Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1683

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
200.165.933/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebreken in rieten dak te wijten aan dakdekker als gevolg van aanbrengen verkeerde soort riet. Vaststelling vervangende schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.165.933/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/93800/ HA ZA 08-1031)

arrest van 28 februari 2017

in de zaak van


[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. D.A. Westra, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1]
2. [geïntimeerde2] ,
wonende te [B] ,
hierna: [geïntimeerde2] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. B. Korvemaker, kantoorhoudend te Leeuwarden,

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 31 mei 2016 hier over.

1.2

Op 26 januari 2017 heeft ter uitvoering van genoemd tussenarrest een comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt bevindt zich bij de stukken.

1.3

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van het vonnis van de rechtbank van 2 juni 2010 zijn geen grieven ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder nog als onweersproken vaststaat, gaat het om het volgende.

2.2

[appellante] heeft in 1997 in opdracht van [C] (hierna: [C] ) een deel van het dak van diens boerderij gelegen aan [a-straat] 5 te [B] opnieuw met riet gedekt. In dat kader heeft [appellante] een orderbevestiging van 24 maart 1997 aan [C] verstuurd waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:

"(...) Netto totaalprijs voor deze opdracht bedraagt hfl. 35.000,- excl. BTW

Geleverd wordt 1 nieuw rieten dak noord/achterkant, west/zijkant ongeveer 325 m.

Materiaal,

Eerste kwaliteit riet, rietdikte 27 beneden - 24 boven (...)."

2.3

[geïntimeerden] c.s. heeft op 26 april 2001 voornoemde boerderij gekocht van [C] en

diens partner.

2.4

Bij brief van 17 mei 2005 heeft Riet ABC verslag gedaan van een inspectie die zij

in opdracht van [geïntimeerden] c.s. heeft uitgevoerd op het door [appellante] gedekte deel van het

dak van de boerderij. In deze brief wordt, onder andere, het volgende vermeld:

"(…) Op 14 april 2005 heeft Riet ABC een inspectie uitgevoerd op het rieten dak van uw woning (...). Reden voor de inspectie is uw twijfel aangaande de kwaliteit van het dak.

Tijdens de inspectie is gebleken dat voornamelijk de onderste helft van het dak er erg slecht aan toe is. Het gedeelte dak is erg nat, er zitten gaten in het riet en er valt veel afvalriet naar beneden. Het onderste gedeelte is bedekt met een algenlaag waardoor het dak in feite niet meer opdroogt. Na meting is gebleken dat de dikte van het dak en de dikte van de slijtlaag niet voldoen aan de eisen en de uitvoeringsrichtlijnen van de Vakfederatie Rietdekkers. De gemeten dikten variëren tussen de 25 en 20 cm. en de slijtlaag tussen de 11 en 8 cm. waarbij aangemerkt moet worden dat de gemiddelde slijtlaag gemeten over de gehele hoogte van het dakvlak niet boven de 8,5 centimeter komt. De gemeten waarden zijn te laag voor een dakvlak met de hoogte als het uwe.

Wat zijn de oorzaken van de huidige slechte staat van het dak:

Er is gebruik gemaakt van kort en fijn riet. Dit riet is in feite niet geschikt voor dit hoge dakvlak. Door de hoogte van het dakvlak heeft het onderste gedeelte het meeste en het langste hemelwater af te voeren. Fijn riet heeft als eigenschap dat het langzamer droogt als het wat langere en grovere riet. Ook slaat het fijne riet eerder dicht met een algenlaag waardoor het dak nog langer nat blijft en dus minder snel droogt. Direct gevolg van dit proces is een verkorte levensduur.

Was er gekozen voor langer en grover riet dan was het dak droger geweest en had er een dikker dak gedekt kunnen worden met een hogere slijtlaag (...)."

2.5

Bij aangetekende brief van 9 september 2005 is [appellante] namens [geïntimeerden] c.s.

door DAS rechtsbijstand aansprakelijk gesteld voor de gebreken aan de rietkap.

