Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:1562

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
21-005654-16
Formele relaties
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2016:2241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na cassatie en terugwijzing door de Hoge Raad dient het gerechtshof de vraag te beantwoorden tot welk bedrag aan één van de benadeelde partijen immateriële schade vanwege de confrontatie met het misdrijf waarbij zijn moeder is gedood (shockschade ten bedrage van € 25.000,-) dient te worden toegekend en de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd. Gelet op de, nader in het arrest vastgestelde, aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst en de duur van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor hem - en mede gelet op hetgeen blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van shockschade - onder meer ECLI:NL:GHARL:2016:3214, ECLI:NL:GHSHE:2016:1695 en ECLI:NL:RBROT:2013:10725 - stelt het gerechtshof de shockschade naar billijkheid vast op een bedrag van € 20.000,- en wijst de vordering voor het overige af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005654-16

Uitspraak d.d.: 24 februari 2017

Tegenspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 4 oktober 2016 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 november 2014 met het parketnummer

08-710079-14 in de strafzaak van

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Zwolle, te Zwolle.

Procesgang en omvang van het hoger beroep.

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 november 2014 is de veroordeelde vrijgesproken van moord en is hij ter zake van doodslag en overtreding van de Wet tijdelijk huisverbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest en is aan hem opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partijen [benadeelde 1] ,

[benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] is gedeeltelijk toegewezen en daarbij is de schadevergoedings-maatregel opgelegd. Voor het overige is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Overijssel hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft in hoger beroep bij arrest van 9 juli 2015 het vonnis van de rechtbank bevestigd, met verbetering en aanvulling van gronden. Daarbij heeft het gerechtshof beslist dat de aan de benadeelde partij [benadeelde 5] toegekende vordering tot schadevergoeding niet wordt vermeerderd met de wettelijke rente en dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] wordt toegekend tot het bedrag van de gevorderde shockschade ten bedrage van € 25.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft het gerechtshof de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Tegen dit arrest heeft de veroordeelde beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 4 oktober 2016 het bestreden arrest vernietigd, zij het uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van de door het gerechtshof aan de benadeelde partij [benadeelde 1] toegekende shockschade en de hoogte van de daarmee corresponderende betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 10 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van shockschade ten bedrage van € 25.000,- geheel zal toewijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. De advocaat-generaal heeft de vordering na voorlezing aan het gerechtshof overgelegd.

Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens de veroordeelde door zijn raadsman, mr. B.P. de Boer, en hetgeen namens de benadeelde partij door zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, ter terechtzitting van het gerechtshof van 10 februari 2017 is aangevoerd.

Beoordeling

Ter terechtzitting van het gerechtshof van 10 februari 2017 heeft mr. Moszkowicz meegedeeld dat de benadeelde partij [benadeelde 1] de vordering tot schadevergoeding ter zake van shockschade ten bedrage van € 25.000,- handhaaft in de strafzaak in hoger beroep.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad dient het gerechtshof thans uitsluitend de vraag te beantwoorden tot welk bedrag aan de benadeelde partij [benadeelde 1] immateriële schade vanwege de confrontatie met het misdrijf waarbij zijn moeder is gedood (hierna aan te duiden als shockschade) dient te worden toegekend en de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd. Het gerechtshof begrijpt het arrest van de Hoge Raad aldus dat het gerechtshof zijn oordeel over de hoogte van de shockschade toereikend(er) dient te motiveren, door onder meer concrete(re) vaststellingen te doen omtrent de duur en intensiteit van het letsel en de verwachtingen ten aanzien van het herstel en zich rekenschap dient te geven van eerdere uitspraken over de omvang van de immateriële schade in vergelijkbare gevallen.

De raadsman van de veroordeelde heeft aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de vordering tot shockschade aanzienlijk gematigd dient te worden en in ieder geval een bedrag van € 10.000,- niet te boven zou moeten gaan. Voorts is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het overige deel van de vordering, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu in het kader van deze strafzaak niet zonder meer vast te stellen is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden die te begroten is op een hoger bedrag.

