Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1674

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
200.198.890/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, Wwz. Vraag of reden voor beëindiging inlening een dringende reden is voor het uitzendbureau. Ook vraag of voldaan is aan de onverwijldheidseis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0243
AR 2017/1094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.198.890/01

(zaaknummers rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, 5054424 en 5054458)

beschikking van 28 februari 2017

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. S.T.W. Verhaagh, kantoorhoudend te Nijmegen,

tegen

Tempo-Team Projecten B.V.,

gevestigd te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

hierna: Tempo-Team,

advocaat: mr. J.M. Caro, kantoorhoudend te Amstelveen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

15 juni 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, waarbij de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] om het ontslag op staande voet te vernietigen heeft afgewezen en op verzoek van Tempo-Team voor recht heeft verklaard dat het ontslag op de juiste gronden en de juiste wijze is gegeven. De kantonrechter heeft Tempo-Team voorts niet-ontvankelijk verklaard in het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de door Tempo-Team verzochte gefixeerde schadevergoeding afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift van [verzoeker] , ter griffie ontvangen op 13 september 2016;

- het verweerschrift met producties, waaronder een dossier van eerste aanleg, van Tempo- Team;

- de brief d.d. 11 november 2016 van mr. Verhaagh waarbij zittingsaantekeningen van de griffier zijn gevoegd van de mondelinge behandeling in eerste aanleg;

- de op respectievelijk 18 november 2016 en 2 december 2016 ingekomen producties 16 en 17 van Tempo-Team;

- de op 9 december 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de kant van Tempo-Team pleitnotities zijn overgelegd.

2.2

Het hof heeft Tempo-Team verzocht te bewerkstelligen dat het schadedossier van [verzoeker] privé wordt overgelegd. Tempo-Team heeft op 14 december 2016 drie producties in het geding gebracht, waarop volgens ter zitting gemaakte afspraak is gereageerd door mr. Verhaagh bij brief van 19 januari 2017, waarbij een productie is gevoegd, waarna door Tempo-Team is gereageerd bij op 25 januari 2017 ter griffie ontvangen brief van mr. Caro.

Vervolgens is uitspraak bepaald op heden.

2.3

[verzoeker] heeft in zijn beroepschrift verzocht, uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht te verklaren dat:

- Tempo-Team hem ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en onregelmatig heeft opgezegd;

- de beëindiging van het dienstverband niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verzoeker] ;

b. Tempo-Team te veroordelen om binnen acht dagen na betekening te betalen:

- € 3.857,- bruto transitievergoeding en

- € 4.490,61 bruto wegens onregelmatige opzegging,

een en ander met wettelijke rente vanaf 16 maart 2016;

c. Tempo-Team te veroordelen tot het verstrekken van een bruto-nettospecificatie op straffe van een dwangsom, met wettelijke rente;

een en ander met veroordeling van Tempo-Team in de kosten van beide instanties.

3 De feiten

3.1

Tegen de door de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.4 vastgestelde feiten is, behoudens ten aanzien van een onvermelde onderbreking in de werkzaamheden zoals nu opgenomen onder 3.2, geen bezwaar gemaakt. Aangevuld met wat in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan, zijn de feiten als volgt.

3.2

[verzoeker] , geboren [in] 1980, is sinds 19 september 2011 op grond van een uitzendovereenkomst met Tempo-Team werkzaam als uitzendkracht. Tot 2 maart 2014 was hij ter beschikking gesteld aan OHRA Verzekeringen (hierna: Ohra) en met ingang van

3 maart 2014 is hij (met een onderbreking van drie maanden tussen 30 maart 2015 en 29 juni 2015) door Tempo-Team ter beschikking gesteld aan ABN AMRO Verzekeringen (hierna: AAV) in de functie van schadebehandelaar te [C] . Ohra en AAV zijn onderdeel van de Delta Lloyd Groep.