2.6

Bij brief van 1 oktober 2005 heeft [D] [geïntimeerden] c.s. voor het repareren en herstellen van het betreffende dakvak een bedrag van € 7.850,- excl. btw geoffreerd.

2.7

Naar aanleiding van het door de rechtbank Leeuwarden op 20 december 2006 toegewezen verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenonderzoek in verband met de mogelijke aansprakelijkstelling van de verkopers van de boerderij, heeft BDA Groep op 11 april 2007 een deskundigenbericht opgesteld. In dit deskundigenbericht is in antwoord op vragen van de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"3.4 Is de juiste rietsoort op de juiste wijze en in de juiste hoeveelheid aangebracht?

Er is fijn riet gebruikt in de voor fijn riet juiste hoeveelheid. Het gebruikte riet is villa of bungalowriet voor relatief korte dakvlakken. Bij een hoog boerderijdak dient grof riet te worden gebruikt.

Het nadeel van fijn riet is dat het een dicht oppervlak heeft, waardoor het langer nat blijft

na regen. Een ander nadeel is dat het hoge dak veel water vangt dat allemaal langs de voet van

het dak weg moet lopen. De onderzijde van het dakvlak blijft zodoende ook veel langer nat.

Het slijtageproces in acht genomen zal het oorspronkelijke dak een dikte gehad hebben van

25 cm - 26 cm met een slijtlaag van 11 cm -12 cm. Gezien de strakke binding, de rvsspandraad,

de goede uitvoering van het latwerk is er op de keuze van het riet na, vakkundig

gewerkt.

3.5

Zo niet, welke gebreken kleven aan het riet op de westzijde van het dak, althans de wijze

van aanbrengen van het riet daarop?

Het is vooral de keuze van het riet dat te fijn is voor deze daklengte dat als een uitvoeringsgebrek

kan worden aangemerkt.

3.6

Kunt u laten weten of de westzijde van het dak op zodanige wijze hersteld kan worden,

dat die alsnog zal gaan voldoen aan de gangbare kwaliteitseisen en de overeenkomst

tussen partijen, of dat een aanvaardbaar resultaat alleen kan worden bereikt door middel

van algehele of gedeeltelijke vervanging?

Het fijne riet vergt veel onderhoud, om het dak schoon te houden opdat het zo snel mogelijk kan

drogen. Het dak blijft veel onderhoud vergen. Er moet worden voorkomen dat er algen en mossen

ontstaan.

Herstel van dit dak is nog mogelijk omdat het riet onder de binding nog goed en heel vastgebonden is. Door het riet aan de onderzijde van het dak (circa 55%) schoon te maken, terug te trekken, aan te vullen met nieuw grof riet en weer aan te drijven (verstoppen) is het dak weer in redelijke conditie te brengen, waarbij de bovenzijde van het dak moet worden schoongemaakt en worden bijgewerkt. Vervolgens moet het dak worden bespoten met een algendodend middel. Een handeling die tweejaarlijks moet worden herhaald. Het schoonmaken van het dak moet jaarlijks gebeuren. Het beste kan er een onderhoudscontract met een rietdekker worden afgesloten".

2.8

[geïntimeerden] c.s. hebben hun boerderij in januari 2016 verkocht.

2.9

[geïntimeerden] c.s. hebben sinds de inspectie van het dak door Riet ABC in 2005 en de verkoop van de boerderij geen onderhoud laten verrichten aan het betreffende dakvlak.

3 De vordering en de procedure in eerste aanleg

3.1.

Bij inleidende dagvaarding van 23 december 2008 hebben [geïntimeerden] c.s. deze procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Leeuwarden. Zij vorderden hierbij, na vermeerdering van eis, samengevat, veroordeling van [appellante] tot betaling van € 13.620,-, vermeerderd met rente en kosten. Aan hun vorderingen hebben [geïntimeerden] c.s.

ten grondslag gelegd dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de met [C] gesloten overeenkomst tot vervanging van een rieten dak, doordat zij ongeschikt (kort en fijn) riet heeft gebruikt dat niet geschikt is voor het hoge dakvlak van (de westzijde van) de woning.

