Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1719

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
24-002639-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:857, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie volgt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-002639-11

Uitspraak d.d.: 1 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 december 2011 met parketnummer 07-663250-10 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 december 2013, 13 maart 2014, gevolgd door een tussenarrest van 27 maart 2014, en 15 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd de in beslag genomen computers verbeurd te verklaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. J. Vlug, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het aan hem primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 24 augustus 2010, in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of een van zijn mededader(s) (telkens)

  • -

    één of meer geldbedrag(en) (te weten een bedrag van 2.000 euro ten behoeve [bedrijf 1] en/of een bedrag van 6.320 euro ten behoeve van [bedrijf 2] en/of een bedrag van 1.782,85 euro ten behoeve van [bedrijf 3] en/of een bedrag van 2.050 euro ten behoeve van [bedrijf 4] en/of een bedrag van 632,30 euro ten behoeve van [bedrijf 5] en/of een bedrag van 906 euro ten behoeve van [bedrijf 6] en/of een bedrag van 588,90 euro ten behoeve van de [bedrijf 7] ) en/of

  • -

    twee, althans één of meer auto('s), (te weten een Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] , en/of een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] ), en/of

  • -

    twee, althans één of meer, jetski('s) (te weten een Jetski Seadoo met registratienummer [registratienummer 1] , en/of Jetski Seadoo, met registratienummer [registratienummer 2] ), en/of

  • -

    een blokhut, en/of

  • -

    twee, althans één of meer, fiets(en) (merk Batavus, type Glamorous stadsfiets RB), en/of

  • -

    twee, althans één of meer, laptop(s) (merk Toshiba, type Satellite P300-1FY en/of eMachines, type G525),

voorhanden gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat geldbedrag(en) en/of die auto('s) en/of die jetski('s) en/of die blokhut en/of die fietsen en/of die laptop(s) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 24 augustus 2010, in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

  • -

    één of meer geldbedrag(en) (te weten een bedrag van 2.000 euro ten behoeve [bedrijf 1] en/of een bedrag van 6.320 euro ten behoeve van [bedrijf 2] en/of een bedrag van 1.782,85 euro ten behoeve van [bedrijf 3] en/of een bedrag van 2.050 euro ten behoeve van [bedrijf 4] en/of een bedrag van 632,30 euro ten behoeve van [bedrijf 5] en/of een bedrag van 906 euro ten behoeve van [bedrijf 6] en/of een bedrag van 588,90 euro ten behoeve van de [bedrijf 7] ) en/of

  • -

    twee, althans één of meer auto('s), (te weten een Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] , en/of een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] ), en/of

  • -

    twee, althans één of meer, jetski('s) (te weten een Jetski Seadoo met registratienummer [registratienummer 1] , en/of Jetski Seadoo, met registratienummer [registratienummer 2] ), en/of

  • -

    een blokhut, en/of

  • -

    twee, althans één of meer, fiets(en) (merk Batavus, type Glamorous stadsfiets RB), en/of

  • -

    twee, althans één of meer, laptop(s) (merk Toshiba, type Satellite P300-IFY en/of eMachines, type G525),

voorhanden gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs kon(den) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) en/of die auto's) en/of die jetski's) en/of die blokhut en/of die fietsen en/of die laptop(s) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beroep op bewijsuitsluiting

Allereerst is de vraag aan de orde of ten aanzien van verdachte sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

Uit het dossier blijkt dat over verdachte in de periode van januari 2009 tot en met september 2010 verschillende keren als betrouwbaar aangemerkte CIE-informatie beschikbaar is gekomen. Uit deze informatie bleek dat verdachte zich bezig zou houden met de handel in hennep. Uit de gegevens van de RDW bleek dat verdachte van 2000 tot 2008 doorlopend één of meerdere kentekens van auto's en bromfietsen op zijn naam had staan. Daarnaast had hij een jetski op naam staan. Ook de vrouw van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] , had een auto op haar naam staan. Deze auto was nieuw gekocht in 2008. Ook heeft zij enige tijd een Volkswagen Golf op naam gehad. De politie heeft vervolgens inkomensgegevens van verdachte, zijn vrouw en zijn thuiswonende zoon, medeverdachte [medeverdachte 2] , opgevraagd bij de belastingdienst. De informatie bij de belastingdienst is opgevraagd op grond van het convenant met de werktitel 'Handhavingsconvenant regio IJsselland' zoals dit gold van 1 juni 2010 tot en met 31 december 2014. Op basis van bovenstaande gegevens is de verdenking ontstaan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

