierna: het college) verwikkeld in diverse trajecten ter zake van herstelwerkzaamheden aan een op het perceel van belanghebbende gelegen schuur.

2.2

Bij besluit van 8 september 2014 heeft het college aan belanghebbende een last onder dwangsom opgelegd om een op het perceel kadastraal bekend, gemeente [D] , sectie [Y] , nummer [000] in aanbouw zijnde schuur en fundering voor 5 november 2014 volledig af te breken en de overtreding ongedaan te houden.

2.3

Op 10 oktober 2014 heeft tussen belanghebbende en vertegenwoordigers van het college overleg plaatsgevonden over verruiming van de op 5 november 2014 aflopende begunstigingstermijn. In dat overleg is belanghebbende tevens in de gelegenheid gesteld om een gedegen plan om de herstelwerkzaamheden aan de schuur te kunnen realiseren, in te dienen.

2.4

Belanghebbende heeft vervolgens een onderzoeksrapport laten opstellen, van omwonenden de benodigde handtekeningen verkregen en plannen gemaakt met Staatsbosbeheer.

2.5

Nadat bij besluit van 3 december 2014 het college de tot 5 november 2014 lopende begunstigingstermijn 2014 had verlengd tot 5 januari 2014, heeft het college bij besluit van 17 december 2014 de begunstigingstermijn als volgt verder verlengd:

  • -

    “Indien u voor 31 maart 2015 een ontvankelijke definitieve aanvraag om een omgevingsvergunning voor “het bouwen van een bouwwerk” en “strijdig gebruik van de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland” bij het college indient voor de schuur en fundering op het hiervoor genoemde perceel, zal de begunstigingstermijn tot en met 6 weken na het besluit op deze aanvraag worden verlengd. (…)”.Indien de gevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd, betekent dit dat de in aanbouw zijnde schuur en fundering op het bovenstaande perceel uiterlijk op dat moment volledig afgebroken moet zijn (zie ook de last onder dwangsom van 8 september 2014 voor de geconstateerde overtreding en opgelegde last onder dwangsom).”

  • -

    “Indien u voor 31 maart 2015 geen ontvankelijke definitieve aanvraag om een omgevingsvergunning voor “het bouwen van een bouwwerk” en “strijdig gebruik van de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland” bij het college indient, zal de begunstigingstermijn tot en met 6 weken na 30 maart 2015 worden verlengd. Dit betekent dat de begunstigingstermijn in dit geval tot 13 mei 2015 loopt en de in aanbouw zijnde schuur en fundering op het bovenstaande perceel uiterlijk op dat moment volledig afgebroken moet zijn (zie ook de last onder dwangsom van 8 september 2014 voor de geconstateerde overtreding en opgelegde last onder dwangsom).”

2.6

Tijdens een op 27 maart 2015 tussen partijen gevoerd overleg over de door belanghebbende ingediende ruimtelijke onderbouwing, die hij in de vorm van een presentatie wilde bespreken, werd belanghebbende gewezen op en gehouden aan de gestelde eis dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning vóór 31 maart 2015 diende te worden ingediend.

2.7

Belanghebbende heeft vervolgens op 30 maart 2015 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de herbouw van een schuur op het aan de [a-straat] 12A te [Z] gelegen perceel.

2.8

Bij brief van 2 juni 2015 is belanghebbende medegedeeld dat zijn aanvraag is ontvangen. In die brief is voorts aangegeven welke stukken nog ontbreken en aan welke punten de ruimtelijke onderbouwing nog niet voldoet. Voor zover voor dit geding van belang is in de brief vermeld:

“Het bouwen van een schuur op gronden die zijn voorzien van de bestemming ‘Natuur’ is niet toegestaan. Om medewerking te kunnen verlenen aan uw bouwplan zal er door middel van een projectafwijking afgeweken moeten worden van de geldende beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland”.

Zoals aangegeven in de brief van 1 mei 2015 zijn wij op dit moment voornemens geen medewerking te verlenen aan uw bouwplan. (…) Ook overig beleid biedt geen mogelijkheid om mee te werken aan uw schuur op het bovengenoemd perceel. (…) Gelet op het bovenstaande wordt aan u geadviseerd de aanvraag van 30 maart 2015 in te trekken.”