3.2.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

3.3

In het tussenvonnis van 2 juni 2010 heeft de rechtbank allereerst geoordeeld dat het recht ter zake een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op de voet van artikel 6:251 BW met de verkoop en levering van de boerderij van rechtswege op [geïntimeerden] c.s. is overgegaan. De rechtbank heeft enkele verweren van [appellante] verworpen en besloten een deskundige te benoemen die zal moeten beoordelen of [appellante] in de gegeven omstandigheden geschikt riet heeft gebruikt en zo nee, of de door [geïntimeerden] c.s. gestelde slechte staat van het dakvlak daarmee verband houdt.

3.4

De door de rechtbank uiteindelijk benoemde deskundige [E] heeft in zijn concept-rapport van 13 oktober 2012 onder andere het volgende vermeld:

"(…) het dak aan de westzijde is voor het grootste gedeelte zo goed als men in het algemeen kan en mag verwachten na een periode van ongeveer 12 jaar. Het onderste gedeelte van het dak is dermate slecht dat het vervangen dient te worden. Mijns inziens was dit te voorkomen geweest als er regelmatig onderhoud was gepleegd aan het dak. Het riet, alsmede het rietdekkerswerk, zagen er verder goed uit.

(…) In dit geval speelt de rij bomen aan de westkant ook nog een kwalijke rol. De hoge schuur ernaast zorgt ervoor dat de zon in de herfst en winter geen kans heeft het dak te drogen.

Dit zijn allemaal negatieve factoren voor de levensduur van het dak. Voor wat betreft de algvorming kan ik kort zijn. Dit komt op alle soorten riet voor.

De kosten voor vernieuwing bedragen ongeveer 100 euro per vierkante meter.

(…)".

3.5

De deskundige [E] heeft in zijn rapport van 4 februari 2013 - waarin op verzoek van de rechtbank puntsgewijs antwoord is gegeven op de in het tussenvonnis van 28 maart 2012 in het dictum geformuleerde vragen - onder andere het volgende vermeld:

"(...)

1. Een nieuw rieten dak moet in ieder geval:

- waterdicht zijn

- een gemiddelde dikte van 27 centimeter hebben

- er netjes uitzien.

2. Met het riet aan de westzijde is m.i. niets verkeerd. Het is technisch goed gedekt.

3. Het riet op de westzijde is op de juiste dikte aangebracht Zoals ik begrepen heb heeft de

toenmalige eigenaar het riet in overleg met de rietdekker zelf uitgezocht

4. [...]

5. Het onderste deel van de westzijde van het dak kan niet meer gerepareerd worden.

6. Het onderste deel dient vervangen te worden. Dat zal ongeveer om 120 m2 k 100 euro de m2 gaan.

Dan zal dat uitkomen op 12.000 euro (excl. BTW).

7. Er is algvorming aan de westkant van het dak. Dit heeft niets met de kwaliteit van het riet te

maken. Algvorming komt op alle soorten riet voor. In dit geval krijgt de onderste helft van het dak

praktisch weinig zon. Dit houdt in dat het dak na een regenbui lang nat blijft. Dat bevordert

algvorming.

8. Elk rieten dak heeft onderhoud nodig. Als men het dak om de 2 jaar laat controleren kan de

rietdekker zwakke plekken aanpakken om grotere schade te voorkomen. Dat is bij dit dak niet

gebeurd.

9. De noordzijde van het dak dient m.i. schoongemaakt te worden. Dan kan het nog jaren mee.

10. Na 13 jaar is dat moeilijk vast te stellen maar aangezien het bovenste gedeelte van de westzijde en

de noordkant geen gebreken vertonen, kan met daarvan uitgaan.