De looptijd van de laatste detacheringsovereenkomst, die op 4 december 2015 tussen Tempo-Team en [verzoeker] tot stand is gekomen, is van 28 december 2015 tot en met 3 juli 2016. Dit betreft een uitzendovereenkomst in fase B van de ABU CAO voor Uitzendkrachten.

3.3

Op 15 maart 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [D] en [E] , beiden senior tactisch onderzoeker in dienst van Delta Lloyd. Bij dat gesprek waren tevens aanwezig [F] , senior manager bij Tempo-Team,

[G] , HR-adviseur, en [H] , afdelingsmanager van de afdeling waar [verzoeker] werkzaam was. In het gesprek zijn meerdere onderwerpen aan de orde gesteld, waaronder de afhandeling van een aantal schadeclaims door [verzoeker] , zijn eigen schadeclaim naar aanleiding van een inbraak in zijn woning en het doorsturen van zakelijke berichten naar [verzoeker] privé e-mailadres. Na afloop van dit gesprek heeft Delta Lloyd besloten dat de uitzendrelatie met [verzoeker] met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.

3.4

Tijdens een gesprek op 16 maart 2016 met [verzoeker] heeft Tempo-Team de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd wegens een dringende reden. Bij brief van diezelfde dag is het gegeven ontslag op staande voet bevestigd:

"Hierbij bevestigen wij u dat Tempo-Team uw arbeidsovereenkomst wegens dringende reden met onmiddellijke ingang beëindigt op 16 maart 2016. Deze dringende reden is ons bekend geworden op 15 maart 2016. De dringende reden is gelegen in het volgende:

Op 15 maart 2016 hebben de heren [D] en [E] , beide in de functie van sr. tactisch onderzoeker integriteitszaken bij Delta Lloyd/ABN AMRO Verzekeringen, in aanwezigheid van ondergetekende een gesprek met u gevoerd bij opdrachtgever Delta Lloyd/ABN AMRO Verzekeringen. Aanleiding voor dat gesprek is dat Delta Lloyd/ABN AMRO Verzekeringen onderzoek heeft gedaan naar een aantal claims waarbij onregelmatigheden zijn aangetroffen die gekoppeld zijn aan u in uw functie van schadebehandelaar bij Delta Lloyd/ABN AMRO Verzekeringen.

Tijdens dat gesprek is hoor en wederhoor toegepast. Van dat gesprek is een verslag gemaakt en het verslag zal u binnen 48 uur worden toegestuurd. Tevens zijn er documenten aan u overlegd. De volgende documenten zijn voorgelegd:

- Betaal afhandelformulier: controle op handschrift.

- Twee dossiers waarbij betaling is gedaan vanaf uw werkstation. De schade dossiers bij deze overboekingen ontbreken, u heeft daar geen verklaring voor.

- Diverse e-mail berichten met zakelijke informatie zijn doorgestuurd naar uw privé mail. Uw verklaring: verkeerd geadresseerd.

- Stuk tekst voor claim opgesteld en doorgestuurd naar privé –mail. Deze informatie is één op één gebruikt in een claim van uw broer. U heeft aangegeven dat u de tekst heeft opgesteld maar dat dat privé is.

- Er zijn bewijsstukken gevonden van betalingen op spookdossier vanuit werkstation.

Op basis van de bevindingen heeft Delta Lloyd/ABN AMRO Verzekeringen geconcludeerd dat u, als schadebehandelaar, betrokken bent geweest bij dubieuze en frauduleuze handelingen. Gelet op het bovenstaande kan van Tempo-Team redelijkerwijs niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren."

3.5

De opdrachtgever van Tempo-Team heeft per brief van 17 maart 2016 aan [verzoeker] bevestigd dat zijn inzet als uitzendkracht met onmiddellijke ingang is beëindigd.

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoeker] heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, primair vernietiging van het ontslag op staande voet verzocht en veroordeling tot toelating tot het werk, op straffe van een dwangsom, en subsidiair veroordeling tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding voor onregelmatig ontslag en de transitievergoeding, verstrekking van loonspecificaties op straffe van een dwangsom, een en ander met wettelijke rente en onder veroordeling van Tempo-Team in de proceskosten.

