Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1689

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
200.171.018/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht, internationale aspecten. Nederlandse rechter bevoegd, Nederlands recht van toepassing. Uitleg testament.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0056
FJR 2017/58.10
JERF 2018/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.171.018/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/106916 / HA ZA 14-208)

arrest van 28 februari 2017

[appellante] ,

wonende te [A] , Frankrijk,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. E.N. Bouwman, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] , Bondsrepubliek Duitsland,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [C] , Verenigde Staten van Amerika,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [D] ,

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [E] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. M.J.J.M. van Roosmalen, kantoorhoudend te Emmen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 augustus 2015 hier over.

1.2

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 27 augustus 2015; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met producties,

- een akte van [appellante] .

1.4

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.5

[appellante] vordert hoger beroep vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 25 februari 2015 en opnieuw rechtdoende:

- [geïntimeerden] c.s. te veroordelen om aan haar te betalen de over de periode van juli 2012 tot en met oktober 2015 vervallen termijnen tot een bedrag van totaal € 14.940,-, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [geïntimeerden] c.s. te verzoeken om de verplichting tot betaling aan haar van € 450,- per maand vanaf november 2015 te hervatten;

- [geïntimeerden] c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen tot het afleggen aan haar van rekening en verantwoording ten aanzien van de vruchten van de goederen waarop het vruchtgebruik op grond van zaaksvervanging rust;

- [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan haar, nader op te maken bij staat, indien en voor zover blijkt dat [geïntimeerden] c.s. het goed of de goederen waarop haar recht van vruchtgebruik rust niet behoorlijk hebben beheerd;

- [geïntimeerden] c.s. te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure in beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

2.2

[F] , geboren [in] 1925, is in december 2003 overleden.

2.3

Tot aan zijn overlijden heeft [F] een affectieve relatie gehad met [appellante] .

2.4

[F] heeft laatstelijk op 7 oktober 2003 bij testament verleden ten overstaan van mr. E.J. de Jonge, notaris te Harderwijk, over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament is onder meer het volgende opgenomen:

"B. LEGATEN

Voor het geval ik ten tijde van mijn overlijden nog een affectieve relatie heb met mijn partner [appellante] , geboren te [G] [in] negentienhonderdvijfendertig, legateer ik aan haar, ter voldoening aan de op mij rustende verplichting - welke verplichting ik hierbij uitdrukkelijk erken - haar voldoende verzorgd achter te laten:

1. een periodieke uitkering groot vierhonderdvijfenvijftig euro (€ 455,00) per maand, ingaande per de eerste van de maand volgend op de datum van mijn overlijden en durende tot het einde van het hierna te noemen recht van vruchtgebruik;

2. het recht van vruchtgebruik van het/de ten tijde van mijn overlijden in mijn bezit zijnde registergoed(eren) gelegen te Frankrijk en de zich daarin bevindende inboedel en stoffering.

Met betrekking tot dit recht van vruchtgebruik bepaal ik als volgt:

a. Het recht gaat in op de dag van mijn overlijden.

b. De vruchtgebruikster stel ik vrij van de verplichting tot het stellen van zekerheid.

c. De vruchtgebruikster is verplicht de aan het recht onderworpen zaken te verzekeren en verzekerd te houden tegen alle gevaren waartegen het gebruikelijk is een verzekering te sluiten.

Tevens draagt zij alle lasten en belastingen welke over de aan het recht onderworpen zaken verschuldigd worden; ook die lasten en belastingen waartoe de eigenaren gehouden zijn, vermogensrendementsheffing daaronder begrepen.

(…)

f. Het vruchtgebruik eindigt:

- bij overlijden van de vruchtgebruikster;

- bij haar faillissement;

- indien zij in een bejaardenhuis treedt of daadwerkelijk wordt opgenomen in een verzorgingstehuis of een gelijksoortige instelling gepaard gaande met algehele verzorging;

- indien zij in het huwelijk treedt dan wel gaat samenwonen met een ander als ware zij gehuwd dan wel een relatie gaat onderhouden met een derde soortgelijk aan de relatie welke ik met haar heb.

(…)

D. RECHTSKEUZE

Ten aanzien van het geldende erfrecht bepaal ik tenslotte dat het Nederlands

recht van toepassing is."

2.5

[geïntimeerden] c.s. zijn kinderen van [F] , evenals [H] (alle vijf gezamenlijk ook aan te duiden als de kinderen [geïntimeerden] ). De kinderen [geïntimeerden] zijn krachtens wettelijk erfrecht de erfgenamen van [F] .