11. De kwaliteit van het riet wijzigt niet, maar door slijtage wordt het dak er door de jaren heen niet

beter op.

(…)".

3.6

In het tussenvonnis van 19 juni 2013 heeft de rechtbank, omdat de deskundige [E] geen antwoord heeft gegeven op de vraag of op de westzijde het juiste riet is gebruikt, deze vraag nogmaals voorgelegd aan [E] . Omdat [E] ondertussen was overleden, is een nieuwe deskundige, ing. [F] van Arcadis Nederland B.V., benoemd.

3.7

Deskundige [F] heeft in zijn rapport van 30 juli 2014 - na een uiteenzetting van zijn bevindingen - het volgende vermeld:

(…)

3. Beantwoording van de vragen

3.1.

Is op de Noordwestzijde van het onderhavige dak - rekening houdend met de gegeven

omstandigheden - de juiste rietsoort aangebracht of is er sprake van een ongeschikte rietsoort?

* Er zijn aanwijzingen voor het gebruik "oud en nieuw" riet. Dat is riet geoogst na twee

groeiseizoenen. Bij dit riet heeft reeds een deel van het verweringsproces zich op het veld afgespeeld.

Dit overjarig riet slijt sneller dan "nieuw" riet.

* Er is riet van minimaal twee verschillende partijen gebruikt. Dit is af te leiden uit de gebruikte

bandjes. Aan de conditie van het dak is evenwel geen kwaliteitsverschil van deze partijen af te leiden.

Samengevat is te zeggen dat al het gebruikte riet even slecht is geweest.

* Eén van de gebruikte partijen betreft Oost-Europees riet. Hoog afmaaien is in Oost Europa geen

uitzondering. Daarbij blijft de 'slijtlaag op het veld achter'. Ook in dat opzicht kan in z'n

algemeenheid worden gesteld dat er in kwalitatief opzicht geen goed riet is gebruikt.

Conclusie: er zijn meerdere ongeschikte soorten riet gebruikt.

3.2.

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis

dient te nemen bij de verdere beoordeling?

* Het eerste dat, niet alleen een deskundige van rieten daken maar ook een leek, opvalt is de

erbarmelijke conditie van het rieten dak van de noordwestkant. Een dak dat 17 jaar oud is en waar

nooit geen onderhoud aan is gepleegd, mag er nog niet zo slecht uitzien. Je kijkt op veel plaatsen nu

ónder de draden door, terwijl je normaliter van een slecht dak spreekt zodra de draden in het zicht

komen. En dat moet al in 2007 of daarvoor het geval zijn geweest, omdat anders het onderhavige

proces niet zou zijn opgestart. Een goéd gedekt dak met goed riet moet minimaal zo'n 25 jaar liggen

(overeenkomstig de mening van BDA).

* Genoemde slechte conditie is eerder in combinatie met een schroefdak te verwachten, maar zelfs dat

is hier niet het geval. Er is hier sprake van een onbeschoten kap boven een grote aaneengesloten open

ruimte (voormalige deel) met ideale ventilatie.

* Van het gebruik van Fries riet is niets gebleken.

* Het effect van de plantsoensingel op de noordwestelijke erfgrens is niet van invloed op het

slijtageproces. Deze beplanting is van dermate geringe hoogte en volheid, dat die het (na-)drogen van

hel dakvlak niet in de weg staat.

* Een noord(-west)wand slijt eerder dan bijvoorbeeld een zuidwand. Deze wetenschap is in de

beschouwing betrokken.

* De gehele noordwestwand is zodanig versleten, dat deze integraal moet worden vervangen".

3.8

De rechtbank heeft in het eindvonnis van 10 december 2014 geoordeeld dat [appellante] door het gebruik van ongeschikt riet op de westzijde van het dak jegens [geïntimeerden] c.s. toerekenbaar is tekortgeschoten en aan [geïntimeerden] c.s. de daardoor geleden schade dient te vergoeden. De schade is door de rechtbank in redelijkheid vastgesteld op een bedrag van
€ 7.500,-. De rechtbank heeft [appellante] daarnaast veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 7.480,54.