4.2

Tempo-Team heeft, zakelijk weergegeven, afwijzing bepleit en op haar beurt verzocht voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet terecht is verleend, [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding en, voorwaardelijk, de arbeidsovereenkomst te ontbinden, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

4.3

De kantonrechter heeft de verzoeken van [verzoeker] afgewezen en hem in de kosten veroordeeld. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat hij, nu partijen daarover geen andersluidend standpunt hebben ingenomen, tot uitgangspunt neemt dat beëindiging van de uitzendrelatie als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de uitzendkracht (in de zin van artikel 7:677 BW) jegens Delta Lloyd doorwerkt in de relatie tussen Tempo-Team en [verzoeker] . De opzegging en mededeling van de dringende reden hebben onverwijld plaatsgevonden. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt de combinatie van onderzoeksbevindingen ter zake de eigen schadeclaim van [verzoeker] wegens inbraak en de wijze waarop [verzoeker] vragen over andere schadedossiers ontwijkt of niet open en toetsbaar beantwoordt, dat Delta Lloyd terecht spreekt van frauduleus en dubieus handelen. In het verlengde daarvan mocht Tempo-Team zich terecht op het standpunt stellen dat dit reden is voor ontslag op staande voet.

4.4

De door Tempo-Team verzochte verklaring voor recht is toegewezen, in het verzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding is Tempo-Team niet-ontvankelijk verklaard, haar verzoek is voor het overige afgewezen en de kosten van de procedure in het tegenverzoek zijn gecompenseerd.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

Het beroepschrift van [verzoeker] bevat zes genummerde gronden van beroep, aangeduid als grieven. Het hof zal die terminologie overnemen.

5.2

Met grief I betwist [verzoeker] de overweging van de kantonrechter dat, nu partijen daarover geen andersluidend standpunt hebben ingenomen, een beëindiging van de uitzendrelatie om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW doorwerkt in de relatie tussen [verzoeker] en Tempo-Team.

Op zichzelf is juist dat een inlener makkelijk van een uitzendkracht af kan, zoals [verzoeker] stelt, en ook is denkbaar dat bepaalde kwesties voor de ene inlener van groot belang zijn, terwijl dat voor een andere inlener niet het geval hoeft te zijn. Indien het verweten gedrag evenwel frauduleus handelen betreft, is -indien die beschuldiging gegrond is- dat gedrag van zodanige aard, dat Tempo-Team [verzoeker] bij geen enkele klant kan plaatsen. Dergelijk handelen bij de inlener levert dan ook een dringende reden op voor Tempo-Team. De grief faalt.

5.3

Volgens grief II heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat opzegging en mededeling van de dringende reden onverwijld hebben plaatsgevonden. [verzoeker] gelooft niet dat Delta Lloyd, zoals Tempo-Team in eerste aanleg heeft gesteld, pas op 8 maart 2016 het vermoeden kreeg dat hij fraudeerde bij de behandeling van schadeclaims. Hij gelooft ook niet dat Delta Lloyd Tempo Team niet eerder dan op 8 maart 2016 heeft geïnformeerd. De 'jongste' verdachte claim (van de broer van [verzoeker] ) dateert van 30 januari 2016.

5.4

Het hof stelt voorop dat niet Delta Lloyd, maar Tempo-Team de tot ontslag bevoegde

werkgever is. Op zichzelf is daarom niet van belang op welk moment Delta Lloyd vermoedde dat [verzoeker] zich schuldig maakte aan fraude.

Niet is betwist dat Tempo-Team voldoende voortvarend heeft gehandeld indien zij omstreeks 8 maart 2016 op de hoogte raakte van de vermoedens van Delta Lloyd. Zij heeft deze op

15 maart 2016 met [verzoeker] en in aanwezigheid van de onder 3.3 genoemde personen besproken, daags daarop ontslag op staande voet verleend en dat bij brief van dezelfde dag bevestigd en toegelicht zoals onder 3.4 is vermeld.

