Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:174

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
WAHV 200.187.174
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zekerheidstelling. Tweede zekerheidsbrief is eerder verzonden dan de eerste zekerheidsbrief. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.187.174

11 januari 2017

CJIB 189399649

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 25 februari 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

kantoorhoudende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld nadere gronden in te dienen.

De gemachtigde heeft hierop niet binnen de daartoe gestelde termijn gereageerd.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 28 december 2016. De betrokkene en haar gemachtigde

zijn niet ter zitting verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Beoordeling

  1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

  2. Het dossier bevat ontvangstbevestigingen, gedateerd op 17 december 2015, gericht aan de betrokkene en diens gemachtigde, van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie van 16 oktober 2015 waarin wordt gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling. De brief waarmee de betrokkene wordt herinnerd aan het stellen van zekerheid dateert echter van 21 november 2015, derhalve vóór de zekerheidsbrief van 17 december 2015.

3. Dit betekent dat de betrokkene en diens gemachtigde niet op de juiste wijze zijn gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling.

4. Gelet hierop moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd en de zaak worden teruggewezen naar de kantonrechter.

5. Het hof beschouwt deze zaak als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) met de zaak WAHV 200.187.175, waarin het hof bij arrest van heden eveneens beslist.

6. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 248,- (=1 x € 496,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest,

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 248,--, over te maken op de rekening van [gemachtigde] .

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Terhell als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.