3.9

Tegen de toewijzing van de vordering en de kostenveroordeling is [appellante] onder aanvoering van negen grieven in hoger beroep gekomen.

4 Bespreking van de grieven

4.1

Het hof stelt vast dat geen grieven zijn gericht tegen de tussenvonnissen van
24 november 2010, 11 mei 2016, 6 juli 2011, 9 november 2011, 28 maart 2012 en
18 december 2013, zodat het appel tegen deze tussenvonnissen ongegrond is.

Verjaring

4.2

Het meest verstrekkende verweer, verwoord in grief VII, houdt in dat de vordering van [geïntimeerden] c.s. op grond van artikel 3:307 BW, in verband met artikel 3:312 BW is verjaard. Dit verweer moet worden verworpen, omdat het hier geen vordering tot nakoming betreft waarop artikel 3:307 ziet, maar een vordering tot (vervangende) schadevergoeding.

Op grond van artikel 3:310 BW geldt dat de verjaring daarvan begint te lopen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde met de schade bekend is geworden en dus niet zoals [appellante] ten onrechte stelt op het moment van de oplevering van het dak. Dat wanneer wordt uitgegaan van de verjaringsregeling van artikel 3:310 BW ook sprake is van verjaring, heeft [appellante] niet (gemotiveerd) gesteld. Het verweer dat de vordering op grond van artikel 7:761 BW is verjaard, heeft [appellante] ter comparitie in hoger beroep ingetrokken. Partijen zijn het er (terecht) over eens dat artikel 7:761 BW op de in 1997 gesloten aannemingsovereenkomst niet van toepassing is.

Schending klachttermijn

4.3

De grief komt tevens op tegen de verwerping van het verweer dat er niet tijdig zou zijn geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW. In het bijzonder bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.6 van het vonnis van 2 juni 2010 dat de klachttermijn is gaan lopen na ontvangst van de brief van Riet ABC van 17 mei 2005. Volgens [appellante] waren [geïntimeerden] c.s. al veel langer bekend met de vermeende problematiek van het rieten dak, omdat de verminderde staat van het rieten dak een zich langzaam voltrekkend proces betreft.

4.4

Artikel 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. De ratio van artikel 6:89 BW is erin gelegen dat de schuldenaar wordt beschermd doordat hij erop mag rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt, en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, hij dat eveneens met spoed aan de schuldenaar meedeelt. Het onderzoek dient, gelet op de door artikel 6:89 BW beschermde belangen van de schuldenaar, door de schuldeiser te worden ingesteld en uitgevoerd met de voortvarendheid die, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid van hem kan worden gevergd. In dit verband kunnen onder meer van belang zijn de aard en de waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt en de deskundigheid van de schuldenaar (zie HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8991).

4.5

De vraag of het protest binnen bekwame tijd is geschied, dient te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de schuldenaar nadeel lijdt door het tijdsverloop totdat is geklaagd. In dit verband dient rekening te worden gehouden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in artikel 6:89 BW vermeld - te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming - en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend (vgl. HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593).

4.6

De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op artikel 6:89 BW kunnen dragen, rusten in beginsel op de schuldenaar, omdat het door hem gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd, een bevrijdend verweer is. Het ligt dan ook op zijn weg voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment de schuldeiser heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt, alsmede te stellen en zo nodig te bewijzen dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop de schuldeiser geklaagd heeft, zo lang is geweest dat in het licht van de hiervoor bedoelde maatstaven niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in de artikel 6:89 BW.