Ter informatie heeft het college daaraan onder meer toegevoegd: “Wanneer u er voor kiest om de aanvraag van 30 maart 2015 in te trekken dan wordt er op grond van artikel 2.5.1.1 van de legesverordening 70% van de voor de betreffende aanvraag verschuldigde leges in mindering gebracht.”

2.9

Bij brief van 23 augustus 2015 heeft belanghebbende de aanvraag ingetrokken en de heffingsambtenaar verzocht de restitutie van de leges op zijn rekening te storten.

2.10

Bij brief van 14 september 2015 heeft de heffingsambtenaar de ontvangst van de intrekking bevestigd en aangegeven dat de behandeling van de aanvraag is beëindigd. Voorts heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op volledige teruggaaf van de leges en dat hij 30 percent van de verschuldigde leges, een bedrag van € 1.425, is verschuldigd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende aanspraak heeft op teruggaaf van 100% van de voor de aanvraag verschuldigde leges, hetgeen belanghebbende verdedigt, dan wel dat hij recht heeft op 70% van de voor de aanvraag verschuldigde leges, hetgeen de heffingsambtenaar verdedigt.

3.2

Belanghebbende stelt dat hij onder de gegeven omstandigheden en in het licht van het optreden van het college zich gedwongen voelde om op 30 maart 2015 de aanvraag voor het verlenen van een bouwvergunning in te dienen. Hij neemt het standpunt in dat de onderhavige leges hem ten onrechte zijn opgelegd.

3.3

De heffingsambtenaar stelt dat, nu geen sprake is van een verzoek om intrekking maar van een advies, belanghebbende geen aanspraak heeft op een teruggaaf van 100%.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en tot vermindering van de aanslag leges tot nihil.

3.6

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 2.5.1.1 van de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening Steenwijkerland 2015 bestaat aanspraak op teruggaaf van 70% van de voor de betreffende aanvraag verschuldigde leges als een aanvrager zijn aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning intrekt terwijl deze reeds in behandeling is genomen door de gemeente.

4.2

Ingevolge artikel 2.5.1.2 van die Tarieventabel bestaat aanspraak op teruggaaf van 100% van de voor de betreffende aanvraag verschuldigde leges als een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning op schriftelijk verzoek van de gemeente (college van burgemeester en wethouders/budgethouder) door de aanvrager wordt ingetrokken.

4.3

Uit de tekst van deze artikelen maakt het Hof op dat artikel 2.5.1.1. ziet op de situatie dat een aanvrager tot het verlenen van een omgevingsvergunning uit eigener beweging zijn aanvraag intrekt, terwijl artikel 2.5.1.2. ziet op de situatie dat een aanvrager niet uit eigener beweging maar op verzoek van de gemeente zijn aanvraag intrekt.

4.4

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat het college hem vanaf januari tot de afkondiging van de bouwstop eind oktober 2015 met de bouw van de schuur zijn gang heeft laten gaan. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij, ook nadat hem de last onder dwangsom was opgelegd, steeds in de veronderstelling heeft verkeerd dat een aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning succesvol kon zijn. Gelet op het onder de vaststaande feiten weergegeven traject van overleg tussen partijen en het enkele keren verlengen van de begunstigingstermijn door het college, acht het Hof dat aannemelijk. Gelet daarop acht het Hof het voorts aannemelijk dat belanghebbende onder de in het besluit van 17 december 2014 door het college aan de verlenging van de begunstigingstermijn verbonden voorwaarden, waarop belanghebbende in het overleg van 27 maart 2015 door het college uitdrukkelijk werd gewezen, geen andere keus had dan de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning vóór 31 maart 2015 in te dienen, waarna hij zich naar aanleiding van de brief van het college van 2 juni 2015, ondanks zijn wens de werkzaamheden aan de schuur voort te zetten, gedwongen zag de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning in te trekken.

4.5

Op grond van het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat deze intrekking het meest overeen komt met die bedoeld in artikel 2.5.1.2. Daaruit volgt dat het bedrag van de leges dient te worden verminderd tot nihil.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 246 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 246) en € 990 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 495), ofwel in totaal op € 1.236.

In hoger beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,

– vermindert de aanslag leges tot nihil,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.236,

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 124 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Monsma, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 7 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 7 maart 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.