2.6

[F] was ten tijde van zijn overlijden eigenaar van een woning te [I] , Frankrijk en van een appartement in [A] , Frankrijk.

2.7

Met betrekking tot de woning in [I] is geen recht van vruchtgebruik gevestigd, noch met betrekking tot het appartement in [A] .

2.8

De woning in [I] is in juli 2004 door de kinderen [geïntimeerden] verkocht. Het appartement in [A] is nog enige jaren door [appellante] bewoond en na de verhuizing van [appellante] naar een door haarzelf gekocht appartement eveneens door de kinderen [geïntimeerden] verkocht.

2.9

Vanaf januari 2004 tot 1 juli 2012 hebben de kinderen [geïntimeerden] maandelijks een bedrag van € 450,- aan [appellante] betaald. Vanaf 1 juli 2012 hebben [geïntimeerden] c.s. de maandelijkse betalingen gestaakt en heeft [I] maandelijks € 90,- aan [appellante] betaald. Met ingang van 1 januari 2015 is ook [I] gestopt met de maandelijkse betalingen.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd:

- [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van de reeds vervallen termijnen vanaf 1 juli 2012 tot en met 30 september 2013, in totaal € 5.400,-, vermeerderd met de wettelijke rente;

- [geïntimeerden] c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom hoofdelijk te bevelen tot het afleggen aan haar van rekening en verantwoording ten aanzien van de vruchten van de goederen waarop het vruchtgebruik op grond van zaaksvervanging rust;

- [geïntimeerden] c.s. te veroordelen de aan haar toekomende vruchten vanaf het tijdstip van ontstaan tot op heden aan haar af te dragen;

- [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot het betalen aan haar van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, indien en voor zover blijkt dat [geïntimeerden] c.s. het goed of de goederen waarop haar recht van vruchtgebruik rust niet dan wel niet behoorlijk hebben beheerd;

- [geïntimeerden] c.s. te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 februari 2015 de vorderingen afgewezen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

De bevoegdheid

4.1

[appellante] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn woonachtig in respectievelijk Frankrijk, Duitsland en Amerika, terwijl Jan [geïntimeerden] zijn laatste woonplaats in Frankrijk had. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen.

4.2

Aangezien [F] in december 2003 is overleden en op grond van artikel 83 van de Europese Erfrechtverordening (Verordening EU Nr. 650/2012) deze verordening eerst van toepassing is op de erfopvolging van personen die zijn overleden op of na 17 augustus 2015, moet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.3

Op grond van artikel 2 Rv heeft in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter rechtsmacht indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats heeft.

In artikel 7 Rv is bepaald dat indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van een van de gedaagden, hem deze rechtsmacht ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

4.4

[geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] wonen in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ter zake van de tegen hen ingediende vorderingen. De vorderingen die [appellante] tegen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] heeft ingediend zijn identiek aan de door haar tegen [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] ingediende vorderingen. Naar het oordeel van het hof zijn er dan ook voldoende redenen van doelmatigheid die een gezamenlijke behandeling van de vorderingen rechtvaardigen, te meer nu het de uitleg betreft van een testament verleden voor een in Nederland gevestigde notaris dat naar Nederlands recht is opgesteld en waarin de erflater heeft gekozen voor de toepassing van Nederlands recht.

De Nederlandse rechter heeft derhalve eveneens rechtsmacht ten aanzien van de tegen

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ingediende vorderingen

Het van toepassing zijnde recht

4.5

Nu [F] in december 2003 is overleden, is op zijn erfopvolging de destijds geldende Wet conflictenrecht erfopvolging van toepassing. Krachtens artikel 1 van die wet wordt het recht dat van toepassing is op erfopvolging aangewezen door de bepalingen van het op 1 augustus 1989 tot stand gekomen "Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging" (het Haags Erfrechtverdrag 1989, Trb. 1994, 49).

4.6

Op grond van artikel 5 van het Haags Erfrechtverdrag 1989 kan een persoon het recht van een bepaalde Staat aanwijzen als het recht dat de vererving van zijn gehele nalatenschap beheerst, mits deze aanwijzing is uitgedrukt in een verklaring die, wat de vorm betreft, voldoet aan de vereisten voor uiterste wilsbeschikkingen.

4.7

Aangezien [F] in zijn testament onder D heeft bepaald dat op de afwikkeling van zijn nalatenschap het Nederlandse recht van toepassing is, dient dit recht te worden toegepast.