4.7

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] haar stelling dat de klachttermijn al vóór maart 2005 is gaan lopen, in het licht van voornoemde maatstaven, onvoldoende geconcretiseerd. Juist nu het minder worden van het rieten dak een zich langzaam voltrekkend proces is, had [appellante] concreet moeten aangeven vanaf welk moment [C] of [geïntimeerden] c.s. wisten of redelijkerwijs dienden te weten dat de achteruitgang van het dak verband hield met het door [appellante] geleverde riet. Ook indien moet worden aangenomen dat [geïntimeerden] c.s., toen zij omstreeks maart 2005 Riet ABC opdracht gaven het rieten dak te onderzoeken, reeds bekend waren met het gebrek, dan geldt naar het oordeel van het hof nog steeds dat [geïntimeerden] c.s. met voortvarendheid te werk zijn gegaan. Tussen het geven van de opdracht aan Riet ABC en de klacht, vervat in de aansprakelijkheidstelling van september 2005, ligt een periode van zes maanden. Dat [appellante] door het verstrijken van genoemde zes maanden in haar bewijspositie is geschaad of dat het gebrek in die zes maanden is verergerd, is door haar niet voldoende onderbouwd. [appellante] heeft er weliswaar op gewezen dat sprake was van aantasting van de dakbedekking door algen, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aantasting in de periode van 6 maanden is ontstaan of zodanig is verergerd dat zij daardoor in haar bewijspositie is geschaad. Het beroep op artikel 6:89 BW moet worden afgewezen. Grief VII is tevergeefs voorgedragen.

Toerekenbare tekortkoming, ongeschikt riet

4.8

De centrale vraag is of [appellante] door het gebruik van het onderhavige riet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit de oorspronkelijke overeenkomst met [C] . De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord, omdat [appellante] ongeschikt riet heeft gebruikt. Aan het oordeel van de rechtbank ligt ten grondslag dat fijn riet niet geschikt is voor het hoge dakvlak van de westzijde van de woning. Uit de toelichting op grief II begrijpt het hof dat [appellante] zich allereerst op het standpunt stelt dat de rietsoort - fijn of grof, kort of lang - er niet doet.

4.9

Het hof kan haar hierin niet volgen. Uit de brief van Riet ABC van 17 mei 2005 en het rapport van de BDA Groep van 11 november 2007 volgt dat het dakvlak bepalend is voor het soort riet dat moet worden gebruikt. Riet ABC en de BDA Groep concluderen dat het door [appellante] gebruikte riet te fijn is voor het betreffende dakvlak. Door BDA Groep wordt de keuze als een uitvoeringsgebrek aangemerkt. Deze conclusie van BDA Groep wordt niet gerelativeerd in de door [appellante] bij memorie van grieven overgelegde (ongedateerde) brief van [G] van de BDA Groep. In deze brief schrijft [G] onder meer dat voor daken het fijnste riet niet altijd het beste is. Deze opmerking sluit aan bij het rapport van BDA, inhoudende dat voor het type dak dat in het geding is, een (hoog) boerderijdak, fijn riet niet geschikt is. Grief II faalt in zoverre.

4.10

In grief II klaagt [appellante] er verder over dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank naar aanleiding van het rapport van 13 oktober 2012 deskundige [E] alsnog heeft verzocht antwoord te geven op de vraag of op de westzijde van het dak de juiste rietsoort is aangebracht. Ook die klacht is naar het oordeel van het hof ongegrond. De constatering van deskundige [E] dat het riet op de westzijde van het dak op juiste dikte is aangebracht, sluit immers niet uit dat er ongeschikt riet (op de juiste dikte) is aangebracht. Omdat deskundige [E] zich in zijn rapport van 13 oktober 2012 niet expliciet heeft uitgelaten over het soort riet dat door [appellante] is gebruikt, heeft de rechtbank hem dan ook terecht verzocht deze vraag alsnog te beantwoorden. Grief II faalt ook in zoverre.