Het gerechtshof stelt vast dat door of namens de benadeelde partij geen nadere - méér recente - medische rapportage met betrekking tot de benadeelde partij is ingebracht ter terechtzitting van het gerechtshof van 10 februari 2017.

De raadsman van de benadeelde partij heeft op deze zitting - naar aanleiding van aanhoudende vragen daaromtrent van het gerechtshof - de vordering nader toegelicht op een aantal aspecten, waaronder de aard van het letsel en de aard en duur van de behandeling van dat letsel. Op grond van deze mondelinge toelichting - waarover hieronder meer - acht het gerechtshof zich thans voldoende ingelicht over de vordering. Er zijn derhalve geen gronden aanwezig de benadeelde partij op de door de raadsman van de veroordeelde aangevoerde grond niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover deze het bedrag van
€ 10.000,- te boven gaat.

Het hof stelt voorop dat bij de begroting van de immateriële schade de rechter rekening moet houden met alle omstandigheden, waarbij kan worden gedacht enerzijds aan de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds aan de aard van het letsel, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. De rechter zal bij deze begroting ook rekening moeten houden met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde en acht slaan op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt toegekend door Nederlandse rechters.

De raadsman van de benadeelde partij heeft in dit kader het volgende aangevoerd ter terechtzitting van het gerechtshof van 10 februari 2017.

Het gaat om een gruwelijke zaak waarin de benadeelde partij in de puberleeftijd (het gerechtshof begrijpt: op twaalfjarige leeftijd), in een levensfase waarin zijn persoonlijkheid zich ontwikkelt, er direct getuige van is geweest dat zijn moeder met een slagersmes is afgeslacht in de tuin van de eigen woning. Hij probeerde tevergeefs haar te redden. Deze gebeurtenis heeft bij hem geleid tot aanhoudende gevoelens van boosheid jegens zijn omgeving en teleurstelling in zichzelf. Er is als direct gevolg van de gebeurtenis sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarvoor hij EMDR-therapie heeft gevolgd.

Op dit moment is hij nog steeds in behandeling voor zijn klachten. Zijn schoolprestaties lijden onder de traumatische gebeurtenis; hij presteert onder zijn niveau. Er is sprake van structurele scheefgroei in de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid door de gebeurtenis, die hem zijn leven lang zal bijblijven.

De raadsman van de veroordeelde heeft deze door de raadsman van de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden niet anders betwist dan door te stellen dat over de ernst van de posttraumatische stoornis, de duur en intensiteit van de behandeling en de verwachting van het herstel weinig bekend is en dat de onderbouwing van de vordering op deze aspecten ontbreekt.

Het gerechtshof stelt vast dat hetgeen de raadsman van de benadeelde partij in de kern heeft aangevoerd ter onderbouwing van de vordering niet, dan wel onvoldoende is betwist door de raadsman van de veroordeelde. Het gerechtshof gaat dan ook uit van hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd. Het neemt daarbij in aanmerking dat hetgeen de raadsman van de benadeelde partij aanvoert op belangrijke onderdelen steun vindt in het in hoger beroep voor de terugwijzing overgelegde rapport van Gz-psycholoog drs. Th. van Rijnsoever, die de benadeelde partij heeft behandeld.

Het gerechtshof stelt voorts vast dat hetgeen de raadsman van de benadeelde partij heeft aangevoerd over de huidige situatie van de benadeelde partij een ongunstige prognose met betrekking tot de verwachtingen omtrent het herstel van de benadeelde partij rechtvaardigt. Er dient dan ook van te worden uitgegaan dat de benadeelde partij langdurig ernstige psychische klachten zal ondervinden als gevolg van de gebeurtenis waarvoor de veroordeelde jegens hem aansprakelijk is, en dat die klachten het functioneren en het welbevinden van de benadeelde partij in aanzienlijke mate negatief zullen beïnvloeden. Van belang is ook dat de schade is veroorzaakt door opzettelijk handelen en dat met de wijze waarop de schade is ontstaan is gegeven dat daardoor een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op het rechtsgevoel van de benadeelde partij, die in het huis (en later voor dit huis) waarin hij met het primaire slachtoffer, zijn moeder, in gezinsverband woonde werd geconfronteerd met het door de veroordeelde op zijn moeder uitgeoefende geweld welk geweld de dood tot gevolg had.