De verdediging heeft, kort gezegd, betoogd dat de gegevens van verdachte afkomstig van de belastingdienst onrechtmatig zijn verkregen nu het convenant daarvoor als grondslag is gebruikt. Daarmee is artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering omzeild. Voorts heeft de raadsman betoogd dat het convenant in strijd is met artikel 1 van de Grondwet, nu dit convenant is gesloten om bepaalde groepen burgers (woonwagenbewoners en allochtonen) zonder veel vormen te controleren en eventuele strafbare feiten zonder al te veel rompslomp op te sporen. Er is derhalve sprake van een vormverzuim. Dit vormverzuim zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de gegevens die bij de belastingdienst zijn vergaard en al hetgeen daaruit is voortgevloeid, zodat onvoldoende bewijs overblijft om tot een bewezenverklaring te komen en verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer.

Artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt als volgt:

1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).

2. De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:

a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;

b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;

c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.

3. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.

Art. 43c Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. De geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet, artikel 67, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel 10, eerste lid, van de Registratiewet 1970, geldt niet voor verstrekking aan de hierna genoemde bestuursorganen voor zover het betreft de hierna genoemde gegevens ten behoeve van de hierna genoemde publiekrechtelijke taak:

….

m. gemeenten, provincies, de politie, de officier van justitie, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Koninklijke marechaussee, de Inspectie SZW, de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: gegevens die nodig zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen voor zover een convenant is gesloten met deze bestuursorganen.

Als partijen bij het Handhavingsconvenant regio IJsselland worden genoemd een groot aantal gemeenten, regiopolitie IJsselland, arrondissementsparket Zwolle-Lelystad en de belastingdienst. Er wordt gesproken van “gegevensuitwisseling”. Er moet hierbij onder meer gedacht worden aan NAW-gegevens en gegevens over inkomen en uitkeringen. Het hof stelt vast dat het Handhavingsconvenant regio IJsselland een convenant is als bedoeld in artikel 43c, eerste lid, onder m van de Uitvoeringsregeling. Naar het oordeel van het hof heeft het verschaffen van informatie door de belastingdienst zijn basis in dit Handhavingsconvenant kunnen vinden.

Het opvragen van de gegevens op basis van het convenant staat niet op gespannen voet met artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, temeer daar tegen verdachte ten tijde van het opvragen van de gegevens bij de belastingdienst nog geen verdenking van een misdrijf bestond.

In verband met de vraag of het convenant in strijd is met artikel 1 van de Grondwet, heeft het hof ter zitting op 15 februari 2017 twee getuigen gehoord. In de eerste plaats is de heer [getuige 1] , ambtenaar van de belastingdienst, gehoord. Hij is betrokken geweest bij het opstellen van het Handhavingsconvenant regio IJsselland. Voorts is de heer [getuige 2] , financieel specialist bij de politie eenheid Noord-Nederland, gehoord. Hij was als financieel rechercheur betrokken bij het onderzoek tegen verdachte. Uit deze getuigenverhoren is het hof niet gebleken dat het convenant discriminatoire werking en/of uitwerking had. De heer [getuige 1] gaf aan dat het convenant juist bedoeld was om gelijkheid tussen burgers te bevorderden door gaten in de handhaving te dichten. De heer [getuige 2] heeft verklaard dat het convenant werd toegepast in het kader van de ‘patser-aanpak' en bij ongebruikelijk bezit, en dus niet alleen werd toegepast ten aanzien van woonwagenbewoners en allochtonen.