5.5

Tempo-Team is in hoger beroep dieper op de gang van zaken ingegaan. Uit haar nadere toelichting volgt dat Delta Lloyd eerder dan per 8 maart 2016 aanleiding vond voor onderzoek naar het handelen van [verzoeker] . Diens broer heeft eind januari 2016 een schadeclaim ingediend en op 8 februari 2016 aangifte van insluiping gedaan bij de politie. Daarna is deze broer op 15 februari 2016 bezocht door een schade-expert. Het schadedossier van de broer kreeg kritische aandacht door de bijzondere toedracht en de diefstal van veel sieraden, kleding en schoeisel. Na 26 februari 2016 is het dossier voorgelegd aan de afdeling integriteitszaken. Een medewerker van die afdeling herkende de achternaam van de verzekerde, die gelijkluidend was aan een [verzoeker] die eerder bij Ohra had gewerkt. Vervolgens bleek dat [verzoeker] in 2015 zelf een grote schadeclaim had ingediend en nu schadebehandelaar bij AAV was. In de tweede helft van februari 2016 is nader onderzoek naar de gedragingen van [verzoeker] gedaan waarbij is gestart met steekproeven in door hem behandelde schadedossiers. Daaruit kwamen zaken naar voren waarbij Delta Lloyd vraagtekens zette en waar verder onderzoek naar is gedaan. Tempo-Team is op of omstreeks 8 maart 2016 door Delta Lloyd geïnformeerd, aldus Tempo-Team.

5.6

Het hof acht de onder 5.5 beschreven gang van zaken plausibel. Zelfs indien Delta Lloyd (de tot ontslag bevoegde persoon bij) Tempo-Team al eind februari 2016, toen de steekproeven vraagtekens opriepen, zou hebben geïnformeerd over het onderzoek dat bij haar plaatsvond, dan nog had Tempo-Team de uitkomsten van dat onderzoek bij de inlener en het onder 3.3 bedoelde gesprek op 15 maart 2016 moeten afwachten alvorens zij kon besluiten tot ontslag, gehoord [verzoeker] . Het hof ziet dan ook geen reden om Tempo-Team te belasten met bewijs van haar stelling dat zij (pas) op 8 maart 2016 is geïnformeerd.

De grief faalt.

5.7

Voor zover [verzoeker] in randnummer 20 van zijn beroepschrift nog een verholen grief heeft opgeworpen die inhoudt dat hem niet meteen duidelijk was waarom hij werd ontslagen, nu de ontslagbrief aan duidelijkheid te wensen overlaat, overweegt het hof dat de in die brief vermelde aanleiding voor het gesprek op 15 maart 2016 en de conclusie in de voorlaatste zin van die onder 3.4 geciteerde brief niet voor misverstand vatbaar zijn.

5.8

Naar het oordeel van de kantonrechter is [verzoeker] betrokken geweest bij dubieuze en frauduleuze handelingen, meer specifiek omdat in een aantal onderzochte dossiers dezelfde aankoopnota's voorkomen en aankoopnota's uit schadedossiers van anderen zijn gebruikt bij een claim van [verzoeker] zelf, in verband met een inbraak in zijn woning op 2 mei 2015, dan wel bij de onder 5.3 en 5.5 bedoelde claim van zijn broer. Ook heeft [verzoeker] een lijst met vermiste goederen van zijn zakelijke e-mailadres naar zijn privé e-mailadres gestuurd, welke lijst is gebruikt bij de schade-aangifte van zijn broer, en vragen daaromtrent afgedaan met de opmerking dat dit een privé aangelegenheid betrof.

