Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1592

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
200.203.963/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.203.963/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/181199 / JE RK 16-35)

beschikking van 21 februari 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.T. Pel te Hattem,

en

de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Zwolle,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader,

2 de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders,

3 Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

verder te noemen: JbOV.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 4 februari 2016, 24 februari 2016, 4 mei 2016 en de bestreden beschikking van 23 augustus 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 november 2016;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een faxbrief van mr. Pel van 23 november 2016 met productie(s);

- een brief van mr. Pel van 8 december 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Pel van 13 december 2016;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 15 december 2016;

- een brief van JbOV van 23 december 2016.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 17 januari 2017 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is de heer [B] verschenen. Namens het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming (hierna: het LET) zijn verschenen de heer [C] en mevrouw [D] .

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de eind 2013 verbroken affectieve relatie van de vader en de moeder zijn geboren [in] 2011 [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ) en [in] 2013 [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ). De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

3.2

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 20 februari 2014 onder toezicht, aanvankelijk van JbOV, feitelijk uitgevoerd door het LET, en per 24 november 2016 van de GI. De termijn van de ondertoezichtstelling is - voor zover bekend - laatstelijk verlengd tot 11 februari 2017.

3.3

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn op 11 februari 2015 met spoed uit huis geplaatst. Sindsdien verblijven zijn bij de pleegouders. De termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd tot 25 augustus 2016.

3.4

Bij de hierboven onder 1 genoemde bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 23 augustus 2016 heeft de kinderrechter - voor zover hier aan de orde - de machtiging uithuisplaatsing (het hof begrijpt) verlengd met ingang van 25 augustus 2016 tot 11 februari 2017.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

23 augustus 2016. Deze grieven zien op de verlenging van de uithuisplaatsing. De eerste grief betreft het feit dat de moeder en haar advocaat niet de beschikking hebben gekregen over het rapport van het forensisch psychologisch onderzoek aangaande de vader. De tweede en derde grief richten zich tegen de door de rechtbank aangevoerde gronden voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en de vierde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het perspectief van de kinderen niet bij een van de ouders ligt.

De moeder verzoekt de beschikking van 23 augustus 2016 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

a. JbOV niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , althans dat verzoek alsnog af te wijzen;

b. te bepalen dat het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder ligt en dat er dient te worden toegewerkt naar de thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder met inachtneming van de door het hof daarvoor te bepalen termijn.

4.2

Het hof zal de grieven op numerieke volgorde bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Grief 1

5.1

Gebleken is dat de moeder, in tegenstelling tot JbOV, het LET, de kinderrechter en inmiddels ook de GI, nimmer de beschikking heeft gekregen over het na te noemen deskundigenrapport over de vader. De moeder heeft ter zitting van 17 januari 2017 echter verklaard haar grief op dit punt niet meer te handhaven, nu ook het hof niet blijkt te beschikken over genoemd rapport. Hoewel deze grief daarom strikt genomen geen bespreking meer behoeft, wenst het hof hier nog wel op te merken dat de gang van zaken in eerste aanleg wat betreft de interne openbaarheid van de processtukken de nodige bevreemding oproept. De kinderrechter heeft de deskundigenrapporten over beide ouders immers in zijn oordeel betrokken, terwijl de moeder geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het rapport over de vader (en naar alle waarschijnlijkheid geldt voor de vader vice versa hetzelfde). Het proces-verbaal van 22 augustus 2016 geeft over de toedracht van deze ongewone manier van doen geen uitsluitsel. Zoals ter zitting reeds besproken, kan het oordeel van het hof in dit hoger beroep, anders dan in eerste aanleg mogelijk het geval is geweest, bij gebrek aan kennis daarvan echter niet beïnvloed worden door de inhoud van het rapport over de vader.