4.11

Het hof is verder met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat [C] het riet zelf heeft uitgekozen [appellante] niet kon ontslaan van haar verplichting om [C] te waarschuwen dat het gekozen riet niet geschikt was voor het onderhavige dakvlak, nog daargelaten dat het hof zonder nadere toelichting, die in de daarop betrekking hebbende grieven I en VI niet is gegeven, niet inziet op welke grond de gevolgen van die keuze voor rekening van [C] zouden moeten komen, zeker nu niet ter discussie staat dat [appellante] het riet ook heeft geleverd. Ook de grieven I en VI zijn tevergeefs voorgesteld.

4.12

De volgende vraag die moet worden beantwoord is óf [appellante] ongeschikt riet heeft gebruikt. Die vraag is door deskundige [F] bevestigend beantwoord. Aan de klacht in grief III, dat de rechtbank deskundige [F] niet als deskundige had kunnen benoemen omdat hij zelf geen rietdekker is geweest, gaat het hof voorbij, nu [F] , als rietteler en als deskundige op het gebied van dekriet en rieten daken verbonden aan Arcadis, in staat moet worden geacht de geschiktheid van het riet te beoordelen. Dat hij zich in 1994 in dagblad Trouw heeft uitgelaten over import-riet brengt naar het oordeel van het hof zonder nadere toelichting van [appellante] , die ontbreekt, nog niet mee dat hij in deze zaak bevooroordeeld zou zijn. Grief III faalt.

4.13

De rechtbank heeft verder in rechtsoverweging 2.7.1 van het bestreden eindvonnis de klacht verworpen dat deskundige [F] , door in afwezigheid van [appellante] een voor- en na-inspectie uit te voeren, het beginsel van hoor- en wederhoor heeft geschonden. De daartegen gerichte grief IV bevat geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank terecht zijn verworpen. Het hof maakt die overwegingen tot de zijne. Om die reden behoeft de grief geen verdere bespreking.

4.14

Ook in grief V en in de daarop gegeven toelichting leest het hof in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank in rechtsoverweging 2.8 van het eindvonnis gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

4.15

Voorop wordt gesteld dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen.

De rechter behoeft zijn beslissing om de zienswijze van de door hem benoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (zie onder meer HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468). De rechtbank is in rechtsoverweging 2.8 van het bestreden eindvonnis op alle door [appellante] genoemde bezwaren ingegaan.

4.16

Het hof stelt vast dat deskundige [F] bij de beantwoording van de - door deskundige [E] onbeantwoord gelaten - vraag of de juiste rietsoort is aangebracht, zich ongevraagd heeft uitgelaten over de herkomst van het riet, maar dat doet niet af aan zijn feitelijke bevinding dat het riet vele relatief dunne en erg korte stengels bevat en ook kwalitatief niet goed is, terwijl [appellante] op grond van haar overeenkomst met [C] gehouden was "eerste kwaliteit riet" te leveren.

4.17

Van belang is verder dat de feitelijke bevinding van deskundige [F] dat er te fijn riet is gebruikt, wordt ondersteund door de onder 2.4 genoemde brief van ABC Riet en het onder 2.7 genoemde deskundigenbericht van BDA Advies. De algemene opmerkingen van [G] van de BDA Groep in zijn ongedateerde brief aan [appellante] , aangehaald onder 4.9, doen aan die bevindingen niet af, waarbij komt dat [G] het riet van het dak niet heeft geïnspecteerd.

4.18

Uit het voorgaande volgt dat ook grief V faalt.

Schade

4.19

Resteert de vraag of [geïntimeerden] c.s. door de toerekenbare tekortkoming van [appellante] in de nakoming van haar verbintenis uit de in 1997 gesloten aannemingsovereenkomst schade hebben geleden. Die vraag is door de rechtbank in rechtsoverweging 2.12 van het eindvonnis bevestigend beantwoord. Daarop heeft grief VIII betrekking. De grief komt vanuit verschillende invalshoeken op tegen de door de rechtbank vastgestelde vergoeding van € 7.500,-.

4.20

Bij de beoordeling van de grief stelt het hof het volgende op.