Met betrekking tot de eigen claim van [verzoeker] heeft de kantonrechter overwogen:

"4.8.3. De kantonrechter overweegt dat uit het gespreksverslag van 15 maart 2016 blijkt dat [verzoeker] niet heeft willen antwoorden op vragen die zijn eigen schade-aangifte naar aanleiding van de inbraak op 2 mei 2015 betreffen. [D] heeft ter zitting erkend dat de aankoopnota’s (daarom) niet aan [verzoeker] zijn getoond. Dat laat onverlet dat de conclusie van Delta Lloyd valide is: het is dubieus dat dezelfde luxe goederen door de oorspronkelijke koper van die goederen worden geclaimd en daarna door [verzoeker] . De kantonrechter is van oordeel dat Delta Lloyd voldoende heeft aangetoond dat [I] , [J] en [K] de oorspronkelijke kopers zijn geweest, omdat dat kan blijken uit een combinatie van aankoopnota’s, bankafschriften en creditcardgegevens. [verzoeker] heeft ook niet betwist dat die goederen in eerste instantie door genoemde personen zijn aangeschaft. Het moet als onwaarschijnlijk worden afgedaan dat [verzoeker] via zuiver toeval via Marktplaats in het bezit is gekomen van de juwelen, de jas, de zonnebril en de tv-mediaspeler, die eerder in schadedossiers zijn voorgekomen die nota bene door hem zijn afgehandeld. [verzoeker] heeft ter zitting in twijfel getrokken of hij wel degene is geweest die de betreffende schadebehandelaar is geweest, maar de kantonrechter is van oordeel dat ook dat argument geloofwaardigheid mist. De dossiers vermelden de initialen ‘moh’, die door [verzoeker] wordt gebruikt en bevat het handschrift waarvan [verzoeker] niet uitsluit dat het zijn handschrift is."

Met grief III komt [verzoeker] op tegen de zinsnede dat het onwaarschijnlijk is dat hij de vermelde goederen zuiver toevallig via Marktplaats in bezit heeft gekregen. Hij heeft bij zijn schadeclaim de originele aankoopnota's overgelegd die hij bij aankopen via Marktplaats van de verkopers krijgt. Daarop is hij bedacht omdat hij wil voorkomen dat hij gestolen goederen koopt. Naast die originele nota's heeft hij ook ander bewijsmateriaal meegegeven aan de schade-expert: e-mails met verkopers op Marktplaats, bankafschriften, foto's van de gestolen spullen en verpakkingen. Indien hij de aankoopbonnen uit dossiers van Delta Lloyd zou hebben gehaald, hetgeen hem overigens niet verweten wordt, zou hij dat met voorbedachten rade hebben moeten doen. Op de datum van diefstal uit zijn woning, 2 mei 2015, was hij immers niet werkzaam bij Delta Lloyd. Daar komt bij dat [verzoeker] geen originele stukken meer in handen kreeg sinds de invoering van een het BPMS-systeem, aldus [verzoeker] .

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is nog toegevoegd dat [verzoeker] de originele bonnen, die hij aan de schade-expert heeft meegegeven, aan de achterzijde heeft gemarkeerd.

5.9

Het hof gaat ervan uit dat de invoering van het digitale systeem BPMS heeft plaatsgevonden tijdens de korte onderbreking van de werkzaamheden van [verzoeker] in de periode tussen 30 maart 2015 en 29 juni 2015, nu dit blijkt uit de verklaring van [verzoeker] op pagina 3 van het in eerste aanleg overgelegde gespreksverslag van 15 maart 2016 en [verzoeker] niet heeft gesteld dat dit onjuist is en ook geen andere ingangsdatum heeft genoemd. Voordien kreeg hij wel originele stukken op zijn bureau.

5.10

Bij de drie producties die Tempo-Team na de mondelinge behandeling heeft overgelegd, bevindt zich het op 11 mei 2015 opgemaakte proces-verbaal van de aangifte van [verzoeker] van de inbraak in zijn woning in de vroege ochtend van 2 mei 2015 waarin een lijst met ontvreemde goederen is opgenomen. Daarachter bevindt zich een lijst met goederen, genummerd 1 tot en met 37, en een lijst met sieraden, voorzien van de letters A tot en met H, waarachter bedragen zijn vermeld, soms verwezen wordt naar een dossierstuk en soms nog een opmerking wordt gemaakt. Achter deze lijst bevinden zich kopieën van verkoopbonnen, facturen en kassabonnen.