Wijziging van eis

4.8

[appellante] heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd in die zin dat zij thans betaling vordert van alle na 1 juli 2012 verschenen termijnen en niet alleen van de tot en met 30 september 2013 verschenen termijnen.

4.9

[geïntimeerden] c.s. hebben geen bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis van [appellante] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van [appellante] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

De grieven

4.10

Met grief I komt [appellante] op tegen de vaststelling door de rechtbank van de feiten. Nu het hof hiervoor zelf de feiten heeft vastgesteld met inachtneming van de grief van [appellante] behoeft deze grief geen bespreking meer. Het hof voegt daar nog aan toe dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

4.11

De grieven II tot en met V zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de maandelijkse uitkering aan [appellante] is gekoppeld aan het bestaan van het recht van vruchtgebruik op de woning in [I] . [appellante] heeft aangevoerd dat in het testament twee legaten zijn opgenomen die los van elkaar moeten worden bezien. Het ene legaat betreft een aanspraak op een periodieke uitkering van € 450,- per maand en het andere legaat geeft een recht op vruchtgebruik op de woning in [I] . Het enige verband tussen beide legaten is volgens [appellante] dat ze dezelfde beëindigingsgronden kennen.

4.12

[geïntimeerden] c.s. hebben betoogd dat in het testament het recht op een maandelijkse uitkering wel degelijk is gekoppeld aan het recht op vruchtgebruik. Omdat nooit een recht van vruchtgebruik is gevestigd op de onroerende zaken in Frankrijk, bestaat volgens hen voor [appellante] geen aanspraak op een maandelijkse uitkering van € 455,-. Zij hebben benadrukt dat de periodieke uitkering er toe strekte [appellante] in staat te stellen de verzekeringspremies en belastingen met betrekking tot de woning te betalen. Voor zover door het gebruik door [appellante] van het appartement in [A] niettemin een betalingsverplichting zou zijn ontstaan, is die in ieder geval geëindigd op het moment dat [appellante] vrijwillig afstand heeft gedaan van het appartement. Dat was bij de verkoop van het appartement met toestemming en medeweten van [appellante] , aldus [geïntimeerden] c.s.

4.13

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW dient bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking te worden gelet op de verhoudingen die de

uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

4.14

Naar het oordeel van het hof duidt het gebruik van de opsommingstekens 1 en 2 in het testament op het bestaan van twee legaten die naast elkaar en ook los van elkaar bestaan. Met het doel te voldoen aan de op hem rustende verplichting [appellante] voldoende verzorgd achter te laten, heeft [F] haar een aanspraak gegeven op een periodieke uitkering van € 455,- als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en een recht van vruchtgebruik op de woning in [I] en het appartement in [A] .

4.15

Anders dan [geïntimeerden] c.s. hebben betoogd, geeft het feit dat in het testament is bepaald dat [appellante] als vruchtgebruikster verplicht is de woningen en de inboedel te verzekeren en alle lasten en belastingen met betrekking tot de woningen te betalen, onvoldoende steun aan de lezing van [geïntimeerden] c.s. Deze bepaling betreft de weergave van hetgeen is opgenomen in artikel 3:209 lid 1 BW en artikel 3:220 lid 1 BW. [geïntimeerden] c.s. hebben bovendien niet aannemelijk gemaakt dat er een verband bestaat tussen het bedrag van € 455,- en de hoogte van de vaste lasten.

4.16

Tegen de uitleg van [geïntimeerden] c.s. pleit verder dat voor beide legaten de dag van overlijden van [F] als ingangsdatum is bepaald. De tekst van het testament biedt geen ruimte voor de veronderstelling dat een later tijdstip (het tijdstip van vestiging van het legaat) voor de aanvang van het recht op een periodieke uitkering relevant zou zijn. Dat laatste is ook bovendien niet in overeenstemming te brengen met het al genoemde doel van de legaten: het verzorgd achterlaten van [appellante] na het overlijden van [F] .

4.17

Het recht op een periodieke uitkering duurt "tot het einde van het hierna te noemen recht van vruchtgebruik". Met die bewoordingen is naar het oordeel van het hof beoogd voor het recht op vruchtgebruik en het recht op de periodieke uitkering dezelfde beëindigingsgronden in het testament op te nemen. Het vruchtgebruik zou eindigen in de gevallen beschreven onder B, sub 2, ad f. van het testament, te weten bij overlijden, bij faillissement, bij verhuizing naar een bejaardenhuis of verzorgingstehuis en in geval van een nieuwe relatie. Naar het oordeel van het hof zat bij [F] dan ook het kennelijke doel voor om na zijn overlijden te blijven zorgen voor levensonderhoud voor [appellante] tot haar overlijden, tenzij zich één van de andere drie gevallen zou voordoen.