Een en ander brengt met zich dat er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een vormverzuim.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Via de bankrekeningen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn vanaf begin 2008 tot de zomer van 2010 grote hoeveelheden geld opgenomen en gestort. Uit getuigenverklaringen blijkt dat door verdachte vaak in aanwezigheid van zoon en medeverdachte [medeverdachte 2] en/of partner [medeverdachte 1] grote bedragen contant zijn betaald. Zo heeft [getuige 3] verklaard dat verdachte in het bijzijn van beide medeverdachten een Volkswagen Golf heeft gekocht voor € 13.000,-, welk bedrag contant werd betaald in coupures van € 500 en € 100. Het is een feit van algemene bekendheid dat coupures van € 500 bijna uitsluitend in het criminele circuit circuleren. Uit gegevens van de belastingdienst blijkt dat verdachte vanaf 2004 tot en met 2009 een inkomen heeft gehad van tussen € 20.806,- en € 28.431,- per jaar. Medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt in 2003 een inkomen te hebben gehad van € 7.310,-. Daarna zijn van haar geen inkomensgegevens bekend. Medeverdachte [medeverdachte 2] had van 2007 tot en met 2009 een inkomen van € 8.470,- teruglopend naar € 3.498,- per jaar. Uit de bankafschriften blijkt dat tussen 11 april 2008 en 7 augustus 2010 van de beide rekeningen van verdachten in totaal € 79.630,- is opgenomen. Uit de kasopstelling die is gemaakt blijkt dat er € 57.388,50 meer is uitgegeven dan dat er inkomsten zijn geweest.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen en de voorwerpen.

Het hof is van oordeel dat nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de geldbedragen en de voorwerpen, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Nu verdachte de aankopen heeft gedaan in het bijzijn van zijn vrouw en/of zijn zoon, oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 24 augustus 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader(s) (telkens)

- één of meer geldbedrag(en) (te weten een bedrag van 2.000 euro ten behoeve [bedrijf 1] en/of een bedrag van 6.320 euro ten behoeve van [bedrijf 2] en/of

- een bedrag van 1.782,85 euro ten behoeve van [bedrijf 3] en/of

- een bedrag van 2.050 euro ten behoeve van [bedrijf 4] en/of

- een bedrag van 632,30 euro ten behoeve van [bedrijf 5] en/of

- een bedrag van 906 euro ten behoeve van [bedrijf 6] en/of

- een bedrag van 588,90 euro ten behoeve van de [bedrijf 7] ) en/of

- twee, althans één of meer auto('s), (te weten een Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] , en/of een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] ), en/of

- twee, althans één of meer, jetski('s) (te weten een Jetski Seadoo met registratienummer [registratienummer 1] , en/of Jetski Seadoo, met registratienummer [registratienummer 2] ), en/of

- een blokhut, en/of

- twee, althans één of meer, fiets(en) (merk Batavus, type Glamorous stadsfiets RB), en/of

- meer laptops (merk Toshiba, type Satellite P300-1FY en/of eMachines, type G525),

voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten dat die/dat geldbedrag(en) en/of die auto('s) en/of die jetski('s) en/of die blokhut en/of die fietsen en/of die laptop(s) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende Uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2017, waaruit blijkt dat verdachte weliswaar eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, doch niet voor soortgelijke feiten.

De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak het volgende. De officier van justitie heeft op 15 december 2011 hoger beroep ingesteld. De behandeling van het hoger beroep is aangevangen op 6 december 2013 en voortgezet op 13 maart 2014, gevolgd door een tussenarrest van 27 maart 2014. Het arrest van het hof dateert van 1 maart 2017. Het hof is van oordeel, gelet op genoemd procesverloop, dat de redelijke termijn in hoger beroep in aanzienlijke mate is overschreden en dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof op 13 maart 2014 een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren gevorderd. Ter zitting van het hof van 15 februari 2017 heeft de advocaat-generaal, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, de vordering gematigd tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang gezien, acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf een passende en geboden bestraffing. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen. Het voorwaardelijke deel is mede bedoeld om verdachte te weerhouden van het begaan van (soortgelijke) strafbare feiten.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan veroordeelde toe. Zij zullen worden verbeurd verklaard aangezien zij geheel of grotendeels door middel van het primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde zijn verkregen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 computer Toshiba P 300,

- 1 computer eMachines G520,

- 1 computer eMachines G 520.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. K.J.C. Geeve en mr. A. Dijkstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 15 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. K.J.C. Geeve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.