[verzoeker] beklaagt zich erover dat niet het schadeaangifteformulier is overgelegd, noch de correspondentie over de claim en de bevestiging van de uitkering. Het gaat het hof echter om de lijst ontvreemde goederen en de aankoopbewijzen daarvan. Dat het om gekopieerde of gescande documenten gaat, doet daarbij op zichzelf niet ter zake. Volgens Tempo-Team vormen de drie producties het volledige dossier bij de schade-afdeling, dat digitaal is aangeleverd bij de afdeling Compliance & Integrity van Delta Lloyd en waarop het integriteitsonderzoek is gebaseerd. Dat het om een digitaal dossier gaat, strookt met hetgeen onder 5.9 is overwogen.

5.11

In reactie op deze producties heeft [verzoeker] betwist dat de nu "overgelegde kopieën van de bonnen allemaal zien op de bonnen die hij destijds (in origineel) heeft ingediend". Hij meent 51 originele bonnen aan de expert te hebben meegegeven, terwijl er nu 44 zijn, waarvan verschillende [verzoeker] onbekend voorkomen. De aankoopnota's van de Bijenkorf (op één daarvan komt de klantnaam [I] voor) en [L] (nr. 34) heeft hij niet ingediend, evenmin als de met F gemerkte bon, zo voert hij aan.

Daarmee stelt [verzoeker] in feite dat zijn schadedossier in die zin vervalst is, dat er bonnen zijn uitgehaald en andere dan door hem ingeleverde aankoopbonnen aan zijn toegevoegd. Het hof acht dat niet zonder meer geloofwaardig. Tegen de achtergrond van de zorgvuldigheid, die [verzoeker] stelt te hebben betracht bij aankopen op Marktplaats door bij de aanschaf steeds originele aankoopbewijzen te verlangen van de doorverkopers, verbaast het hof zich erover dat [verzoeker] kennelijk geen kopie heeft gemaakt van de door hem ingediende schadeclaim met bijbehorende bewijsstukken, althans geen reden heeft gezien zijn kopie in geding te brengen. Daarmee had hij zijn beschuldiging van vervalsing of manipulatie kunnen onderbouwen.

5.12

Niet door [verzoeker] is betwist dat hij het verlies van een gouden ring heeft geclaimd ter waarde van € 350,- en ter onderbouwing daarvan de met C aangeduide, deels handgeschreven, bon van [M] Juweliers uit [B] d.d. 7 mei 2008 heeft verstrekt.

Diezelfde bon, daarover kan in redelijkheid geen misverstand bestaan gelet op de volstrekte overeenstemming, is in 2014 gebruikt door verzekerde mevrouw [K] , ter onderbouwing van haar schade door het verlies van de ring bij insluiping in haar woning in [N] op

9 september 2014 (onderdeel van productie 3 bij verweerschrift in eerste aanleg). Het schadedossier van [K] is behandeld door [verzoeker] blijkens zijn brief van 7 oktober 2014 (productie HB-3 bij verweerschrift in hoger beroep).

Het hof constateert dat deze behandeling heeft plaatsgevonden in het pre-BPMS tijdperk. Nu [K] deze bon heeft kunnen verschaffen ter onderbouwing van haar claim, is die bon niet met de bij haar gestolen goederen weggenomen. Dat betekent ook dat [verzoeker] , gelet op zijn stellingen, in de korte periode tussen september 2014 en mei 2015 een gouden ring via Marktplaats moet hebben aangeschaft ter waarde van de door hem geclaimde € 350,- waarbij hij deze bon heeft verkregen. Dat is opmerkelijk.