4.18

Nu geen van de in het testament onder B, sub 2, ad f. genoemde omstandigheden zich tot dusver heeft voorgedaan, heeft [appellante] nog steeds aanspraak op de uitkering van € 455,- per maand. [geïntimeerden] c.s. hebben hun stelling dat [appellante] in de afgelopen jaren een nieuwe relatie zou zijn aangegaan op geen enkele wijze onderbouwd.

4.19

Het feit dat [geïntimeerden] c.s., zoals zij hebben gesteld, niet op de hoogte waren van hun rechten en plichten, maakt het oordeel van het hof niet anders. [geïntimeerden] c.s. hebben de nalatenschap van hun vader zuiver aanvaard. Dat betekent dat zij gehouden zijn uitvoering te geven aan het legaat, ook al zijn de kosten daarvan uiteindelijk groter dan het bedrag dat zij ieder uit de nalatenschap hebben ontvangen (vgl. artikel 4:117 lid 2 BW en artikel 4:120 lid 5 BW).

4.20

Aangezien [appellante] niet meer dan € 450,- heeft gevorderd, zal het hof dat bedrag toewijzen, onder aftrek van een bedrag van € 90,-, zijnde het deel dat [H] dient bij te dragen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.21

Met de grieven VI en VII komt [appellante] op tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vorderingen tot het afleggen van rekening en verantwoording, tot het afdragen van de vruchten en tot het betalen van schadevergoeding, omdat het vruchtgebruik niet is gevestigd en daardoor ook niet kan eindigen.

4.22

Uit punt 39 van de memorie van grieven leidt het hof af dat deze grieven voorwaardelijk zijn bedoeld. Immers heeft [appellante] aangevoerd:

" Indien uw Hof onverhoopt met de Rechtbank van oordeel is dat het recht van vruchtgebruik gekoppeld is aan de periodieke uitkering, is [appellante] van mening dat het recht van vruchtgebruik is ontstaan door acquisitieve verjaring, waardoor - gelet op voormelde koppeling - het recht op de periodieke uitkering ook bestaat."

Ook uit de verdere uitwerking van deze grieven in de memorie van grieven blijkt dat [appellante] hier de veronderstelling aan ten grondslag heeft gelegd dat er een koppeling bestaat tussen de aanspraak op een periodieke uitkering en het recht op vruchtgebruik.

Nu hiervoor is vastgesteld dat die koppeling niet bestaat, is bedoelde voorwaarde niet vervuld en behoeven de grieven VI en VII verder geen bespreking.

4.23

[appellante] heeft voorts vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd, maar heeft tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten door de rechtbank in eerste aanleg geen grief naar voren gebracht. Daarom zal deze vordering in hoger beroep eveneens worden afgewezen.

4.24

Grief VIII, die opkomt op tegen de veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure, mist zelfstandige betekenis en behoeft om die reden geen verdere bespreking.

4.25

[geïntimeerden] c.s. hebben in hoger beroep bewijs aangeboden van al hun stellingen. Het hof gaat evenwel aan dit bewijsaanbod voorbij, nu dat aanbod niet ter zake dienend is.

Slotsom

4.26

De grieven II tot en met V slagen, zodat het bestreden vonnis van 25 februari 2014 moet worden vernietigd.

4.27

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 92,82

- griffierecht € 868,-

subtotaal verschotten € 960,82

- salaris advocaat € 1.158,- (2 punten x tarief € 579,-)

Totaal € 2.118,82

4.28

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,19

- griffierecht € 311,-

subtotaal verschotten € 405,19

- salaris advocaat € 2.235,- (2,5 punten x tarief II)

Totaal € 2.640,19

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank van 25 februari 2015 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 360,- per maand met ingang van 1 juli 2012 tot het moment dat zich één van de in het testament onder B, sub 2, ad f. genoemde omstandigheden voordoet, te vermeerderen met de wettelijke rente over elk van de tot 1 november 2015 verschenen termijnen met ingang van de dag na ommekomst van de maand waarin de termijn verschuldigd is geworden;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 960,82 voor verschotten en op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 405,19 voor verschotten en op € 2.235,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J.H. Hofstee, W. Breemhaar, en M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.