Grief 2

5.2

Met de moeder is het hof van oordeel dat de kinderrechter zijn oordeel op

23 augustus 2016 ten onrechte mede heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de ouders sinds 4 mei 2016 niet hadden laten zien dat zij in staat zijn om op een neutrale manier met elkaar te communiceren. Zo zijn zij volgens de kinderrechter in die tijd niet met elkaar in gesprek gegaan om bijvoorbeeld gezamenlijk een plan op te stellen. De door de kinderrechter bedoelde periode stond echter geheel in het teken van na te melden forensisch psychologisch onderzoek waarbij de betrokken deskundige de lijnen heeft uitgezet. De ouders kan redelijkerwijs niet worden verweten dat zij zich daaraan hebben geconformeerd en niet buiten de deskundige om contact met elkaar hebben gezocht. Integendeel. De individuele belangen van de ouders waren destijds immers groot en afhankelijk van de uitkomsten van het deskundigenonderzoek. Iedere vorm van contact tussen hen zou gezien hun voorgeschiedenis een voedingsbodem hebben kunnen zijn voor nieuwe conflicten. Dat de ouders die confrontatie, al dan niet bewust (in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ), niet hebben opgezocht mag hen, althans voor zover hier relevant de moeder, thans niet worden tegengeworpen. Grief 2 slaagt.

Grieven 3 en 4

5.3

De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 11 februari 2017 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder desondanks een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 25 augustus 2016 tot 11 februari 2017 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

5.4

Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.5

De moeder kan zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet verenigen. Haar grootste pijnpunt zit echter in het oordeel van de kinderrechter dat het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de pleegouders ligt. De moeder acht zichzelf namelijk in staat om hen "goed genoeg ouderschap te bieden".

5.6

De GI is van mening dat het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de pleegouders ligt. De moeder kan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] volgens de GI niet binnen een redelijke termijn bieden wat zij nodig hebben. Het is in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij nu definitief duidelijkheid krijgen over waar zij verder gaan opgroeien, aldus de GI. De GI heeft de raad in december 2016 daarom verzocht onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel (voor beide ouders).

5.7

Het hof heeft bij beschikking van 2 februari 2016 in de voorgaande verlengings-procedure geoordeeld dat voor de (hernieuwde) bepaling van het toekomstperspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onafhankelijk onderzoek nodig was. Naar aanleiding daarvan heeft de kinderrechter, steeds onder kortdurende verlenging van de uithuisplaatsing en aanhouding van de overigens door de GI verzochte duur, via tussenkomst van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie mevrouw drs. [E] , GZ-psycholoog [F] te [G] , op 4 mei 2016 benoemd als deskundige (hierna: de deskundige). [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , de vader en de moeder (en haar partner, hierna: [H] ) zijn vervolgens onderworpen aan een uitgebreid forensisch psychologisch onderzoek. Daarvan is een viertal afzonderlijke rapportages opgemaakt. Het rapport van de deskundige over de moeder en [H] dateert van 8 augustus 2016 en de rapporten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van mevrouw drs. [I] (onder (mede)verantwoordelijkheid van de deskundige), eveneens GZ-psycholoog, dateren van 9 augustus 2016. Op basis van de verslaglegging van de deskundige(n) heeft de kinderrechter op 23 augustus 2016 geoordeeld dat het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] - voor zover hier van belang - niet bij de moeder ligt en de machtiging tot uithuisplaatsing van de beide kinderen verlengd voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling tot 11 februari 2017. Het hof komt ook tot die oordelen, zij het op deels andere gronden dan de kinderrechter.

5.8

Met JbOV had het hof op 2 februari 2016 reeds zorgen over het antwoord op de vraag wat voor de destijds net 5-jarige [de minderjarige1] en bijna 3-jarige [de minderjarige2] , gelet op hun persoon en ontwikkeling, een aanvaardbaar te achten termijn was waarbinnen de ouders in staat moesten zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer zelf te dragen. Het hof onderschreef destijds dan ook zonder meer het door JbOV genoemde belang van zulke jonge kinderen als [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij het zo spoedig mogelijk duidelijkheid krijgen en houden over waar en bij wie zij gaan opgroeien. Het hof achtte op 2 februari 2016 echter nog onvoldoende onderbouwd dat de opvoedvaardigheden van (bei)de ouder(s), zo nodig met ondersteuning, niet goed genoeg zouden zijn om aan te sluiten bij de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Dit sprak te meer omdat op 2 februari 2016 (nog) niet vaststond dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] daadwerkelijk getraumatiseerde kinderen waren. Het hof overwoog daarbij wel nadrukkelijk dat met name de voortdurende strijd van de ouders als ex-partners en hun - mogelijk vooral daarmee samenhangende - vijandige wijze van communiceren grote zorgpunten bleven.