Anders dan de raadsman van de benadeelde partij heeft gesteld, acht het gerechtshof geen rechtsgrond aanwezig om bij de vaststelling van de hoogte van de shockschade aan te sluiten bij het door de raadsman aangehaalde wetsvoorstel inzake de vaststelling van normbedragen ter zake van affectieschade. Het gaat in dat wetsvoorstel immers niet om een regeling met betrekking tot shockschade (schade vanwege de confrontatie met het geweld op een dierbare), maar om een wezenlijk ander soort schade, namelijk affectieschade (verdriet vanwege het verlies van een dierbare). Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de eerste categorie schade wèl en de tweede categorie schade uitdrukkelijk niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag aanwezig is.

Anders dan de raadsman van de benadeelde partij heeft gesteld, acht het gerechtshof de strafzaak inzake Marianne Vaatstra niet een vergelijkbare zaak, aangezien in die zaak de rechtbank bij de begroting van de hoogte van de immateriële schade uitdrukkelijk als bepalende factor in aanmerking nam dat de nabestaande (vader Vaatstra) door de bijzonder langdurige onzekerheid over de vraag wie de dader van het levensdelict was en het daardoor zeer lang ontbreken van afsluiting (ook in de zin van strafrechtelijke en civielrechtelijke berechting) van de zaak ernstig was geschaad. Die schadeverhogende omstandigheid doet zich hier niet voor.

Anders dan de raadsman van de veroordeelde heeft gesteld, acht het gerechtshof de zaak van het gerechtshof Den Bosch van 27 januari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:255) niet zonder meer een vergelijkbare zaak, nu in die zaak weinig informatie bekend was over de relevante beoordelingscriteria ter zake van de hoogte van de toe te kennen shockschade.


Het hof merkt op dat de hiervoor besproken uitspraak van het hof Den Bosch het appel betreft van een uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 november 2014 (ECLI:NL:RBLIM:2014:10063), waarop de raadsman van veroordeelde zich in het hoger beroep voor de terugwijzing heeft beroepen.

Hetgeen hiervoor is overwogen over de beslissing van het hof Den Bosch geldt eveneens voor de uitspraak van het hof Amsterdam van 20 maart 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9391) waar de raadsman van veroordeelde naar verwijst.

In deze zaak werd bovendien een aanzienlijk lager schadebedrag gevorderd.

Gelet op het bovenstaande - de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst en de duur van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor hem - en mede gelet op hetgeen blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van shockschade - onder meer ECLI:NL:GHARL:2016:3214, ECLI:NL:GHSHE:2016:1695 en ECLI:NL:RBROT:2013:10725 - stelt het gerechtshof de shockschade naar billijkheid vast op een bedrag van € 20.000,- en wijst de vordering voor het overige af.

Gelet hierop dient de veroordeelde, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aangezien de veroordeelde jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 20.000,- die door de bewezen verklaarde doodslag is toegebracht en het belang van het slachtoffer [benadeelde 1] ermee is gediend, zal aan de veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

De raadsman van de veroordeelde heeft het gerechtshof verzocht bij de vaststelling van de vervangende hechtenis in het kader van een op te leggen schadevergoedingsmaatregel rekening te houden met de aan de veroordeelde opgelegde straf en maatregel.

Het hof acht het illusoir te menen dat veroordeelde, aan wie een zeer langdurige gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging is opgelegd, in staat zal zijn binnen redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarmee zou de normaliter op te leggen vervangende hechtenis, die immers is bedoeld als drukmiddel voor betalingsonwilligen, een punitief karakter krijgen, hetgeen het hof ongewenst acht. Daarom wordt conform het verzoek van de verdediging en de vordering van de advocaat-generaal, bepaald dat bij gebreke aan betaling van het aan de Staat te betalen bedrag slechts één dag vervangende hechtenis zal worden toegepast.

BESLISSING

Het hof:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot het bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering voor het overige deel van de gevorderde shockschade af.

Verwijst de veroordeelde in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 20.000,- (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. H. de Hek en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 24 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Holten is buiten staat dit arrest te ondertekenen.