Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1669

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
200.206.763/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Het wrakingsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Wrakingskamer

Zaaknummer 200.206.763/01

Beslissing van 22 februari 2017

op het schriftelijke verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het wrakingsincident,

dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

mr. W.M. van Schuijlenburg,

raadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden,

verweerder in het wrakingsincident.

Het verloop van de procedure

Op 21 december 2016 is de zaak met klachtnummer 15/0854, inhoudende een klacht ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van verzoeker ter zake van het uitblijven van een strafvervolging van [B] , in raadkamer behandeld door mr. Van Schuijlenburg als raadsheer-commissaris. Verzoeker en diens toenmalige advocaat is ter terechtzitting medegedeeld dat het hof in die zaak over acht weken uitspraak zou doen. Het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal d.d. 21 december 2016 bevindt zich bij de stukken.

Naar aanleiding van voornoemde behandeling is op 3 januari 2017 ter griffie van het hof een verzoek ingekomen strekkende tot wraking van – naar het hof begrijpt – de behandelend raadsheer-commissaris. Dit verzoek bevindt zich bij de stukken.

Voorts heeft er naar aanleiding van het wrakingsverzoek op 3 januari 2017 nadere correspondentie plaatsgevonden tussen verzoeker en de tijdens de artikel 12 Sv-procedure aanwezige advocaat-generaal Den Hollander. Ook deze correspondentie bevindt zich bij de stukken.

Mr. Van Schuijlenburg heeft schriftelijk medegedeeld dat hij niet in de wraking berust. Hij heeft bij die gelegenheid tevens kenbaar gemaakt dat bij hem niet de behoefte bestaat om op grond van artikel 515 Sv te worden gehoord.

Het Openbaar Ministerie heeft bij monde van advocaat-generaal Den Hollander te kennen gegeven dat hij evenmin gebruik zal maken van de mogelijkheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord.

Tot slot heeft verzoeker bij e-mailbericht van 17 februari 2017 aan het hof laten weten dat hij – kort samengevat – niet in staat is om op 22 februari 2017 in raadkamer te verschijnen, welk bericht vergezeld is van een (nadere) schriftelijke verklaring van verzoeker.

De beoordeling van het verzoek
De ontvankelijkheid van het verzoek
Het verzoek is tijdig ingediend en de wrakingskamer acht verzoeker ook overigens ontvankelijk.


De gronden van het wrakingsverzoek
Hoewel door verzoeker diverse lijvige stukken zijn ingestuurd, wordt aan het wrakingsverzoek zelf enkel ten grondslag gelegd dat de behandelend raadsheer-commissaris gedurende de raadkamerbehandeling op 21 december 2016 onvoldoende vragen heeft gesteld en daarmee onvoldoende is ingegaan op de door verzoeker gedane aangiftes. Hierdoor zou sprake zijn van een oneerlijk proces, zo volgt uit verzoekers schrijven.


De inhoudelijke beoordeling van het verzoek
Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder – voor zover hier van belang – recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

De wrakingskamer stelt voorop dat – zoals hiervoor is weergegeven – concrete feiten of omstandigheden moeten worden aangedragen op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. In dit kader wordt vastgesteld dat door verzoeker geen feiten of omstandigheden zijn aangedragen waaruit zou kunnen volgen dat bij de behandelend raadsheer sprake is geweest van vooringenomenheid, dan wel dat die schijn redelijkerwijs is gewekt. Nu ook overigens niet van feiten of omstandigheden is gebleken die blijk geven van enige vooringenomenheid en evenmin van feiten of omstandigheden die objectief gezien die schijn wekken, is het wrakingsverzoek ongegrond. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):

wijst het verzoek tot wraking van mr. Van Schuijlenburg af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.J. Deuring, M.W. Zandbergen en R.E. Weening, leden van de wrakingskamer, is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.