[geïntimeerden] c.s. vorderen in deze zaak vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW, wegens niet-nakoming door [appellante] van haar verbintenissen en zij stellen de door hen geleden schade op het bedrag van de herstelkosten. In een dergelijk geval moet de schade worden begroot op basis van de vermogensvermindering die ten tijde van de niet-nakoming door de tot de prestatie gerechtigden, [geïntimeerden] c.s., is geleden ten opzichte van de situatie waarin zij zouden zijn geraakt bij behoorlijke nakoming van de verbintenis. De schade is in beginsel gelijk aan de kosten van het herstel van de niet behoorlijk nagekomen verbintenis van [appellante] . Dat het herstel niet is uitgevoerd en de boerderij ondertussen is verkocht, zijn omstandigheden waaraan in het kader van de onderhavige vordering tot vervangende schadevergoeding geen betekenis toekomt (vgl. HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9339). De daarop betrekking hebbende stellingen van [appellante] worden dus gepasseerd.

4.21

In debat is wat de gevolgen zijn van het niet verrichten van preventief onderhoud voor de omvang van de schade sinds de constatering daarvan in 2005. Deskundige [E] heeft de kosten van het herstel van het dak in 2013 op € 12.000,- begroot. In zijn begroting heeft deskundige [E] niet aangegeven in hoeverre die kosten te wijten zijn aan het niet verrichten van onderhoud, terwijl duidelijk is dat het niet verrichten van onderhoud, en daarover bestaat tussen partijen geen verschil van mening, de slijtage van het dak heeft versneld. Het hof acht het alleen om die reden al voor de hand liggender om aan te knopen bij de opgave van de herstelkosten zoals deze door Veenstra al op 1 oktober 2005 is gedaan. Het daarin geoffreerde bedrag van € 7.850,- excl. btw is door [appellante] als zodanig niet bestreden. Dat bedrag volstond toen om het dak te kunnen repareren en daarmee de ondeugdelijke nakoming door [appellante] te herstellen.

Dat de in 2005 bestaande schade aan de westzijde van het dak voorkomen had kunnen worden door het verrichten van onderhoud, is door [appellante] niet, althans onvoldoende aangetoond. Uit het deskundigenbericht van de deskundige [E] volgt slechts dat controle en daarop volgend klein onderhoud grotere schade hadden kunnen voorkomen. Zijn rapport is echter in 2013 uitgebracht, ruimschoots na 2005, en uit zijn rapport volgt niet dat controles en daarop volgend onderhoud de in 2005 bestaande schade hadden kunnen voorkomen.

Nu het in 2005 geoffreerde bedrag voor herstel van het dak hoger is dan het door de rechtbank toegewezen bedrag ad € 7.500,-, behoeft de grief wat betreft de hoogte van de schadevergoeding geen verdere bespreking. Dat [geïntimeerden] c.s. genoemde schade mogelijk ook reeds op [C] hebben verhaald, zoals [appellante] in haar akte overlegging van producties van 23 februari 2016 stelt, is door [geïntimeerden] c.s. bij antwoordakte en ter comparitie betwist. [appellante] is daarop ter comparitie vervolgens niet meer teruggekomen, zodat ook dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

4.22

[appellante] klaagt er ook nog over dat de rechtbank ten onrechte wettelijke rente per 16 september 2005 heeft toegewezen. Ook die klacht faalt, omdat wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ingetreden, ook als de herstelkosten nog niet zijn gemaakt. Grief VIII faalt dan ook.

4.23

Uit het voorgaande volgt tevens dat [appellante] door de rechtbank terecht als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in eerste aanleg is veroordeeld. Dit betekent dat grief IX het lot deelt van de voorgaande grieven.

5 Slotsom

De slotsom is dat de grieven falen en dat [appellante] als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van het hoger beroep moet worden veroordeeld (2,5 punt in tarief I).

6 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

- bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. begroot op € 1.580,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 311,- voor verschotten;

- verklaart dit arrest voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. R.E. Weening, mr. H. de Hek, en mr. D.J. Keur, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 28 februari 2017.