5.13

Ook heeft [verzoeker] het verlies van zes horloges geclaimd. Van één daarvan (in zijn dossier gemerkt met "H") heeft hij een aankoopbon overgelegd ten bedrage van € 455,- na aftrek van € 194,- korting. De bon dateert van 6 november 2014, is genummerd 12488, betreft een Guess collection 4700 OG1 en is voorzien van de naam van de verkoper: [O] .

Precies dezelfde bon komt voor in het door [verzoeker] op 13 november 2014 behandelde schadedossier van ene [P] uit [Q] , die blijkens het schadeaangifteformulier op 6 november 2014 in Venlo op een brug gevallen zou zijn, waarbij zijn tas met aankopen, waaronder dit horloge, te water is geraakt en daar niet uit gehaald kon worden. Het hof herhaalt: dat betekent ook dat [verzoeker] , gelet op zijn stellingen, in de korte periode tussen november 2014 en mei 2015 via Marktplaats precies zo'n Guesshorloge moet hebben aangeschaft waarbij hij deze bon heeft verkregen. Dat is opmerkelijk.

5.14

Er is meer toeval. [verzoeker] heeft aangegeven dat bij de inbraak in zijn woning een Apple TV is buitgemaakt ter waarde van € 99,-, blijkens de door hem overgelegde kassabon op 21 december 2014 om 17:35 aangeschaft bij Dixons Xtra aan de [a-straat] in [B] en betaald met een MasterCard.

Ook [I] uit [Q] heeft op 21 december 2014 bij Dixons Xtra te [B] een Apple TV gekocht van € 99,- en betaald met zijn MasterCard van ABN Amro, nadat hij eerder diezelfde dag, blijkens zijn creditcardoverzicht, met die creditcard goederen ter waarde van € 179,10 bij [L] Store 024 in [B] heeft aangeschaft. Onder meer die goederen en de Apple TV is [I] volgens zijn schademelding diezelfde dag nog kwijtgeraakt tijdens het winkelen. [verzoeker] heeft deze schadeclaim (op de aankoopverzekering van de creditcard) op 29 december 2014 afgehandeld.

In het schadedossier van [verzoeker] zelf zit een bon van [L] aan de [b-straat] te [B] d.d. 21 december 2014 17:05 uur, ter hoogte van € 179,10. Deze, als nr. 34 gemerkte, bon behoort volgens [verzoeker] niet tot de door hem aangeleverde stukken ter onderbouwing van zijn hogere schadeclaim voor gestolen flessen parfum.

Het hof acht het hoogst opmerkelijk dat juist deze twee bonnen in het schadedossier van [verzoeker] terecht zijn gekomen, waarvan één (de Apple TV) volgens [verzoeker] terecht (zonder dat hij dat onderbouwt met een afschrift van zijn creditcardgegevens) en de ander ten onrechte omdat zijn dossier gemanipuleerd zou zijn. Hoe het dan komt dat in het gemanipuleerde dossier van [verzoeker] ook een bon van [I] zit van een aanschaf bij de Bijenkorf op 29 november 2014, waaromtrent [I] geen schadeclaim heeft ingediend, is, uitgaande van de lezing van [verzoeker] , een groot raadsel. Ter zitting in eerste aanleg heeft [verzoeker] verklaard dat hij [I] niet kent.

5.15

Het hof hecht, gezien de vele verbanden tussen claims van anderen en die van [verzoeker] , evenals de kantonrechter geen geloof aan de stelling van [verzoeker] dat hij zuiver toevallig via Marktplaats in bezit is gekomen van diverse goederen (al dan niet met bonnen) die bij hem ontvreemd zijn en eerder al zijn verdwenen bij verzekerden van zijn inleners. [verzoeker] heeft zich daarbij ook niet beroepen op concrete, bewijsbare, feiten of omstandigheden die de toevallige aanschaf wel onderbouwen.

Het hof hecht ook geen geloof aan de suggestie van [verzoeker] dat zijn eigen schadedossier door Delta Lloyd is gemanipuleerd, mede gelet op de voorlaatste zin van de vorige overweging.