5.9

Het hof verwijst naar de in de bestreden beschikking opgenomen zakelijke weergave van het uit de deskundigenrapporten over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar voren komende zorgelijke individuele beeld van beide meisjes. Dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] getraumatiseerde kinderen zijn staat inmiddels dan ook wel vast. Zij hebben ontwikkelingsproblemen, deels in verband met de voorgeschiedenis en strijd tussen de ouders. De kinderen vragen daardoor een bovengemiddelde inspanning van opvoeders, aldus de deskundige. De deskundige concludeert op pagina 30 van het rapport over de moeder en [H] dat de kinderen een omgeving nodig hebben waarin zij niet meer worden belast met spanningen, strijd, onveiligheid of emotioneel belaste opvoeders, maar waarin volledig ruimte is voor hun herstel en ontwikkeling. De kinderen raken (verder) beschadigd door dreiging, onenigheid, onduidelijkheid, stress en emotioneel beperkte beschikbaarheid van volwassenen. Zolang er in het leven van de ouders strijd en onveiligheid bestaan (met inbegrip van het elkaar uit balans brengen, emotionele instabiliteit of ondoordachte keuzes), vormen beide ouders niet een veilige of groeizame omgeving voor hun kinderen - ongeacht de mogelijkheden die zij in principe hebben als opvoeders. De kinderen hebben contact met hun beide ouders nodig, maar dat mag niet worden belast door welke vorm van onveiligheid dan ook. De kinderen hebben het nodig om te weten waar zij zullen opgroeien, op wie zij mogen terugvallen en wie hen zal helpen en steunen in hun ontwikkeling. Deze zekerheid is noodzakelijk voor het opbouwen van een voor de kinderen groeizame vertrouwensrelatie met opvoeders. De verwachting is dat beide ouders niet binnen afzienbare tijd tegemoet kunnen komen aan de eisen van veiligheid en emotionele beschikbaarheid die deze beide kinderen, gezien hun ontwikkelingsproblemen, nodig hebben om zo goed mogelijk te kunnen opgroeien.

5.10

Het hof is van oordeel dat door, althans onder de verantwoordelijkheid van de deskundige zeer uitgebreid en gedegen onderzoek is verricht. Vanuit haar professie als gezondheidszorgpsycholoog was de deskundige in deze specifieke en gecompliceerde zaak het meest geëquipeerd om tot een afgewogen en neutraal oordeel te kunnen komen over het opvoedingsperspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof acht dit oordeel onderbouwd en begrijpelijk en onderschrijft daarom de visie van de deskundige en neemt haar onder 5.9 genoemde conclusie van 8 augustus 2016 over. Bovendien is ter zitting van 17 januari 2017 gebleken dat de strijd tussen de ouders, deels in afgeleide zin (via [H] ), nog immer actueel is. De moeder heeft weliswaar aangegeven dat zij niet (meer) actief debet is aan die strijd, zodat het voortduren daarvan niet in haar nadeel mag werken, maar feit is en blijft dat zij zich nimmer geheel van die strijd zal kunnen distantiëren en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] daarom ook niet zal kunnen vrijwaren (van de nadelige gevolgen) daarvan, zoals dat haar voor de uithuisplaatsing spijtig genoeg evenmin is gelukt. Zowel de vader als [H] - met wie de moeder voornemens is samen te blijven - spelen immers (in ieder geval in de nabije toekomst) een niet te verwaarlozen rol in haar leven. Beiden zijn duidelijk nogal "opgewonden standjes" die bepaald niet het beste in elkaar naar boven halen. Daarbij lijkt de moeder juist ook het onderwerp van hun strijd te zijn.

5.11

Anders dan op 2 februari 2016 het geval was acht het hof thans voldoende onderbouwd dat een (zo gezond mogelijke) verdere ontwikkeling van de inmiddels 6-jarige [de minderjarige1] en bijna 4-jarige [de minderjarige2] , gezien de bij hen aanwezige specifieke kindfactoren, bij de moeder thuis, nog los van haar opvoedvaardigheden, niet (blijvend) in voldoende mate is gewaarborgd. Nu het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt, beoordeelt het hof de verlenging van de uithuisplaatsing over de periode van 23 augustus 2016 tot

11 februari 2017 dan ook noodzakelijk. Grieven 3 en 4 falen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, onder verbetering van gronden, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 23 augustus 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, A.W. Beversluis en J.G. Idsardi, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 21 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.