Grief III faalt.

5.16

Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande al dat [verzoeker] betrokken is geweest bij een aantal claims met onregelmatigheden, zoals ten grondslag is gelegd aan het ontslag op staande voet. Nadere bewijslevering door Tempo-Team is daarvoor niet nodig.

5.17

Met grief IV betoogt [verzoeker] nog dat de kantonrechter hem ten onrechte een verwijt maakt met betrekking tot de claim van zijn broer. Het mag zo zijn dat [verzoeker] die claim niet heeft behandeld, hij heeft wel geholpen bij het opstellen ervan, zoals hij heeft erkend, en hij heeft daarover wisselende verklaringen afgelegd.

Naar het oordeel van het hof vraagt het enkele feit dat in die claim diverse goederen worden genoemd en aankoopbonnen worden verstrekt die ook voorkomen in dossiers van andere verzekerden die [verzoeker] eerder behandeld heeft, gelet op de betrokkenheid van [verzoeker] bij het opstellen van de claim om meer uitleg dan [verzoeker] heeft willen geven. De grief faalt.

5.18

[verzoeker] heeft ook niet betwist dat hij diverse zakelijke mails naar zijn privé

e-mailadres heeft doorgestuurd. De daarvoor opgegeven redenen (storingen waardoor de computer vertraagd reageerde, verkeerde adres -privé in plaats van zakelijk- aanklikken, dyslexie) overtuigen het hof niet. Het is het hof niet duidelijk waarom [verzoeker] een mail aan zichzelf zou willen sturen in zijn eigen werkomgeving.

Het mag zo zijn dat het doorsturen van mails nog niet betekent dat [verzoeker] fraude heeft gepleegd, maar daar waar de mails betrekking hebben op de toedracht van verdwijning of de beschrijving en/of waarde van bij verzekerden verdwenen goederen, zijn kritische vragen van Delta Lloyd legitiem en is het uitblijven van een bevredigend antwoord zorgwekkend.

Grief V faalt.

5.19

Met grief VI komt [verzoeker] op tegen de overweging waarin de kantonrechter ingaat op de betekenis van de eed of belofte die door [verzoeker] afgelegd zou zijn bij Delta Lloyd.

Wat daarvan ook zij, ook indien [verzoeker] die eed niet heeft afgelegd, blijft het hof bij hetgeen onder 5.16 is overwogen. Bespreking van deze grief kan dan ook achterweg blijven.

5.20

Bij de beantwoording van de vraag of de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen als dringend in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW hebben te gelden, dienen alle omstandigheden van het geval te worden afgewogen. Daarbij mag niet alleen worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zal hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (ECLI:NL:HR:2000:AA4436 en ECLI:NL:HR: 2012:BV9532). Het hof is van oordeel dat de betrokkenheid bij frauduleuze handelingen, zoals daarvan blijkt uit hetgeen bij de grieven III tot en met V is besproken, ontslag op staande voet rechtvaardigt. [verzoeker] heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die enig gewicht in de schaal leggen tegenover de aard en de ernst van de dringende reden.

Geen van de onder 2.3 opgesomde verzoeken in hoger beroep is toewijsbaar. Het hof verwerpt het hoger beroep en zal [verzoeker] , als de in het ongelijk te stellen partij, veroordelen in de kosten van de procedure aan de zijde van Tempo-Team (€ 718,- griffierecht en

€ 1.788,- salaris advocaat volgens liquidatietarief, 2 punten, tarief II). Voor de proceshandelingen na de mondelinge behandeling kent het hof geen salaris toe, nu Tempo-Team via Delta Lloyd de nadere stukken eerder in geding had kunnen brengen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 15 juni 2016;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van Tempo-Team vastgesteld op € 718,- aan griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.L. Fikkers, mr. I.A. Katz-Soeterboek en

mr. A.E.F. Hillen en is, bij afwezigheid van de voorzitter, ondertekend door rolraadsheer

mr. J.H. Kuiper en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.